RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 augustus 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,
de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg, de heffingsambtenaar.
Samenvatting
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/6182
en
1. Deze uitspraak gaat over de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting. Belanghebbende is het niet eens met de naheffingsaanslag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt aan de hand van deze beroepsgronden of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht aan belanghebbende is opgelegd.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepsgronden niet slagen en dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht aan belanghebbende is opgelegd. Dit betekent dat de naheffingsaanslag in stand blijft. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 31 oktober 2025 het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 5 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben belanghebbende en namens de heffingsambtenaar, [persoon], deelgenomen.
Feiten
3. Belanghebbende heeft op 10 juni 2025 een (huur)auto met kenteken [kenteken] geparkeerd aan het Wilhelminapark te Tilburg. Tijdens een controle omstreeks 16:00 uur op die datum is door een scanauto geconstateerd dat geen parkeerbelasting was betaald.
De heffingsambtenaar heeft naar aanleiding hiervan aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 49,93, bestaande uit een bedrag aan belasting van € 1 en € 48,93 aan kosten van de naheffingsaanslag.
Beoordeling door de rechtbank
4. Tussen partijen is niet in geschil dat op de locatie waar de auto geparkeerd stond tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd en partijen zijn het er ook over eens dat feitelijk sprake is geweest van parkeren. Dat belanghebbende voor dit parkeren geen parkeerbelasting heeft betaald is evenmin in geschil.
Belanghebbende voert aan dat hij een auto had gehuurd en daarmee heeft geparkeerd. Hij had per ongeluk de parkeerapp niet geactiveerd. Belanghebbende parkeert normaliter met de eigen auto, waarvoor een parkeervergunning geldt bij zijn werk. In verband met een treinstaking is zijn echtgenote echter die dag met de eigen auto naar haar werk gereden en heeft belanghebbende een auto gehuurd om naar zijn werk te gaan. Belanghebbende heeft er niet aan gedacht om bij het parkeren de huurauto in de parkeerapp aan te melden.
De rechtbank overweegt als volgt. De parkeerbelasting is geen boete, maar een objectieve belasting, waarbij opzet, schuld of intentie geen rol spelen. Dat betekent dat het voor de verschuldigdheid van de parkeerbelasting niet relevant is of belanghebbende al dan niet bewust geen parkeerbelasting heeft betaald. Het enkele feit dat geen of te weinig parkeerbelasting is betaald, is voldoende om tot het opleggen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting over te gaan. De gronden van belanghebbende kunnen daarom niet tot vernietiging van de naheffingsaanslag leiden.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht aan belanghebbende is opgelegd.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd en gehandhaafd blijft. Omdat het beroep ongegrond is krijgt belanghebbende het griffierecht niet vergoed. De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. C.C. van den Berg, griffier.
De rechter is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.