2. De feiten
Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- zij zijn op [datum] 2012 in [plaats] , Dominicaanse Republiek, met elkaar gehuwd;
- uit hun huwelijk is het volgende, nu nog minderjarige kind geboren:
[minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] , Dominicaanse Republiek, op [geboortedag] 2014 (hierna: [minderjarige] );
- zij hebben geen overeenstemming kunnen bereiken over een ouderschapsplan;
- de man bezit de Dominicaanse nationaliteit en de vrouw bezit de Nederlandse nationaliteit;
- hun huwelijk is duurzaam ontwricht.
3. De verzoeken
De man verzoekt, samengevat,
- echtscheiding;
- bepaling dat de minderjarige zijn hoofdverblijf zal hebben bij de vrouw;
- vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling);
- vaststelling van een door de vrouw aan hem te betalen onderhoudsbijdrage van € 212,= per maand.
De vrouw verzoekt, samengevat,
- echtscheiding;
- bepaling dat de minderjarige zijn hoofdverblijf zal hebben bij haar;
- vaststelling van de inhoud van het ouderschapsplan, zoals nog door partijen gezamenlijk aan de rechtbank over te leggen.
4. De beoordeling
Echtscheiding
Omdat partijen beiden hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 onder i van de Brussel II-ter Verordening bevoegd te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.
Op grond van artikel 10:56 Burgerlijk Wetboek (BW) is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.
Op grond van artikel 815 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, moet een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten met afspraken over de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Het ouderschapsplan is in de wet geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding. De rechtbank heeft daarom de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv).
Partijen hebben (nog) geen ouderschapsplan overgelegd. Zij hebben voldoende gemotiveerd dat het voor hen op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beiden akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen. De rechtbank ontvangt partijen dan ook in hun verzoeken tot echtscheiding.
Partijen zijn het erover eens dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. De rechtbank zal het door ieder van partijen gedane verzoek tot echtscheiding daarom als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen.
De vrouw heeft tijdens de zitting verzocht de beslissing op haar verzoek tot vaststelling van de inhoud van het nog door partijen gezamenlijk aan de rechtbank over te leggen ouderschapsplan, aan te houden. De vrouw ziet mogelijkheden tot een gezamenlijk gedragen ouderschapsplan te komen in het kader van de nog op te starten hulpverlening tussen partijen (op ouderniveau). De rechtbank moedigt partijen aan om onder begeleiding van hulpverlening toe te werken naar gezamenlijke afspraken over de invulling van het ouderschap. Om die reden zal de rechtbank het verzoek tot opneming van een door partijen ondertekend ouderschapsplan aanhouden tot na te melden datum.
Hoofdverblijf
Omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op de verzoeken tot vaststelling van zijn hoofdverblijfplaats en tot vaststelling van een zorgregeling.
De man verzoekt te bepalen dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw zal zijn. De vrouw heeft een gelijkluidend zelfstandig verzoek ingediend. De rechtbank zal conform die verzoeken beslissen. Deze beslissing wordt in het belang van de [minderjarige] geacht.
Zorgregeling
De man verzoekt een zorgregeling vast te stellen, waarbij hij contact heeft met [minderjarige] :
op alle zondagen van 11.00 tot 19.00 uur, behalve op de derde zondag van de maand indien en zolang [minderjarige] naar de zorgboerderij gaat;
op de maandag van 11.00 tot 19.00 uur, indien en zolang [minderjarige] nog niet naar school gaat;
op de dinsdag na school tot 19.00 uur; en
tijdens een deel van de vakanties en feestdagen, nader te bepalen in onderling overleg.
De man legt samengevat het volgende aan zijn verzoek ten grondslag. Na het uiteengaan van partijen is het contact tussen de man en [minderjarige] in eerste instantie beperkt gebleven tot iedere dinsdag uit school tot 19.00 uur. In mei 2025 heeft de vrouw die beperkte zorgregeling stopgezet vanwege een vermeend incident dat zou hebben plaatsgevonden tijdens het laatste contactmoment op 29 april 2025. De man betwist het door de vrouw gestelde voorval. Van 29 april tot [geboortedag] 2025 heeft de man [minderjarige] niet meer gezien. Op [geboortedag] 2025, de verjaardag van [minderjarige] , heeft de man voor het laatst contact gehad met [minderjarige] . Zij zijn samen naar het centrum van [woonplaats] geweest om een verjaardagscadeau te kopen. Daarna is er geen contact meer geweest. De man wil dat het contact met [minderjarige] zo snel mogelijk wordt hersteld en wijst erop dat er geen contra-indicaties zijn voor een regulier en onbegeleid contact. De man sluit niet uit dat [minderjarige] last ondervindt van de moeizame relatie tussen zijn ouders en loyaliteitsproblemen heeft. [minderjarige] heeft een ontwikkelingsachterstand Hulpverlening is al geruime tijd bij partijen en [minderjarige] betrokken en de man werkt daaraan mee, maar er wordt op het gebied van contactherstel geen vooruitgang geboekt. De hulpverlening voor ouders komt niet van de grond. Een raadsonderzoek kan aangewezen zijn, onder meer gelet op het trage verloop van de hulpverlening tot nu toe.
De vrouw voert verweer. Er is sprake van een complexe situatie. [hulpverlening] is al lange tijd betrokken vanwege de ontwikkelingsachterstand van [minderjarige] . [zorginstelling] heeft onderzoek gedaan naar zijn problematiek. [hulpverlening] heeft ouders in augustus 2025 ook aangemeld voor hulp in het kader van complexe scheidingen bij Crossroads. [minderjarige] zit nu op de school ‘ [school] ’. Ook gaat hij naar de zorgboerderij en naar de AMO. Wat betreft het voorval op 29 april 2025 zag de vrouw na het omgangsmoment een blauwe plek op de arm van [minderjarige] . Zij heeft toen Veilig Thuis ingeschakeld. [minderjarige] liet grote weerstand zien om nog contact met zijn vader te hebben. Het contact via videobellen ging moeizaam en is eind 2025 gestopt.
Volgens de vrouw neemt de man de problematiek van [minderjarige] onvoldoende serieus. Zij staat open voor alle aangeboden hulpverlening. Beide ouders hebben opvoedondersteuning nodig. Zij verzoekt een beslissing over de zorgregeling aan te houden in afwachting van de uitkomst van de onderzoeken en de door Crossroads naar verwachting per 1 juli 2026 in te zetten hulpverlening voor ouders. Indien een raadsonderzoek noodzakelijk is, stemt de vrouw daarmee in.
De raadsvertegenwoordiger heeft tijdens de zitting benoemd dat de Raad oog heeft voor de zware taak voor de vrouw gelet op de zorgvraag van [minderjarige] . Het beperkte contact tussen de man en [minderjarige] tot mei 2025, maakt echter dat het voor de man lastig is om te kunnen aansluiten bij het leven van [minderjarige] . Het zou juist helpend voor de vrouw kunnen zijn als de man een grotere rol in de zorg voor [minderjarige] zou spelen, zodat zij daaraan steun zou kunnen hebben. Het voorval in april 2025 is voor de Raad geen contra-indicatie voor contact tussen de man en [minderjarige] . De Raad krijgt op basis van het dossier en de zitting de indruk dat [minderjarige] zich niet vrij voelt om contact met zijn vader te hebben; hij krijgt daarvoor geen goedkeuring van zijn moeder. De Raad wijst erop dat het bij het leven van een kind hoort om soms iets te moeten doen waar het geen zin in heeft. Dat [minderjarige] spanning ondervindt om naar zijn vader te gaan, nadat er maanden geen contact is geweest, is begrijpelijk, maar het is aan de vrouw om hem dan op gepaste wijze gerust te stellen. De Raad adviseert om direct tot hervatting van het contact tussen [minderjarige] en de man over te gaan. Hij stelt voor te beginnen met een dagdeel per week, op zondag op openbaar terrein. Daarnaast vindt de Raad een raadsonderzoek nodig, omdat partijen al te lang in de hulpverlening zitten en niet duidelijk is waarom daarin niet is doorgepakt en er niet al tot contactherstel is gekomen. De Raad zal in dat kader ook onderzoeken of een beschermingsmaatregel nodig is. Het is echter belangrijk dat partijen zo snel mogelijk starten met de hulpverlening bij Crossroads en dat zij en Crossroads niet wachten op de uitkomst van het raadsonderzoek.
Naar aanleiding van het advies van de Raad over het contactherstel waarop partijen hebben kunnen reageren, heeft de rechtbank de zitting onderbroken om partijen de gelegenheid te geven overleg te voeren.
Na hervatting van de zitting hebben partijen laten weten dat zij tot overeenstemming zijn gekomen over een voorlopige zorgregeling, geldend totdat partijen een andere zorgregeling overeenkomen of totdat de rechtbank een nadere beslissing zal nemen.
Partijen hebben de volgende, voorlopige regeling afgesproken. De man en [minderjarige] hebben contact met elkaar elke tweede en vierde zondag van de maand, van 10.00 uur tot 13.30 uur.
De vrouw zorgt ervoor dat [minderjarige] om 10.00 uur met zijn fiets bij ‘ [restaurant] ’ in [woonplaats] is. De man en [minderjarige] kunnen daar blijven of samen ergens anders naartoe gaan. Om 13.30 uur zijn zij in ieder geval weer terug bij ‘ [restaurant] ’ waar de vrouw [minderjarige] ophaalt. Deze regeling gaat in op zondag 31 mei 2026.
Vanaf 26 juli 2026 zal het contact worden uitgebreid naar iedere zondag van de maand, met uitzondering van de derde zondag van de maand, waarbij de tijdstippen en de locatie hetzelfde blijven. Op de derde zondag van de maand gaat [minderjarige] naar de zorgboerderij.
De advocaten zullen de concrete data waarop de contacten van de man met [minderjarige] plaatsvinden naar partijen mailen, met als doel dat er tussen partijen geen verdere communicatie over de contactmomenten nodig is. Ook zullen de advocaten contact opnemen met Crossroads om duidelijk te maken dat de toegezegde hulpverlening ter verbetering van de oudercommunicatie zo snel mogelijk ingezet dient te worden.
In navolging van het standpunt van de Raad tijdens de zitting, dat partijen hebben onderschreven, ziet de rechtbank aanleiding om de Raad te verzoeken onderzoek te doen. De rechtbank acht een raadsonderzoek noodzakelijk omdat hulpverlening gericht op ouders, onder meer in verband met de tussen hen spelende echtscheidingsproblematiek, de afgelopen periode onvoldoende van de grond is gekomen. Daardoor is er op dit moment onvoldoende zicht op de (opvoed)situatie bij ieder van partijen en op de mogelijkheden en uitdagingen die er zijn. Het raadsonderzoek en het gemotiveerde raadsadvies moeten in ieder geval zien op de volgende concrete vragen van de rechtbank:
- welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen ouders (aard, duur en frequentie) is het meest in het belang van [minderjarige] ?
- is voor ouders en/of [minderjarige] nadere hulpverlening nodig? Zo ja, welke hulpverlening?
In afwachting van de rapportage van de Raad zal de rechtbank de behandeling van de zaak, in het bijzonder de definitieve beslissing op het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling, tot na te melden datum aanhouden.
Ingetrokken verzoek
De man heeft tijdens de zitting zijn verzoek tot vaststelling van een door de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage aan hem, ingetrokken. Gelet daarop hoeft de rechtbank dat verzoek niet meer te beoordelen, zodat zij dat zal afwijzen.
5. De beslissing
De rechtbank
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op [datum] 2012 in [plaats] , Dominicaanse Republiek, met elkaar gehuwd;
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] , Dominicaanse Republiek, op [geboortedag] 2014, zijn hoofdverblijf heeft bij de vrouw;
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man en genoemde minderjarige in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig – totdat door partijen anders is overeengekomen of door de rechtbank anders is beslist– gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar:
vanaf zondag 31 mei 2026: elke tweede en vierde zondag van de maand, van 10.00 uur tot 13.30 uur;
vanaf zondag 26 juli 2026: elke zondag van de maand, van 10.00 uur tot 13.30 uur, met uitzondering van de derde zondag van de maand;
bij alle contactmomenten brengt de vrouw [minderjarige] met fiets naar ‘ [restaurant] ’ in [woonplaats] en haalt zij hem daar weer op;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de onder 4.23. vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren, welk rapport uiterlijk twee weken vóór de hierna te noemen pro forma datum bij de rechtbank dient te worden ingediend, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de advocaten van partijen;
houdt de (definitieve) beslissing op de verzoeken tot vaststelling van een zorgregeling en tot vaststelling van de inhoud van het nog door partijen over te leggen ouderschapsplan, aan tot 30 maart 2027 (pro forma).
Deze beschikking is gegeven door mr. De Jong, en, in tegenwoordigheid van mr. Tillie, griffier, in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.