RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/1819 V
uitspraak van 22 juli 2026 van de enkelvoudige kamer op het verzet van
[opposanten] , uit [woonplaats] , opposanten,
(gemachtigde: mr. M. Akça-Altu),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 4 juni 2026, gewijzigd bij hersteluitspraak van
16 juli 2026, in het geding tussen
opposanten,
en
Dienst Toeslagen, verweerder
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van opposanten gaat over de uitspraak van de rechtbank van 4 juni 2026, hersteld op 16 juli 2026, waarin de rechtbank het beroep van opposanten gegrond heeft verklaard. Opposanten zijn het niet eens met de rechterlijke beslistermijn en de hoogte van de rechterlijke dwangsom in het dictum.
Opposanten hebben niet verzocht om op een zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft daarvoor ook geen aanleiding gezien, zodat een zitting achterwege is gebleven.
Beoordeling door de rechtbank van het verzet
2. De verzetrechter beoordeelt in deze uitspraak of in de uitspraak van 4 juni 2026, zoals die is gewijzigd bij hersteluitspraak van 16 juli 2026, terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep kennelijk gegrond is. Hij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet niet-ontvankelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De uitspraak van 4 juni 2026, zoals gewijzigd bij hersteluitspraak van 16 juli 2026
3. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep in de uitspraak van 4 juni 2026 kennelijk gegrond geacht. Met de hersteluitspraak van 16 juli 2026 heeft de rechtbank twee kennelijke verschrijvingen in het dictum (met betrekking tot de beslistermijn en de hoogte van de dwangsom) hersteld, zodat het dictum aansluit met de overwegingen in de uitspraak.
Niet in geschil is dat het beroep gegrond is. Omdat het verzet zich niet richt tegen het gegrond verklaren van het beroep, hoeft de rechtbank hierover geen oordeel te geven. Opposanten richten zich namelijk alleen tegen de nevendicta over de rechterlijke dwangsom en de rechterlijke beslistermijn.
De verzetrechter overweegt dat wat opposanten in verzet hebben aangevoerd, ziet op kennelijke verschrijvingen in de beslissing die zich voor eenvoudig herstel lenen. Met de hersteluitspraak van 16 juli 2026 zijn deze ook hersteld. De verzetrechter oordeelt dat met deze hersteluitspraak volledig tegemoet is gekomen aan het verzet van opposanten, zodat zij geen (proces)belang meer hebben bij een verdere beoordeling van het verzet. Het verzet wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard.
Conclusie en gevolgen
4. Het verzet is kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de uitspraak van 4 juni 2026, zoals die is hersteld op 16 juli 2026, in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van
I. Ambachtsheer, griffier, op 22 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.