RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 augustus 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg, de heffingsambtenaar.
Samenvatting
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/3824
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
1. Deze uitspraak gaat over de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting, meer specifiek over de vraag of belanghebbende recht heeft op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat belanghebbende geen recht heeft op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase, omdat de noodzaak tot het maken van bezwaar aan de handelwijze van belanghebbende zelf te wijten is. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 26 juni 2025 het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard en daarbij de naheffingsaanslag parkeerbelasting vernietigd.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 5 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft namens de heffingsambtenaar [persoon] deelgenomen.
Namens belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niemand verschenen. De griffier heeft op 3 juli 2026 om 13.50 uur in het digitaal dossier van belanghebbende een bericht geplaatst waarbij (de gemachtigde van) belanghebbende is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Van de plaatsing van dit bericht is op dezelfde datum een notificatie aan (de gemachtigde van) belanghebbende verzonden naar het door (de gemachtigde) van belanghebbende voor dit doel opgegeven e-mailadres. Daarom neemt de rechtbank aan dat belanghebbende dit bericht op 3 juli 2026 heeft ontvangen. De rechtbank stelt daarmee vast dat belanghebbende correct en op de juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd.
Feiten
3. Op 20 mei 2025 omstreeks 11:20 uur stond de auto van belanghebbende, met kenteken [kenteken 1] (merk Ford Kuga), geparkeerd in de Goirlestraat te Tilburg. Tijdens een controle op deze datum en tijdstip is geconstateerd dat ter zake van dit parkeren geen parkeerbelasting is betaald.
De heffingsambtenaar heeft daarom aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 49,93, bestaande uit een bedrag aan belasting van € 1 en € 48,93 aan kosten van de naheffingsaanslag.
Belanghebbende heeft in de bezwaarfase gegevens overgelegd waaruit volgt dat hij een auto (merk Ford Kuga) met kenteken [kenteken 2] in de parkeerapp Easypark heeft aangemeld in verband met het voornoemd parkeren.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar geconcludeerd dat belanghebbende een onjuist kenteken in de parkeerapp heeft ingevoerd en dat belanghebbende wel de parkeerbelasting heeft betaald. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard en daarbij de naheffingsaanslag parkeerbelasting vernietigd. De heffingsambtenaar heeft niet beslist op het verzoek van belanghebbende om een kostenvergoeding.
De heffingsambtenaar heeft in de beroepsfase bij brief van 7 juli 2026 alsnog het verzoek om een kostenvergoeding afgewezen.
Beoordeling door de rechtbank
4. Bij de rechtbank ligt de vraag voor of belanghebbende recht heeft op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase.
De rechtbank stelt het volgende voorop: vast staat dat belanghebbende een fout heeft gemaakt bij het invoeren van het kenteken in de parkeerapp door namelijk het kenteken van zijn vorige auto (automatisch) in te voeren. Ook staat vast dat hij wel parkeerbelasting heeft betaald voor zijn geparkeerde auto. Belanghebbende heeft dan ook de verschuldigde parkeerbelasting voldaan. In dat geval is naheffing niet toegestaan, ook al heeft belanghebbende een onjuist kenteken ingevoerd. Aangezien belanghebbende de verschuldigde parkeerbelasting heeft betaald brengt toepassing van artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen namelijk met zich dat naheffing niet mogelijk is. Daaraan doet niet af dat belanghebbende niet op de juiste wijze aangifte heeft gedaan, doordat hij een ander kenteken heeft vermeld dan het kenteken van de geparkeerde auto.
Bij een gegrond bezwaar heeft belanghebbende in beginsel recht op een kostenvergoeding. Hiervan mag worden afgeweken indien er geen sprake is van een aan de heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid dan wel als de noodzaak tot het maken van bezwaar uitsluitend uit de handelwijze van belanghebbende voortvloeide.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende geen recht heeft op een kostenvergoeding. Ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag kon de heffingsambtenaar niet weten dat belanghebbende de parkeerbelasting wel had betaald, zij het met vermelding van het onjuiste kenteken. De naheffing was dus feitelijk onrechtmatig. Dat de naheffing onrechtmatig was bleek pas nadat belanghebbende bezwaar had gemaakt tegen de naheffingsaanslag en kort gezegd uitleg heeft gegeven over wat er gebeurd was en heeft laten zien dat hij wel degelijk betaald had, maar met het kenteken van zijn vorige auto. De noodzaak om bezwaar te maken is daarmee naar het oordeel uitsluitend aan de handelwijze van belanghebbende te wijten en dat de heffingsambtenaar de naheffing heeft opgelegd, was op dat moment ook logisch. Dat betekent dat belanghebbende geen recht heeft op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase.
De rechtbank merkt op dat een andersluidend oordeel zou betekenen dat wanneer iemand een verkeerd kenteken invoert, vervolgens logischerwijs een naheffingsaanslag krijgt en dan bezwaar maakt, diegene standaard een bedrag zou krijgen bovenop de vernietiging van de naheffingsaanslag.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat belanghebbende geen recht heeft op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase. Omdat het beroep ongegrond is krijgt belanghebbende het griffierecht niet terug. De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor een vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. C.C. van den Berg, griffier.
De rechter is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.