RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummers: C/02/446912 / FA RK 26-1791 (voorlopige voorziening)
C/02/446904 / FA RK 26-1798 (bodemprocedure)
Datum uitspraak: 23 juli 2026
Beschikking over een zorgregeling, de hoofdverblijfplaats en het Uniform Hulp Aanbod
in de zaken van
[de man] ,
hierna te noemen: de man,
wonend in [woonplaats 1] ,
bijgestaan door mr. A.C. van 't Hek uit Dordrecht,
en
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de vrouw,
wonend in [woonplaats 2] ,
bijgestaan door mr. P.J.M. Groenhuis-Kools uit Breda.
over de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2022, hierna: [minderjarige 1] ,
- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2024, hierna: [minderjarige 2] .
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.
1. Het procesverloop
C/02/446912 / FA RK 26-1798
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift van de man van 16 maart 2026, ontvangen op 7 april 2026;
het F9-formulier met bijlagen van mr. Van ’t Hek van 15 april 2026;
het verweerschrift van de vrouw met zelfstandige verzoeken van 30 juni 2026;
het F9-formulier met bijlagen van mr. Van ’t Hek van 14 juli 2026.
C/02/446904 / FA RK 26-1791
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift van de man van 16 maart 2026, ontvangen op 7 april 2026;
het F9-formulier met bijlagen van mr. Van ’t Hek van 15 april 2026;
De rechtbank begrijpt dat de volgende stukken zoals ingediend in de voorlopige voorziening procedure ook deel uitmaken van de processtukken in de bodemzaak:
het verweerschrift van de vrouw met zelfstandige verzoeken van 30 juni 2026;
het F9-formulier met bijlagen van mr. Van ’t Hek van 14 juli 2026.
Tijdens de zitting is bevestigd door de vrouw dat het de bedoeling was voormelde stukken in beide zaken in te dienen. De man heeft hiertegen geen bezwaar. De vrouw heeft het verweerschrift op 16 juli 2026 alsnog ingediend in de bodemprocedure.
Tijdens de zitting heeft de vrouw laten weten bezwaar te hebben tegen de door de man op 14 juli 2026 ingediende stukken. De rechtbank overweegt hierover het volgende. Hoewel de stukken te laat zijn ingediend, zijn de producties niet van een dusdanige aard dat het meenemen van de stukken voor de beoordeling in strijd zou zijn met het procesreglement. Bovendien is op zitting gebleken dat de vrouw de kans heeft gehad naar de ingediende stukken te kijken. De rechtbank zal de stukken die door de man zijn ingediend op 14 juli 2026 daarom meenemen in de beoordeling.
De verzoeken zijn mondeling behandeld op 15 juli 2026 tijdens de zitting met gesloten deuren. Bij die behandeling waren aanwezig en zijn gehoord partijen met hun advocaten. Ook was een vertegenwoordiger van de Raad aanwezig.
Gelet op de nauwe samenhang tussen het verzoek van de man in de procedure betreffende de voorlopige voorziening (met kenmerk C/02/446912 / FA RK 26-1791) en de verzoeken van partijen in de bodemprocedure (met kenmerk C/02/446904 / FA RK 26-1798), zijn de verzoeken gelijktijdig behandeld. In beide zaken wordt bij deze beschikking beslist.
De vrouw heeft in haar verweerschrift een zelfstandig verzoek gedaan dat ziet op alimentatie. Dit deel van het verzoek is afgesplitst van voorliggende zaak. Partijen zijn daar op 6 juli 2026 van op de hoogte gebracht.
2. De feiten
Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Uit deze relatie zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren. (hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen)
De man heeft de minderjarigen erkend. Partijen hebben samen het gezag over de minderjarigen.
De minderjarigen verblijven bij de vrouw.
Partijen hebben geen afspraken met elkaar gemaakt met betrekking tot de verzorging en opvoeding van de kinderen.
3. De verzoeken
De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad een voorlopige zorgregeling vast te stellen waarbij de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij helfte (50/50) tussen partijen worden verdeeld, dan wel een zodanige voorlopige zorgregeling vast te stellen die de rechtbank in het belang van de minderjarigen acht.
Tijdens de zitting heeft de man toegelicht dat hij concreet het volgende verzoekt:
Primair: om partijen naar het Uniform Hulp Aanbod (hierna: UHA) te verwijzen en een voorlopige contactregeling vast te leggen waarbij sprake is van onbegeleid contact;
Subsidiair: om partijen naar het UHA te verwijzen en een voorlopige contactregeling vast te leggen waarbij sprake is van begeleid contact;
Meer subsidiair: om partijen naar het UHA te verwijzen.
Ter zitting heeft de man zijn verzoek ingetrokken, voor zover dit ziet op het treffen van een voorlopige voorziening.
De vrouw voert verweer tegen de verzoeken.
Bij wijze van zelfstandige verzoeken, verzoekt de vrouw:
I. te bepalen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijf bij de vrouw hebben;
II. partijen te verwijzen naar het UHA en het verzoek van de man om een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aan te houden voor de duur van negen maanden – of een nadere door de rechtbank te bepalen termijn – in afwachting van de resultaten van dat hulptraject.
4. De beoordeling
C/02/446912 / FA RK 26-1798
Nu de man zijn verzoek in deze procedure betreffende de voorlopige voorziening heeft ingetrokken op zitting, kan dit verzoek niet meer worden onderzocht. Dit verzoek zal daarom worden afgewezen.
C/02/446904 / FA RK 26-1791
Juridisch Kader
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt alsdan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Op grond van lid 2 van dit artikel kan deze regeling onder andere omvatten:
- een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken;
- de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.
Alvorens te beslissen dient de rechter, op grond van artikel 1:253a lid 5 BW, een vergelijk tussen beide ouders te beproeven.
Hoofdverblijfplaats
De vrouw heeft bij zelfstandig verzoek verzocht het hoofdverblijf van de minderjarigen bij haar te bepalen. Nu de man geen verweer voert tegen dit verzoek van de vrouw wordt het verzoek toegewezen. De rechtbank acht het in het belang van de minderjarigen dat hun juridische situatie in overeenstemming wordt gebracht met hun feitelijke situatie.
Uniform Hulpaanbod Traject
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de rechtbank als volgt. Tijdens de zitting is de verwijzing naar het UHA besproken. Beide ouders hebben aangegeven open te staan voor een verwijzing naar het UHA. Tijdens de zitting is gebleken dat de standpunten van partijen met betrekking tot de zorgregeling - wel of niet fysiek contact en begeleid of onbegeleid contact - dusdanig ver uiteen liggen dat er professionele hulpverlening nodig is om afspraken tussen partijen te kunnen maken. Op dit moment vindt er nauwelijks communicatie plaats over de minderjarigen waardoor er ook geen (fysiek) contact is tussen de man en de minderjarigen. Daarnaast bestaat er een verschil van mening over de invloed van de persoonlijke problematiek van de man op (het contact met) de minderjarigen. De vrouw heeft aangegeven op dit moment onvoldoende vertrouwen te hebben dat er contact tussen de man en de minderjarigen kan plaatsvinden zonder betrokkenheid van een professional. De man ziet wel in dat er zorgen bestaan rondom zijn persoonlijke problematiek, maar ziet geen zorgen rondom de verzorging van de minderjarigen aangezien hij tijdens de relatie met de vrouw en vlak daarna ook voor de minderjarigen heeft gezorgd. De rechtbank vindt het gelet op voorgaande, net als de Raad, nodig dat voor deze ouders en hun kinderen een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. Partijen hebben tijdens de zitting ermee ingestemd dat de rechtbank hen en hun minderjarige kinderen voor een (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost. De verwijzing heeft op 16 juli 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat partijen met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.
Met de inzet van het (jeugd)hulpverleningstraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:
de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;
het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.
Gebleken is dat ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met de ouders besloten dat zij samen met een zag ook gaan werken aan het behalen van het volgende resultaat:
de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind;
het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar;
er is inzicht in de mogelijkheden/belemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor het kind te realiseren (binnen de scheidingssituatie).
De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is bij deze beschikking gevoegd (bijlage 1).
Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om de volledige UHA rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen.
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een nadere zitting nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor het verzoek met betrekking tot de zorgregeling.
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:
welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarigen?
hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, is niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en is wel van belang om te vermelden?
Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.
De ouders zijn tijdens de zitting geïnformeerd over de privacy aspecten van de verwijzing (bijlage 2). Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Tijdens de zitting hebben ouders overeenstemming bereikt over de videobelmomenten: op maandag en vrijdag vanaf 18:00 à 18:15 uur, waarbij de man de minderjarigen zal bellen. Hoewel ouders overeenstemming hebben bereikt over de noodzaak om hulpverlening te krijgen in het kader van het UHA en de videobelmomenten, hebben ouders geen overeenstemming over een voorlopige regeling in de tussenliggende periode.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de man, samengevat, aan dat er geen omstandigheden bestaan die een beperking van het contact tussen hem en de minderjarigen rechtvaardigen. Sinds het uit elkaar gaan van partijen is enkel sprake van videobellen tussen de man en de minderjarigen. De man begrijpt de zorgen ten aanzien van zijn persoonlijke problematiek, maar heeft tijdens de relatie en vlak daarna voor de minderjarigen mogen zorgen wanneer de vrouw moest werken. Hij begrijpt niet waarom het contact op dit moment niet zou kunnen plaatsvinden. De man staat open voor een verwijzing naar het UHA.
De vrouw is het niet eens met het verzoek van de man. Zij voert, samengevat, aan dat zij op dit moment onvoldoende vertrouwen heeft dat er onbegeleid contact kan plaatsvinden tussen de man en de minderjarigen vanwege de persoonlijke problematiek van de man. Daarnaast ontbreekt het aan voorspelbaarheid, omdat het moeilijk is afspraken te maken met de man waaraan hij zich zal houden. De door de man gewenste zorgregeling is daarom volgens de vrouw niet in het belang van de minderjarigen. De vrouw heeft verzocht om partijen naar het UHA te verwijzen, zodat partijen afspraken kunnen maken over, onder meer, een zorgregeling.
De Raad adviseert de rechtbank, samengevat, om het verzoek betreffende de zorgregeling aan te houden en de ouders naar het UHA te verwijzen. Het is belangrijk dat er contact is tussen de man en minderjarigen. Het is daarom belangrijk dat in ieder geval de afgesproken videobelmomenten door blijven gaan.
De rechtbank is van oordeel dat er nu professionele begeleide omgang moet plaatsvinden. Hoe langer er geen contact is, hoe moeilijker het wordt dit contact weer op te bouwen. Het contact tussen de man en de minderjarigen moet daarom zo snel als mogelijk worden opgebouwd. Tegelijkertijd is het belangrijk dat het contact veilig is en op een voor de minderjarigen voorspelbare manier plaatsvindt. Daarom is de rechtbank van oordeel dat op dit moment begeleid contact tussen de man en de minderjarigen het meest passend is. Dit zodat de vrouw weer vertrouwen kan krijgen in de opvoedvaardigheden van de man en er zo snel als mogelijk onbegeleid contact kan plaatsvinden tussen de man en de minderjarigen. Deze begeleide omgang dient plaats te vinden in het kader van het UHA-traject. De frequentie en duur van de omgang dient door de hulpverlening te worden vastgesteld in samenspraak met de ouders, daarom zal de rechtbank nu geen zorgregeling vastleggen (wel kan gedacht worden aan minimaal 1 uur per week).
Gedurende dit traject zal meer zicht moeten worden verkregen op de opvoedvaardigheden van de man en de interactie tussen de man en de minderjarigen. Gelet op de wachttijden van het UHA geeft de rechtbank partijen in overweging mee de contacten voor de start van het traject door vrienden of familie te laten begeleiden, waarbij er minimaal eenmaal per week fysiek contact zou kunnen plaatsvinden tussen de man en de minderjarigen. Hieraan zou kunnen worden gedacht aan de ouders van de vrouw.
Omdat ouders en de minderjarigen in de gelegenheid worden gesteld deel te nemen aan het (jeugd)hulpverleningstraject beslist de rechtbank nu niet op het verzoek van partijen met betrekking tot de zorgregeling, maar houdt zij de beslissing daarover aan tot de in het dictum te melden pro forma datum. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door. De rechtbank merkt hierbij nog op dat partijen het erover eens zijn dat een beslissing op de verzoeken met betrekking tot de zorgregeling moet worden aangehouden.
Al het voorgaande leidt tot de volgende (tussen)beslissing.
5. De beslissing
De rechtbank:
C/02/446912 / FA RK 26-1798
wijst het verzoek af.
C/02/446904 / FA RK 26-1791
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de minderjarigen: [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2022 en [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2024 hun hoofdverblijf hebben bij de vrouw;
bepaalt, bij wijze van voorlopige regeling, dat de man gerechtigd is tot het hebben van wekelijkse videobelmomenten met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op maandag en vrijdag vanaf 18:00 à 18:15 uur;
verwijst partijen en hun kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hiervoor in rechtsoverweging 4.6 en 4.7 vermelde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost. Het loket zal ouders en de minderjarigen vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de kinderen verwijzen naar de zorgaanbieder;
verzoekt het loket om uiterlijk op dinsdag 20 april 2027 PRO FORMA, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA-rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulptraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, om de UHA-eindrapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
verzoekt de Raad om binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA-rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet om naar aanleiding daarvan een onderzoek of interventie te starten;
verzoekt de Raad, wanneer het UHA-traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de hiervoor onder rechtsoverweging 4.12 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
verzoekt de Raad om zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht, bij de rechtbank in te dienen;
houdt de (definitieve) beslissing op de verzoeken van partijen met betrekking tot de zorgregeling aan;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven door mr. Sumner, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. Van Ham, griffier op 23 juli 2026.
Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.
Bijlage 1