RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 12210596 \ CV EXPL 26-1524
Vonnis van 12 augustus 2026
in de zaak van
STICHTING ALWEL,
te Roosendaal,
eisende partij,
hierna te noemen: Stichting Alwel,
gemachtigde: Stichting Alwel,
tegen
[huurder] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [huurder] ,
procederend in persoon.
1. De zaak in het kort
Deze zaak gaat over de vraag of [huurder] haar woning moet verlaten en ontruimen nu de huurovereenkomst van rechtswege is beëindigd. Stichting Alwel heeft aangeboden om [huurder] extra tijd te geven om de woning te verlaten, omdat het voor [huurder] lastig is om een andere woning te vinden. De kantonrechter zal de vorderingen van Stichting Alwel (grotendeels) toewijzen. De kantonrechter legt hieronder haar beslissing uit.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,- de conclusie van antwoord,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- het bericht van 19 juni 2026 met productie(s) van Stichting Alwel,- de mondelinge behandeling van 10 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3. De feiten
Stichting Alwel verhuurt met ingang van 9 april 2024 aan [huurder] de woning aan het [adres] in [plaats] (hierna: de woning). Op deze huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing. In deze overeenkomst is onder meer het volgende bepaald:
“3.1 Deze huurovereenkomst wordt met ingang van 9 april 2024 aangegaan voor een periode van 24 maanden en eindigt, met inachtneming van het hierna in 3.2 bepaalde, van rechtswege op 8 april 2026, zodat deze laatste datum de laatste dag van de huurovereenkomst is. Huurder erkent daarbij uitdrukkelijk dat het gehuurde tijdelijk aan huurder ter beschikking wordt gesteld, teneinde tijdelijk te voorzien in de urgente huisvestigingsbehoefte van huurder als gevolg van de hiervoor bedoelde sociale noodsituatie.
Verhuurder zal tenminste één maand vóór het verstrijken van de in artikel 3.1 bedoelde periode, maar niet eerder dan drie maanden daarvoor, de huurder schriftelijk informeren over het einde van de huurovereenkomst tegen de in artikel 3.1 bedoelde einddatum.”
Bij brieven van 31 december 2025 en 10 februari 2026 heeft Stichting Alwel aan [huurder] meegedeeld dat de huurovereenkomst van rechtswege eindigt op 8 april 2026 en is aangezegd dat het gehuurde op die datum dient te zijn ontruimd.
[huurder] heeft de woning niet verlaten, waarna Stichting Alwel de onderhavige procedure aanhangig heeft gemaakt.
4. Het geschil
Het geschil spitst zich toe op de vraag of [huurder] de woning uiterlijk op 8 april 2026 had moeten verlaten en ontruimen.
De kantonrechter zal hierna bij de beoordeling, voor zover van belang voor de uitkomst van deze zaak, nader ingaan op hetgeen partijen ter onderbouwing van hun stellingen naar voren hebben gebracht en aan stukken hebben overgelegd.
5. De beoordeling
Niet in geschil is dat [huurder] op 9 april 2024 een huurcontract voor de woning is aangegaan voor een periode van 24 maanden vanwege een sociale noodsituatie. Tijdens de zitting heeft [huurder] dit ook erkend. [huurder] heeft daarbij aangevoerd dat zij er alles aan heeft gedaan om een andere woonruimte te vinden, maar dat dit ondanks het veelvuldig reageren op woningen nog niet is gelukt. Ook haar fysieke en mentale gezondheid heeft daarbij niet geholpen. Zowel [huurder] als haar begeleider bij de GGZ benadrukken ter zitting dat de situatie zeer moeilijk blijft en dat er feitelijk geen passend aanbod momenteel is voor mevrouw [huurder] . Bovendien is begeleid wonen via de GGZ aangevraagd, maar dat is door de gemeente afgewezen.
Stichting Alwel heeft, gezien de situatie, tijdens de mondelinge behandeling voorgesteld om vonnis te vragen met een ontruimingstermijn van zes maanden, zodat in de tussentijd een passende woonruimte kan worden gezocht. Daarbij benadrukt Stichting Alwel dat mevrouw [huurder] (nog) alerter moet zijn op het voorkomen van mogelijke overlast in en rondom de woning.
Uit de voorgaande overwegingen vloeit voort dat [huurder] sinds 8 april 2026 zonder recht of titel in de woning verblijft. De (verminderde) vordering zal daarom worden toegewezen, met inachtneming van een ontruimingstermijn van (uiterlijk) zes maanden na betekenis van dit vonnis.
Proceskosten
[huurder] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Stichting Alwel worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
153,02
- griffierecht
€
139,00
- salaris gemachtigde
€
217,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
€
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
617,52
De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [huurder] om (uiterlijk) binnen zes maanden na betekening van dit vonnis de woning te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Stichting Alwel zijn, en de sleutels af te geven aan Stichting Alwel,
veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 617,52, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [huurder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Speekenbrink en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.