[eiseres] als erfgename van [persoon] , uit [woonplaats] , eiseres,
(gemachtigde: mr. L.L. Ross),
en
Dienst Toeslagen, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld na de uitspraak van de rechtbank van 21 augustus 2025. In die uitspraak staat dat verweerder binnen twee weken opnieuw moet beslissen op de aanvraag van 6 juli 2021 om herbeoordeling van de situatie van [persoon] met betrekking tot de kinderopvangtoeslag. Eiseres stelt nu beroep in omdat verweerder dat volgens haar niet heeft gedaan.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
Is het beroep ontvankelijk?
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan.
3. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk voor zover dit ziet op het niet tijdig beslissen door verweerder. Verweerder heeft niet binnen de door de rechtbank in de uitspraak van 21 augustus 2025 gestelde termijn een besluit genomen. De rechtbank stelt echter vast dat verweerder op 10 oktober 2025, en dus voor het instellen van het beroep, wel alsnog een besluit heeft genomen.Eiseres stelt weliswaar dat de brief van 10 oktober 2025 enkel een doorverwijzing naar de nabestaandenregeling is en daarom geen besluit, maar de rechtbank volgt dat standpunt niet. In de brief van 10 oktober 2025 is namelijk door verweerder aan eiseres bericht dat zij geen recht heeft op vergoeding in het kader van de integrale beoordeling en dat dat de definitieve beschikking op de aanvraag om herbeoordeling is. Daarnaast is vermeld dat het recht op de nabestaandenregeling, die per 1 januari 2025 geldt, nog beoordeeld zal worden. In het verweerschrift geeft verweerder aan dat dat besluit voor 1 juli 2026 wordt verwacht. De brief van 10 oktober 2025 is naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb op de aanvraag van 6 juli 2021.Nu verweerder alsnog beslist heeft op de aanvraag van eiseres, heeft eiseres geen procesbelang bij het beroep tegen het uitblijven van een besluit.Wordt de rechterlijke dwangsom die voortvloeit uit de uitspraak van 21 augustus 2025 vastgesteld?
4. Eiseres verzoekt verder, onder meer, om vaststelling van de rechterlijke dwangsom die voortvloeit uit de uitspraak van 21 augustus 2025 en het opleggen van een termijn aan verweerder om de verbeurde rechterlijke dwangsom te betalen. De rechtbank overweegt hierover het volgende. Uit artikel 8:55d, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de geschiedenis van de totstandkoming ervan volgt dat een dergelijke dwangsom ten uitvoer kan worden gelegd volgens de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De bevoegdheid tot het nemen van een beslissing met betrekking tot de rechterlijke dwangsom is dan ook niet aan het publiekrecht ontleend. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 december 2024. Het niet op tijd nemen van een besluit met betrekking tot de rechtelijke dwangsom kan op grond van artikel 6:2, onderdeel b, dan ook niet gelijkgesteld worden met een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Op grond van artikel 6:2, onderdeel b, en artikel 8:1 van de Awb kan alleen tegen het uitblijven van een besluit beroep worden ingesteld. Dat betekent dat eiseres niet bij de bestuursrechter kan procederen over (de hoogte van) de verbeurde rechterlijke dwangsom en zich daarvoor tot de burgerlijke rechter zal moeten wenden. Hetzelfde geldt voor de betaling van deze dwangsom. De rechtbank is dan ook onbevoegd en stelt de rechterlijke dwangsom die voortvloeit uit de uitspraak van 21 augustus 2025 niet vast.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk voor zover dit ziet op het niet tijdig beslissen door verweerder. De rechtbank kan geen beslistermijn opleggen en verweerder hoeft daarom geen dwangsom aan eiseres te betalen. De rechtbank is onbevoegd voor zover het beroep ziet op het vaststellen van (de hoogte van) de verbeurde rechterlijke dwangsom en het opleggen van een termijn tot betaling van de verbeurde rechterlijke dwangsom. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van
I. Ambachtsheer, griffier, op 5 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.