RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/450461 / JE RK 26-1285
Datum uitspraak: 17 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een wijziging verblijfplaats in machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), gevestigd te Amsterdam,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2019 in [geboorteplaats] (België),
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het schriftelijke verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 17 juli 2026.
2. De feiten
De vader is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . De moeder van [minderjarige] , [de moeder] , is op [datum] 2025 overleden.
Bij beschikking van 2 juli 2026 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 2 juli 2026 en tot 16 juli 2026 zonder voorafgaand verhoor van belanghebbenden, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
Bij beschikking van 7 juli 2026 is een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 7 juli 2026 en tot 16 juli 2026 zonder voorafgaand verhoor van belanghebbenden, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
Bij beschikking van 13 juli 2026 is de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 16 juli 2026 en tot 2 oktober 2026. Tevens is bij deze beschikking de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd met ingang van 16 juli 2026 en tot 2 oktober 2026.
Op grond van voornoemde machtiging verblijft [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
3. Het verzoek
De GI verzoekt een machtiging te verlenen om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een pleeggezin voor de duur van vier weken en deze beschikking onverwijld af te geven zonder voorafgaand verhoor van belanghebbenden. Daarnaast verzoekt de GI aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin te verlenen voor de duur van drie maanden. De GI verzoekt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De beoordeling
De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. Bij beschikking van 13 juli 2026 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 2 oktober 2026. Op basis van deze machtiging verblijft [minderjarige] op een crisisplek waar hij maximaal twee weken kan verblijven. Er is inmiddels een vervolgplek voor [minderjarige] gevonden in een pleeggezin, waar hij per direct kan worden geplaatst. De gedragsdeskundige van de crisisgroep waar [minderjarige] momenteel verblijft is van mening dat een plaatsing in een pleeggezin het meest passend is voor [minderjarige] en de GI is voornemens om [minderjarige] op 21 juli 2026 kennis te laten maken in het pleeggezin en hem vervolgens op 22 juli 2026 te plaatsen in het pleeggezin. De GI acht het daarbij in het belang van [minderjarige] dat hij op korte termijn kennis mag maken in het pleeggezin en overgeplaatst wordt, aangezien hij behoefte heeft aan duidelijkheid en een plek waar hem perspectief kan worden geboden.
Op basis van deze informatie is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de opvoeding en verzorging van [minderjarige] dat [minderjarige] uit huis blijft geplaatst. [minderjarige] kan niet langer in de accommodatie van de jeugdhulpaanbieder verblijven en een machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin is noodzakelijk om de plaatsing in het pleeggezin te formaliseren.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige] . Nu de plaatsing in de accommodatie van de jeugdhulpaanbieder niet kan worden voortgezet, dient [minderjarige] met spoed in het pleeggezin te worden geplaatst. Daarom machtigt de kinderrechter de GI om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een pleeggezin voor de duur van twee weken.
Een verdere beslissing op het verzoek zal de kinderrechter pas nemen nadat het verzoek mondeling is behandeld. Deze mondelinge behandeling zal plaatsvinden op [zittingsdatum] 2026 om [uur]. De kinderrechter vindt het belangrijk dat er op dat moment met de vader en de GI zal worden gesproken.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5. De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin met ingang van 17 juli 2026 en tot 31 juli 2026;
verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;
roept de GI en de vader op voor de zitting van mr. de Beer op [zittingsdatum] 2026 om [uur] in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, aan Kousteensedijk 2 in Middelburg;
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting.
Deze beslissing is gegeven door mr. De Beer, kinderrechter, op 17 juli 2026 en in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier op schrift gesteld op 20 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.