[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. J.W. Vugts verbonden aan Kosteloosbezwaar.nl),
en
de heffingsambtenaar van SaBeWa (gemeente Goes), de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 2 mei 2024.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 25 februari 2023 de waarden van de onroerende zaken [adres 1] en [adres 2] , beiden te [woonplaats] , op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) vastgesteld.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft namens de heffingsambtenaar deelgenomen mr. B. de Smit. De gemachtigde van belanghebbende heeft zich afgemeld voor de zitting.
Feiten
2. De heffingsambtenaar heeft aan de belanghebbende op 25 februari 2023 de WOZ-beschikkingen voor de woning aan de [adres 1] te [woonplaats] en de woning aan de [adres 2] te [woonplaats] voor het belastingjaar 2023 opgelegd. Belanghebbende is eigenaar van de woningen.
Op 31 maart 2023 is door gemachtigde van belanghebbende bezwaar ingediend tegen de WOZ-beschikkingen.
Op 2 mei 2024 heeft de heffingsambtenaar uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroepschrift ontvangen op 13 juni 2024.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of het hoorrecht is geschonden, of artikel 40 van de Wet WOZ is geschonden en of belanghebbende recht heeft op een dwangsom wegens niet tijdig beslissen op bezwaar. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
Vooraf: hoorrecht
Artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een bestuursorgaan een belanghebbende in de gelegenheid moet stellen te worden gehoord Artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalt dat in afwijking van artikel 7:2 van de Awb belanghebbende wordt gehoord op zijn verzoek.
De rechtbank constateert dat belanghebbende in het bezwaarschrift heeft verzocht om te worden gehoord indien het bezwaar niet geheel gegrond wordt verklaard. Uit de dossierstukken blijkt niet dat belanghebbende is uitgenodigd of in de gelegenheid is gesteld om gehoord te worden. De rechtbank is daarom van oordeel dat het hoorrecht van belanghebbende is geschonden.
Bij een schending van het hoorrecht moet de zaak als uitgangspunt worden teruggewezen naar de heffingsambtenaar, zodat hij belanghebbende alsnog kan horen. De rechtbank ziet daar in dit geval echter geen aanleiding voor. Belanghebbende heeft in de beroepsfase voldoende gelegenheid gehad om zijn standpunten naar voren te brengen, maar hij heeft geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. Belanghebbende is uitgenodigd voor de zitting, maar heeft er zelf voor gekozen om niet te verschijnen ter zitting en hij heeft zich hiervoor afgemeld. Belanghebbende is onder die omstandigheden niet (langer) benadeeld door het uitblijven van een hoorgesprek over het bezwaar en de rechtbank acht het dan ook weinig zinvol om de zaak terug te wijzen naar de heffingsambtenaar om belanghebbende alsnog te horen. De rechtbank zal daarom met toepassing van artikel 6:22 van de Awb de geconstateerde schending van het hoorrecht passeren en zelf in de zaak voorzien. De rechtbank ziet in deze gang van zaken aanleiding om de heffingsambtenaar te veroordelen in de vergoeding van de proceskosten in beroep van belanghebbende.
Artikel 40, tweede lid, Wet WOZ
Belanghebbende heeft aangevoerd dat de heffingsambtenaar tijdens de bezwaarprocedure ten onrechte niet de opgevraagde gegevens aan hem heeft toegezonden.
Op grond van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ moet aan degene die een voldoende specifiek verzoek doet tot het verstrekken van bepaalde gegevens die niet in het taxatieverslag zijn opgenomen, maar die wel ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde van de onroerende zaak, een afschrift van die gegevens worden verstrekt. Deze gegevens kunnen ook betrekking hebben op de voor de waardevaststelling gebruikte vergelijkingsobjecten.
De rechtbank stelt vast dat belanghebbende in zijn bezwaarschrift heeft verzocht om taxatieverslagen, een waardeberekening van alle mogelijke onderdelen genoemd in het taxatieverslag en de taxatiematrixen. Vast staat dat deze gegevens ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde van de woning. De heffingsambtenaar was daarom op grond van artikel 40 van de Wet WOZ gehouden te voldoen aan het verzoek van belanghebbende om hem een afschrift van die gegevens te verstrekken. Vervolgens stelt de rechtbank vast dat volgens de uitspraak op bezwaar de heffingsambtenaar in de bezwaarfase op 2 december 2023 de gevraagde gegevens per mail aan belanghebbende zou hebben verstrekt. Belanghebbende betwist dit. Uit de dossierstukken is op geen enkele wijze gebleken dat de gevraagde gegevens op de juiste wijze aan belanghebbende zijn toegezonden. De heffingsambtenaar heeft daarom niet aan zijn verplichting van artikel 40 van de Wet WOZ voldaan.
Schending van artikel 40 van de Wet WOZ leidt op zichzelf niet direct tot een vernietiging van de uitspraak op bezwaar. In beroep heeft de heffingsambtenaar de schending hersteld door de taxatierapporten met matrices in te dienen. Belanghebbende is daarom niet langer benadeeld door het achterwege blijven van de informatieverstrekking in de bezwaarfase. De rechtbank passeert ook deze schending van artikel 40 van de Wet WOZ met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dwangsom
Belanghebbende voert aan dat op 26 januari 2024 een ingebrekestelling naar de heffingsambtenaar is verzonden wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift. De uitspraak op bezwaar is op 2 mei 2024 ontvangen door belanghebbende en volgens belanghebbende is hierin ten onrechte geen dwangsombesluit genomen. Belanghebbende stelt dat de heffingsambtenaar een dwangsom ter hoogte van € 1.442 (14 keer € 23, 14 keer € 35 en 14 keer € 45) dient te betalen, omdat de uitspraak op bezwaar 80 dagen na het versturen van de ingebrekestelling is ontvangen. De heffingsambtenaar heeft ter zitting verklaard dat door de heffingsambtenaar geen ingebrekestelling is ontvangen en dat belanghebbende deze niet heeft overgelegd, zodat er geen recht op een dwangsom bestaat.
De rechtbank constateert dat tot de dossierstukken geen ingebrekestelling of verzendinformatie daarvan behoort. De enkele verwijzing in het (aanvullend) beroepschrift naar een ingebrekestelling is onvoldoende om aan te nemen dat de ingebrekestelling op de juiste wijze aan de heffingsambtenaar is toegezonden. Belanghebbende heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat de ingebrekestelling is verzonden, zodat om die reden geen recht bestaat op een dwangsom.
Schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn
Belanghebbende heeft op 21 oktober 2024 verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg bedraagt een periode van twee jaar, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift. De heffingsambtenaar heeft het bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 31 maart 2023. De rechtbank doet uitspraak op 18 augustus 2026, waarmee de redelijke termijn is overschreden met afgerond 16,5 maanden.
Op grond van rechtspraak van de Hoge Raad wordt, in belastingzaken waarin de redelijke termijn voor berechting is overschreden - behoudens bijzondere omstandigheden - verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. Een bijzondere omstandigheid is het geval dat het financiële belang van belanghebbende bij de procedure lager dan € 1.000 is en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden. In zo’n geval wordt aangenomen dat de lange duur van de procedure niet of nauwelijks tot spanning en frustratie bij de belanghebbende heeft geleid. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat het financiële belang bij deze procedure hoger is dan € 1.000, maar de redelijke termijn is wel overschreden met meer dan 12 maanden. De rechtbank oordeelt daarom naar bevind van zaken. De rechtbank ziet geen aanleiding tot het toekennen van vergoeding van immateriële schade, maar volstaat met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
Omdat sprake is van gebreken en artikel 6:22 van de Awb is toegepast, moet de heffingsambtenaar het griffierecht en de proceskosten in beroep aan belanghebbende vergoeden.
Volgens belanghebbende moet bij de vaststelling van de hoogte van de proceskostenvergoeding artikel 30a van de Wet WOZ buiten toepassing worden gelaten vanwege strijd met het recht. De rechtbank volgt deze stelling niet en verwijst daarbij naar de arresten van de Hoge Raad van 17 januari 2025 en 31 januari 2025. De proceskostenvergoeding wordt daarom met toepassing van artikel 30a van de Wet WOZ vastgesteld. De proceskostenvergoeding in de beroepsfase bedraagt dan in totaal € 46,70. Dit bedrag is het resultaat van de toekenning van 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934, een wegingsfactor 0,5 en vermenigvuldigingsfactor 0,1.
De vergoeding van proceskosten en griffierecht moet rechtstreeks aan belanghebbende zelf worden betaald.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot een vergoeding voor de kosten in beroep aan belanghebbende van € 46,70.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J.C.J. Wesel - de Jongh, griffier.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.