ECLI:NL:RBZWB:2026:7888

ECLI:NL:RBZWB:2026:7888

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 18-08-2026
Datum publicatie 19-08-2026
Zaaknummer BRE 24/6846
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Einduitspraak na tussenuitspraak. Het college moest nader motiveren waarom handhaving op de geluidsnormen onevenredig is. Het betreft een incidentele overschrijding van de geluidsnormen van stemgeluid bij een zwembad op een recreatiepark op een voormalige beheerderswoning. Uiteindelijk komt de rechtbank tot het oordeel dat het college in dit geval handhaving onevenredig mocht achten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 augustus 2026 in de zaak tussen

[eisers] , uit [woonplaats] , eisers

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sluis.

Samenvatting

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 24/6846

(gemachtigde: mr. S.J.A. Rollé),

en

Als derde-partij neemt aan het geding deel [derde-partij] B.V. te [plaats]

(gemachtigde: mr. A.W.C. Fenijn).

1. Deze einduitspraak gaat over de poging van het college om een gebrek te herstellen in het besluit waarmee het handhavingsverzoek van eisers is afgewezen. Het college had in het besluit onvoldoende gemotiveerd waarom handhavend optreden tegen geringe overtredingen van de geluidsnorm onevenredig was. In deze einduitspraak oordeelt de rechtbank dat het college in zijn herstelpoging is geslaagd en dat de motivering om niet handhavend op te treden nu voldoende is. Hoewel het beroep gegrond is en het besluit van het college wordt vernietigd, blijven worden de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten.

Procesverloop

2. Voor het procesverloop tot aan de tussenuitspraak van 12 januari 2026 verwijst de rechtbank naar die tussenuitspraak.

In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, een motiveringsgebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Op 27 maart 2026 heeft het college verzocht om uitstel van de termijn tot 10 april 2026. Dit verzochte uitstel is toegekend. Op 17 april 2026 is het onderzoek gesloten. Op 22 april 2026 heeft de rechtbank een aanvullende motivering van het college ontvangen. De rechtbank heeft het onderzoek heropend door eisers en derde partij in de gelegenheid te stellen op de aanvullende motivering te reageren. Eisers hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

3. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.

In de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat niet in geschil is tussen partijen dat nog sprake is van diverse kleine overschrijdingen van het maximale geluidsniveau door kinderen die gillen als zij van de glijbaan van de zwembad van het vakantiepark glijden. Daarmee is sprake van overtredingen. Het college is daarom in beginsel verplicht handhavend op te treden. Het college heeft geweigerd handhavend op te treden omdat hij dat onevenredig acht. In het bestreden besluit was dit echter niet duidelijk gemotiveerd. Onduidelijk was welke maatregelen moeten worden genomen om aan de geluidsnormen te kunnen voldoen en welke kosten dit met zich meebrengt. De vraag waarom van de benodigde maatregelen moet worden afgezien in verhouding tot de met handhaving te dienen doelen was daarmee onvoldoende gemotiveerd beantwoord.

Het college heeft in de aanvullende motivering kostenramingen opgegeven van verschillende wijzen om de overschrijding van de geluidsnormen weg te nemen. Het gaat daarbij om het isoleren van de glijbanen, het planten van een groene geluidsbuffer en/of het plaatsen van een geluidsscherm. De kosten van deze drie opties zijn geraamd op respectievelijk ongeveer € 630.000,-, € 160.000,- en (maximaal) € 60.000,-. Het college geeft aan dat het planten van een groene geluidsbuffer of het plaatsen van een geluidsscherm geen garantie geven op dat er geen sprake meer zal zijn van overschrijding van de geluidsnorm of dat geluidshinder volledig kan worden voorkomen. Het isoleren van de glijbaan is gelet op de kosten, de omvangrijke werkzaamheden en het aanzicht van het zwemparadijs zeer onredelijk.

De overschrijding van de geluidsnormen is minimaal. De overlast die eisers ondervinden komt niet alleen van de overschrijdingen als gevolg van gillende personen in de glijbanen, maar ook van andere geluidsbronnen. Voor het menselijk oor is het, gelet op de geringe overschrijdingen, niet waar te nemen welk gillen wel en welk gillen niet over de norm heen gaat. Het woon- en leefklimaat zal dus nauwelijks verbeteren door het treffen van de maatregelen als niet langer boven de norm maar op of net onder de norm geluid wordt geproduceerd. Daar komt nog bij dat eisers zelf ervoor hebben gekozen nabij een recreatiepark te wonen en dat daarbij enige overlast is te verwachten. Er is daardoor minder snel sprake van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat.

Als reactie hebben eisers aangegeven dat er sprake is van structurele geluidsoverlast. Daarnaast is de bedrijfsduurcorrectie is ten onrechte toegepast. Dat mag alleen bij tijdelijke geluidsbronnen. Het college heeft nog steeds onvoldoende aangegeven waarom handhaving onevenredig is. Feitelijk zijn alleen de kosten van de maatregelen genoemd. Niet is gekeken of deze kosten op derden verhaald kunnen worden en ook is niet meegewogen dat de WOZ-waarde van de woning van eisers met € 28.000,- is gedaald. Eisers wijzen erop dat zij al lang in de woning wonen en het zwembad en de overige bebouwing van het recreatiepark om hen heen zijn gebouwd.

4. De rechtbank overweegt ten eerste dat handhavend optreden alleen aan de orde kan zijn als er sprake is van overtreding van de geluidsnorm. Hoewel de rechtbank erkent dat eisers ook overlast kunnen ondervinden van harde geluiden die (net) onder de norm blijven, kan dat er niet toe leiden dat het college handhavend moet optreden. Daar staat tegenover dat als er een normoverschrijding is, het college in beginsel gehouden is handhavend op te treden. Dat is slechts anders als handhavend optreden in de specifieke situatie onevenredig is. Het college stelt dat handhavend optreden in dit specifieke geval onevenredig is en heeft met gebruikmaking van een bestuurlijke lus dit standpunt voorzien van een aanvullende motivering. De rechtbank zal hieronder toetsen of het college zich op dat standpunt mag stellen.

Hoewel de rechtbank het met eisers eens is dat de belangenafweging explicieter had gekund, is zij van oordeel dat het college alsnog voldoende heeft gemotiveerd waarom handhavend optreden in dit geval onevenredig is. Uit de door het college genoemde bedragen, die door eisers niet zijn bestreden en die de rechtbank niet onaannemelijk voorkomen, volgt reeds dat er zeer forse investeringen nodig zijn om de geringe overschrijdingen – gemeten in de drukste periode van het jaar – weg te nemen. Evenmin is bestreden het standpunt van het college dat het onzeker is dat, als de geringe overschrijdingen van de norm daarmee al worden voorkomen, sprake zal zijn van een hoorbare verlaging van het geluidsniveau, laat staan het niet langer bestaan van de overlast. Bij deze stand van zaken, kan de rechtbank het standpunt van het college volgen dat het treffen van kostbare maatregelen onevenredig is in verhouding tot het daarmee te dienen doel van het voorkomen van de (geringe) overschrijdingen. Voor zover eisers stellen dat het college mee had moeten wegen dat de WOZ-waarde van hun woning sterk is gedaald, ziet de rechtbank daar geen aanleiding voor. Uit de door eisers overgelegde WOZ-beschikking blijkt niet dat die daling het gevolg is van de geconstateerde overtredingen. Dat is ook niet anderszins onderbouwd.

De rechtbank gaat verder niet mee in de stelling van eisers dat de bedrijfsduurcorrectie ten onrechte is toegepast. Deze correctie is toegepast op het Tijdenergetisch gemiddeld geluidsniveau (LAeq, T) en niet op het maximale geluidsniveau (L-max). De overtredingen zijn juist geconstateerd bij het maximale geluidsniveau. Eisers hebben onvoldoende onderbouwd waarom de bedrijfsduurcorrectie niet mag worden toegepast bij het berekenen van het gemiddeld geluidsniveau. In artikel 2.18 van het Activiteitenbesluit milieubeheer is slechts vermeld dat een bedrijfsduurcorrectie niet wordt toegepast bij muziekgeluid. Daaruit valt af te leiden dat dit in andere gevallen wel mag.

Conclusie en gevolgen

5. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Omdat het college in zijn reactie op de tussenuitspraak het gebrek heeft hersteld door alsnog te motiveren dat handhavend optreden onevenredig is, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoeden.

Omdat het beroep gegrond is, krijgen eisers een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus met telkens een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.335,-.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt het college in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 2.335,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier, op 18 augustus 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.J. Schouw

Griffier

  • mr. drs. R.J. Wesel

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand