[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. J.W. Vugts verbonden aan Kosteloosbezwaar.nl),
en
de heffingsambtenaar van SaBeWa (gemeente Goes), de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 8 oktober 2024.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 25 februari 2025 de waarde van de onroerende zaak [adres] te [woonplaats] (de woning) op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) vastgesteld.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft namens de heffingsambtenaar deelgenomen mr. B. de Smit. De gemachtigde van belanghebbende heeft zich afgemeld voor de zitting.
Feiten
2. De heffingsambtenaar heeft aan de belanghebbende op 25 februari 2023 de WOZ-beschikking voor de woning aan de [adres] te [woonplaats] voor het belastingjaar 2023 opgelegd. Belanghebbende is eigenaar van de woning.
Op 6 april 2023 is door gemachtigde van belanghebbende bezwaar ingediend tegen de WOZ-beschikking op 14 november 2023 is vervolgens aanvullend bezwaar ingediend.
Op 12 februari 2024 is door gemachtigde van belanghebbende een ingebrekestelling aan de heffingsambtenaar verstuurd wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift. De ingebrekestelling is op 16 februari 2024 door de heffingsambtenaar ontvangen.
De rechtbank heeft het beroepschrift ontvangen op 9 september 2024.
Op 8 oktober 2024 heeft de heffingsambtenaar uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard en de dwangsom toegekend.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van belanghebbende tegen de WOZ-beschikking ontvankelijk is en of belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding in beroep. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
Niet tijdig beslissen
Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
De rechtbank stelt vast dat de uitspraak op bezwaar op 8 oktober 2024 is gedaan en aan belanghebbende is toegezonden. De heffingsambtenaar heeft de beslistermijn overschreden en heeft daarom een dwangsom aan belanghebbende toegekend. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende geen belang meer heeft bij een uitspraak op het beroep tegen het niet tijdig beslissen, omdat in de beroepsfase alsnog een uitspraak op bezwaar is gedaan. Het beroep, voor zover het ziet op het niet tijdig beslissen op het bezwaar, is daarom niet-ontvankelijk.
Nu de heffingsambtenaar uitspraak op bezwaar heeft gedaan, heeft het beroep tegen het niet tijdig beslissen van rechtswege mede betrekking op het alsnog genomen besluit.
Procesbelang
De heffingsambtenaar stelt dat belanghebbende geen procesbelang meer heeft bij deze procedure en daarom niet-ontvankelijk is, aangezien inmiddels uitspraak op bezwaar is gedaan en een dwangsombesluit is genomen. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het starten van de beroepsprocedure noodzakelijk was om de dwangsom toegekend te krijgen, zodat recht bestaat op een proceskostenvergoeding in beroep en er daarom een procesbelang is bij deze procedure.
De rechtbank overweegt als volgt. Op basis van vaste rechtspraak ontbreekt een procesbelang als het gebruiken van een rechtsmiddel een partij niet in een gunstigere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende rechterlijke beslissingen. De rechtbank constateert dat belanghebbende het beroep heeft ingediend voordat de heffingsambtenaar uitspraak op bezwaar heeft gedaan en het dwangsombesluit heeft genomen, zodat het beroep niet onredelijk is ingesteld en hij daarom recht heeft op een proceskostenvergoeding. Aangezien hiermee belanghebbende in een betere positie kan worden gebracht, en er overigens aan de ontvankelijkheidsvereisten is voldaan, heeft belanghebbende procesbelang bij deze procedure en is het beroep daarom ontvankelijk.
De rechtbank constateert dat belanghebbende geen zelfstandige beroepsgronden tegen de uitspraak op bezwaar heeft ingediend, zodat de inhoud hiervan niet in geschil is. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar is naar het oordeel van de rechtbank daarom ongegrond.
Kostenvergoeding bezwaar
Belanghebbende verzoekt om verhoging van de kostenvergoeding in bezwaar gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 12 juli 2024. De rechtbank gaat aan deze stelling van belanghebbende voorbij. Het bezwaar is namelijk op 8 oktober 2024 ongegrond verklaard en er is toen geen proceskostenvergoeding toegekend. Thans bestaat ook geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase, omdat het ontbreken van de dwangsombeschikking onderdeel is van de beroepsprocedure. De WOZ-beschikking en de aanslag OZB worden bovendien niet herroepen wegens aan de heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid.
Kostenvergoeding beroep
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het starten van de beroepsprocedure nodig was om de dwangsom toegekend te krijgen en dat hij daarom recht heeft op proceskostenvergoeding in de beroepsfase. Bovendien moet bij de vaststelling van de hoogte van de proceskostenvergoeding artikel 30a van de Wet WOZ buiten toepassing worden gelaten vanwege strijd met het recht. De heffingsambtenaar heeft niet inhoudelijk gereageerd op dit standpunt.
De rechtbank overweegt dat belanghebbende het beroep niet ten onrechte heeft ingesteld, aangezien de uitspraak op bezwaar en het dwangsombesluit pas zijn genomen nadat het beroep was ingesteld. Daarom moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende een vergoeding voor zijn proceskosten in beroep. De stelling van belanghebbende over het buiten toepassing laten van artikel 30a van de Wet WOZ bij de vaststelling van de hoogte van de proceskostenvergoeding, volgt de rechtbank niet en verwijst daarbij naar de arresten van de Hoge Raad van 17 januari 2025 en 31 januari 2025. De proceskostenvergoeding bedraagt € 46,70 omdat de gemachtigde van belanghebbende een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Dit bedrag is het resultaat van de toekenning van 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en een wegingsfactor 0,5 en vermenigvuldigingsfactor 0,1. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Betaling proceskosten
De gemachtigde van belanghebbende heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat de betaling van vergoedingen rechtstreeks aan de gemachtigde dient plaatst te vinden, omdat de nieuwe wetgeving zoals opgenomen in artikel 30a van de Wet WOZ volgens hem in strijd is met het recht.
De belastingrechter is echter niet bevoegd een oordeel te geven over de vraag of een bedrag aan proceskostenvergoeding moet worden overgemaakt naar de rekening van een ander dan de belanghebbende. Uitsluitend de burgerlijke rechter is bevoegd te oordelen in een geschil over een dergelijke vraag.
Schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn
Belanghebbende heeft op 9 september 2024 verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank overweegt dat in dit geval de redelijke termijn van twee jaar is aangevangen met de ontvangst van het bezwaarschrift door de heffingsambtenaar op 6 april 2023. Deze periode is ten einde gekomen op 8 oktober 2024 met de ongegrondverklaring van het bezwaar en handhaving van de WOZ-beschikking en de aanslag OZB. Daarmee is namelijk een einde gekomen aan het geschil inzake de belastingheffing. Dat daarna nog een beroepsprocedure is gevoerd over de dwangsom en proceskosten maakt dit niet anders. Dit betekent dat de redelijke termijn van twee jaar niet is overschreden. Belanghebbende heeft geen recht op vergoeding van immateriële schade.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar is ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
Omdat het beroep niet onredelijk is ingesteld, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten in beroep. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding in bezwaar.
De vergoeding van proceskosten en griffierecht moet rechtstreeks aan belanghebbende zelf worden betaald.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond;
- wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot een vergoeding voor de kosten in beroep aan belanghebbende van € 46,70.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J.C.J. Wesel - de Jongh, griffier.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.