beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/449742 FA RK 26-3308 (bodemprocedure)
C/02/449745 FA RK 26-3310 (provisionele voorziening)
datum uitspraak: 17 juli 2026
beschikking over de bevoegdheid
in de zaak van
[de man] ,
hierna: de man,
wonende in [woonplaats 1] (België),
advocaat: mr. J.B.G. Gelissen in Sittard,
tegen
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats 2] (België)
advocaat: mr. Y. Wong in Amsterdam,
over de minderjarige:
- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2023.
1. Het procesverloop
In het dossier zitten de volgende stukken:
- het op 7 juni 2026 ontvangen verzoek met bijlagen;
- het op 29 juni 2026 ontvangen brief van de advocaat van de man met bijlagen;
- de op 7 en 9 juli 2026 ontvangen producties van de advocaat van de man;
- de op 13 juli 2026 ontvangen producties van de advocaat van de vrouw
De zaken zijn mondeling behandeld op 14 juli 2026. Bij die behandeling zijn gekomen partijen, met hun advocaten.
2. De feiten
Op grond van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht gaat de rechtbank uit van de volgende omstandigheden:
Partijen hebben een relatie gehad.
Uit deze relatie is [minderjarige] op [geboortedag] 2023 te [geboorteplaats] geboren.
De man heeft [minderjarige] prenataal erkend op 2 november 2022.
De vrouw en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit en de man heeft de Belgische nationaliteit.
De man en de vrouw hebben in de periode van medio januari 2023 tot medio juni 2023 samengewoond in België. In deze periode stond de vrouw ook ingeschreven op hetzelfde adres als de man in België.
Daarna heeft de vrouw met [minderjarige] bij haar moeder gewoond. Eerst in [plaats 1] en later in [plaats 2] .
De vrouw en [minderjarige] staan sinds 31 mei 2026 niet in het BRP ingeschreven op een adres in Nederland.
De vrouw en [minderjarige] zijn verhuisd naar [woonplaats 2] (België) en staan sinds 8 juni 2026 op dit adres ingeschreven.
De man woont in België.
In de onderlinge overeenkomst gedeelde voogdij die door beide partijen op 1 december 2023 is ondertekend, zijn partijen een zorgregeling overeengekomen waar sprake is van een co-ouderschapsregeling waarbij beide partijen ieder de helft van de zorg voor [minderjarige] hebben.
3. Het verzoek
De man verzoekt, voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad, als volgt te beslissen:
In de bodemprocedure:
te bepalen dat dat de vrouw gehouden zal zijn om binnen een termijn van maximaal één maand na de beschikking, dan wel binnen een termijn die de rechtbank juist acht, met [minderjarige] terug te verhuizen naar de [regio] , waarbij de nieuwe woning binnen een straal van maximaal 45 minuten reisafstand van de woning van de man gelegen moet zijn;
de inhoud van de op 1 december 2023 door partijen ondertekende overeenkomst te bekrachtigen en aldus onder meer te bepalen dat de volgende contact regeling tussen partijen van kracht zal zijn:
1e week: van maandag tot en met woensdag verblijft [minderjarige] bij de man, van donderdag tot en met zondag bij de vrouw;
2e week: van maandag tot en met woensdag verblijft [minderjarige] bij de vrouw, van donderdag tot en met zondag bij de man;
dan wel een andere omgangsregeling vast te stellen welke de rechtbank juist acht.
Bij wijze van voorlopige voorzieningen:
[minderjarige] gedurende de bodemprocedure aan de man toe te vertrouwen/haar hoofdverblijf bij hem te bepalen, en;
daarbij voornoemde, door partijen overeengekomen regeling, inhoudende
1e week: van maandag tot en met woensdag verblijf [minderjarige] bij de man, van donderdag tot en met zondag bij de vrouw;
2e week: van maandag tot en met woensdag verblijf [minderjarige] bij de vrouw, van donderdag tot en met zondag bij de man;
dan wel een andere contactregeling vast te stellen welke de rechtbank juist acht.
proceskosten
- de vrouw te veroordelen tot betaling van de proceskosten van de man.
4. De beoordeling
Internationale bevoegdheid
Vanwege het feit dat de man in België woont en de Belgische nationaliteit heeft, draagt deze zaak een internationaal karakter. Daarom dient de rechtbank eerst ambtshalve vast te stellen of zij internationaal bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek.
Uit het inleidende verzoek van de man volgt dat het verzoek te kwalificeren is als een kwestie van ouderlijke verantwoordelijkheid. Hiermee valt het verzoek binnen het materieel toepassingsgebied van artikel 1 lid 1 sub a van de Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (herschikking) (hierna: de Brussel II-ter Verordening). Aangezien het verzoek na 1 augustus 2022 is ingediend is de Brussel II-ter Verordening temporeel van toepassing.
Gewone verblijfplaats
Door de man wordt gesteld dat [minderjarige] haar gewone verblijfplaats had in Nederland op het moment dat de man zijn verzoeken heeft ingediend bij de rechtbank. Hij is van mening dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 van de Brussel II-ter Verordening internationaal bevoegd is om over deze verzoeken te beslissen.
Namens de vrouw is gesteld dat zij zich korte tijd voor het indienen van het verzoek heeft gevestigd in België. Ten aanzien van de beoordeling van de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is, refereert de vrouw zich aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank overweegt dat eerst zal moeten worden beoordeeld waar [minderjarige] haar gewone verblijfplaats had ten tijde van de indiening van het verzoek. Daarnaast is het ook van belang om te beoordelen of partijen van rechtswege gezamenlijk zijn belast met het gezag.
Ten aanzien van het begrip gewone verblijfplaats overweegt de rechtbank als volgt. Het begrip gewone verblijfplaats is meermalen door het Hof van Justitie van de Europese Unie geïnterpreteerd. Zoals het Hof van Justitie herhaaldelijk heeft geoordeeld, betreft het een autonoom Unierechtelijke begrip, zodat dit moet worden uitgelegd tegen de achtergrond van de context van de bepalingen en het doel van de Brussel II-bis Verordening (en inmiddels de Brussel II-ter Verordening), met name het doel dat de bevoegdheidsregels zijn opgezet in het belang van het kind, en met name beantwoorden aan het criterium van de nauwe verbondenheid (zie onder meer de arresten 2 april 2009, A, C-523/07, ECLI:NL:EU:C:2009:225, punten 34 en 35; 22 december 2010, Mercredi, C-497-10 PPU, ECLI:EU:C:2010:289, punten 44-46; 8 juni 2017, OL v. PQ, C-111/47, PPU, ECLI:EU:C:2017:436, punt 40).
Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie, alsmede de Hoge Raad, dient het begrip gewone verblijfplaats bovendien een eenvormige betekenis te hebben. Volgens diezelfde rechtspraak stemt de gewone verblijfplaats van het kind overeen met de plaats die een zekere integratie in een sociale en familieomgeving tot uitdrukking brengt. Die plaats moet door de nationale instantie worden bepaald met inachtneming van de feitelijke omstandigheden die eigen zijn aan elk zaak (zie onder meer de arresten 2 april 2009, A, C-523/07, ECLI:NL:EU:C:2009:225, punten 42 en 44; 22 december 2010, Mercredi, C-497-10 PPU, ECLI:EU:C:2010:289, punten 47; 8 juni 2017, OL v. PQ, C-111/47, PPU, ECLI:EU: C:2017:436, punt 42).
Het begrip moet aldus worden uitgelegd dat deze verblijfplaats de plaats is die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Daartoe moet onder meer rekening worden gehouden met de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf waaronder het naar school gaan, de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind in die staat (zie arrest 2 april 2009, A, C-523/07, ECLI:NL:EU:C:2009:225).
Naar het oordeel van de rechtbank had [minderjarige] , op het tijdstip waarop het inleidende verzoekschrift bij de rechtbank werd ingediend, te weten 7 juni 2026, haar gewone verblijfplaats in Nederland. Op basis van de ingediende stukken en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gekomen, leidt de rechtbank af dat de vrouw en [minderjarige] medio juni 2023 bij de moeder van de vrouw in [plaats 1] zijn gaan wonen en later in [plaats 2] ; dit wordt ook bevestigd door de BRP-uittreksel van de vrouw en [minderjarige] . Zij hebben in de periode van juni 2023 tot 8 juni 2026 niet in België gewoond. Door de vrouw is ook aangegeven dat haar band met haar moeder heel sterk is en dat hun netwerk vooral in Nederland is. Doordat de vrouw en [minderjarige] op 31 mei 2026 zijn uitgeschreven uit het BRP in verband met een emigratie en op 8 juni 2026 ingeschreven op het huidige adres in [woonplaats 2] (België), is hierin geen verandering gekomen. Tijdens de zitting is gebleken dat de man geen toestemming heeft gegeven voor de verhuizing van de vrouw met [minderjarige] naar België. De vrouw heeft gesteld dat zij er niet van op de hoogte was dat zij toestemming nodig zou hebben van de man om zich met [minderjarige] in België te vestigen.
Om te bepalen of welke grondslag de rechtbank internationaal bevoegd is, dient te worden vastgesteld of er sprake is van een ongeoorloofde overbrenging nu de vrouw met [minderjarige] naar België is vetrokken. Dit betekent dat de rechtbank eerst moet vaststellen of de man van rechtswege met het gezag is belast. Als de man met het gezag is belast dan dient hij toestemming te verlenen voor het vertrek van [minderjarige] naar België.
Van rechtswege gezagsverhouding
Het toepasselijke recht op het van rechtswege verkregen gezag dient te worden beoordeeld aan de hand van het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, Trb. 1997, 299, oftewel het Haag Kinderbeschermingsverdrag 1996 (hierna: HKBV 1996).
Artikel 16 lid 1 HKBV 1996 bepaalt dat het van rechtswege ontstaan of tenietgaan van ouderlijke verantwoordelijkheid (oftewel: gezag), zonder tussenkomst van een rechterlijke of administratieve autoriteit, wordt beheerst door het recht van de Staat van de gewone verblijfplaats van het kind.
Uit de stukken blijkt dat de man [minderjarige] voor haar geboorte heeft erkend. [minderjarige] is geboren op [geboortedag] 2023 in een ziekenhuis in [geboorteplaats] in Nederland. Omdat [minderjarige] haar gewone verblijfplaats na haar geboorte in Nederland was, moet de vraag of de man van rechtswege is belast met het gezag over [minderjarige] beoordeeld worden naar Nederlands recht. Op grond van artikel 1:251b van het Burgerlijk Wetboek zijn partijen van rechtswege belast met het gezag over [minderjarige] vanaf het moment dat [minderjarige] is geboren.
Ongeoorloofde overbrenging?
De rechtbank stelt voorts vast dat niet in geschil is dat de vrouw de man geen toestemming heeft gevraagd om met [minderjarige] naar België te verhuizen. Er is dan ook sprake van een ongeoorloofde overbrenging van [minderjarige] door de vrouw aangezien deze toestemming van de man is vereist omdat er sprake is van gezamenlijk gezag. De vrouw is op 8 juni 2026 in België ingeschreven.
Het uitgangspunt van artikel 9 Brussel II-ter Verordening is dat de rechter van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats had direct voorafgaand aan de ongeoorloofde overbrenging, bevoegd blijft om te beslissen over zaken omtrent de ouderlijke verantwoordelijkheid. De ongeoorloofde overbrenging van het kind brengt dan ook in beginsel geen wijziging in deze internationale bevoegdheid mee. Het tweede gedeelte van artikel 9 bepaalt echter de omstandigheden waaronder de bevoegdheid van de rechter van de lidstaat van de gewone verblijfplaats van het kind eindigt en overgaat naar de rechter van de lidstaat waar het kind naartoe ongeoorloofd is overgebracht. Van deze omstandigheden is in deze zaak niet gebleken.
Het voorgaande betekent dat op grond van artikel 9 Brussel II-ter Verordening de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is gebleven na de ongeoorloofde overbrenging van [minderjarige] naar België en de Nederlandse rechter dan ook bevoegd is om kennis te nemen van de door de man ingediende verzoeken in de genoemde zaaknummers.
Relatieve bevoegdheid
Op grond van artikel 265 Rv. is de rechter van de woonplaats van de minderjarige of, bij gebreke van een woonplaats in Nederland, van het werkelijk verblijf van de minderjarige, bevoegd om van het onderhavige verzoek kennis te nemen. De vrouw en [minderjarige] hebben geen woonplaats (meer) in Nederland, maar op het moment van indiening van de verzoeken kan worden vastgesteld dat het werkelijk verblijf van de vrouw en [minderjarige] was op het adres van de moeder van de vrouw in [plaats 2] . Dat betekent dat deze rechtbank bevoegd is kennis te nemen van de verzoeken van de man.
Gelet op het voorgaande zal deze rechtbank de verzoeken van de man verder in behandeling gaan nemen. Aan de advocaten van beiden partijen wordt verzocht om vóór de hierna te melden pro forma datum hun verhinderdata over de maanden september, oktober en november in te dienen zodat de rechtbank een mondelinge behandeling kan gaan plannen voor de inhoudelijke behandeling. Dit tenzij partijen overeenstemming bereiken of in onderling overleg een traject ingaan ten behoeve van de invulling van hun ouderschap. De advocaten zijn dan in de gelegenheid om de rechtbank daarover schriftelijk te informeren.
Het voorgaande betekent dat wordt beslist als volgt.
5. De beslissing
De rechtbank
verklaart zich (zowel internationaal als relatief) bevoegd ten aanzien van de verzoeken van man;
houdt de behandeling van de zaken aan tot 11 augustus 2026 pro forma in afwachting van bericht van de advocaten van partijen zoals opgenomen in rechtsoverweging 4.18.
Deze beschikking is gegeven door Sumner, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026 in aanwezigheid van Boink, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.