RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/449296 / JE RK 26-1045
Datum uitspraak: 20 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Tilburg, gevestigd te Tilburg,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. J. Koenen te Rotterdam,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. A. van Tol-Macharoblishvili te Tilburg.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING regio ZEELAND-WEST-BRABANT, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 12 juni 2026;
de op 25 juni 2026 ontvangen rapportage van de Raad;
de op 6 juli 2026 van de advocaat van de vader ontvangen brief, met productie.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met mr. R.W. de Gruijl, waarnemend advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI.
2. De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 15 december 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 19 december 2026.
In de bodemprocedure tussen de ouders met het kenmerk C/02/394320 FA RK 22-481 is een voorlopige contactregeling vastgesteld tussen [minderjarige] en de vader.
3. Het verzoek
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere gezag dragende ouder te verlenen, te weten de vader, voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. Het standpunt van de GI
Ter onderbouwing van het verzoek is door de GI schriftelijk en mondeling aanvullend - samengevat - aangevoerd dat [minderjarige] al zijn hele leven te maken heeft met strijdende ouders over de contactregeling en de overige aspecten uit het ouderschapsplan (financiën en verantwoordelijkheden). Sinds de aanvang van de ondertoezichtstelling zijn er meerdere gerechtelijke procedures tussen de ouders gevoerd of nog steeds lopende. Verder was er in mei 2026 sprake van een incident, waarbij de moeder de politie heeft ingeschakeld, bedoeld om de vader uit de straat te laten verwijderen. [minderjarige] was getuige van dit voorval. Verder laat de moeder zien dat zij de contactafspraken niet in het belang van [minderjarige] wenst na te komen en dat zij daarover zelf de regie wenst te behouden. Als voorbeeld daarvan wordt benoemd dat zij de prioriteit legt bij de zwemles van [minderjarige] en dit (gedeeltelijk) ten koste gaat van de vastgelegde contactregeling, ook nadat de GI al duidelijk heeft aangegeven dat het contact belangrijker is dan de zwemles. Het is daardoor voor [minderjarige] elke week opnieuw onduidelijk of/wanneer hij zijn vader zal zien. Ook is enkele malen sprake geweest van politie interventies naar aanleiding van spanningsvolle en onveilige momenten bij de moeder thuis. Al deze factoren en omstandigheden leiden tot (extra) onrust, spanningen en onzekerheid, waardoor [minderjarige] steeds meer in een loyaliteitsconflict raakt, wat er bij elkaar voor zorgt dat hij wordt belemmerd in zijn ontwikkeling.
De GI concludeert op grond van de hiervóór beschreven factoren en omstandig-heden dat de moeder niet voornemens is om mee te werken aan de uitvoering van de contactafspraken, dat zij de regie en controle daarover niet wenst los te laten. Bovendien is er nog steeds onvoldoende zicht op haar opvoedsituatie. Ook na verloop van een periode van inmiddels drie jaren heeft de GI moeten vaststellen dat de moeder op al deze vlakken geen wezenlijke stappen heeft weten te maken. Tevens blijft de moeder gerechtelijke procedures aanhangig maken, of ziet de vader zich genoodzaakt een procedure te starten, omdat hij anders [minderjarige] niet ziet. Deze situatie gaat ten koste van de rust en stabiliteit voor [minderjarige] . De GI acht het in het belang van [minderjarige] dat er aan die situatie een einde komt. De GI verzoekt daarom een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader te verlenen.
Al in een eerder stadium is namens de GI ter zitting duidelijk gemaakt dat, rekening houdend met al wat er tot dusver is ingezet, als enige optie nog een plaatsing van [minderjarige] bij de vader werd gezien. Het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing en het standpunt van de GI moeten in die zin geheel los worden gezien van het door de Raad in de bodemprocedure uitgebrachte onderzoeksadvies. In de visie van de GI kan een beslissing in die bodemprocedure ten aanzien van het hoofdverblijf van [minderjarige] niet worden afgewacht. Dit gelet op de signalen die van [minderjarige] worden ontvangen in de vorm van zorgelijke uitspraken, terwijl hij tegelijkertijd de indruk wekt over de situatie bij de moeder thuis niet te willen of mogen praten. De GI wenst door middel van speltherapie meer zicht te krijgen op wat er in dat verband bij [minderjarige] leeft. Tevens speelt een belangrijke rol dat de zomervakantie over enkele weken zal starten en [minderjarige] vanuit de woonplaats van de vader naar school moet (kunnen) gaan. Het is voor [minderjarige] fijn als hij de zomervakantie kan benutten om tot rust te komen maar ook om aan zijn nieuwe situatie te wennen. Tevens beschikt de vader dan over de mogelijkheid om allerlei zaken voor en rondom [minderjarige] te regelen, zoals school.
In geval van toewijzing van het verzoek zal er bij de vader een vorm van
opvoedondersteuning ingezet moeten worden. Niet omdat er over zijn opvoedvaardigheden twijfels zijn, maar om de vader te ondersteunen in hoe hij bij [minderjarige] aan kan sluiten en hem kan opvangen, temeer omdat het voor [minderjarige] mogelijk een lastige periode zal gaan worden. Daarnaast dient te worden ingezet op oudercommunicatie en het informeren van de andere ouder. Ook is het van belang dat er een nieuw - bruikbaar - ouderschapsplan wordt opgesteld, nu het huidige plan niet uitvoerbaar is gebleken en er bovendien van een andere situatie sprake zal zijn. Ook ziet de GI, in het geval dat [minderjarige] bij de vader woont de noodzaak voor begeleide contacten tussen hem en de moeder. Dit is nodig om zicht te krijgen of en hoe de moeder bij hem weet aan te sluiten en of zij hem al dan niet belast met haar eigen emoties en/of andere zaken. De GI zal [hulpverlening] benaderen om met de uitvoering daarvan te worden belast. Na de zomervakantie zal er een intake kunnen plaats vinden. De verwachting is dat [hulpverlening] vervolgens per direct zal kunnen starten. De voorkeur van de GI gaat uit naar [hulpverlening] in Dongen, omdat deze instantie vooral op oudercommunicatie en op goed ouderschap is gericht en tevens geschikt is om de omgangsbegeleiding op zich te nemen, te adviseren met betrekking tot het contact voor nu en in de toekomst en bij te dragen in het mede vorm geven van een nieuw ouderschapsplan. Dit is een andere instantie dan die door de Raad wordt benoemd in het rapport. Met voormelde toelichting handhaaft de GI haar verzoek.
5. De standpunten van de belanghebbenden
Door en namens de moeder is - samengevat - aangevoerd dat het verzoek en de onderbouwing daarvan door de GI veel te zwaar is aangezet en daarom niet kan dienen als grond voor een machtiging tot uithuisplaatsing, temeer nu het hier een zeer ingrijpende maatregel betreft. Het door de Raad in de afzonderlijke bodemprocedure ingebrachte raadsrapport en gegeven advies maken dit niet anders, nu er in die procedure andere toetsingscriteria gelden. De kinderrechter wordt daarom verzocht de raadsrapportage niet (te veel) bij de beoordeling van het verzoek van de GI te betrekken. Verder licht de advocaat van de moeder toe dat de politie interventies, waarover door de GI wordt gesproken, niet aansluiten bij de actualiteit, nu deze dateren van een half jaar geleden. Bovendien blijkt daaruit niet dat de veiligheid van [minderjarige] op die momenten gevaar liep. De inhoud van het plan van aanpak van 12 juni 2026 sluit daarbij aan. In dat kader verwijst de moeder naar pagina 14, waarin is vermeld dat de school aangeeft dat er geen zorgen zijn over [minderjarige] , althans dat hij zich niet uit laat over de thuissituatie en over hoe hij klem zit tussen zijn beide ouders. De moeder ziet laagdrempelige speltherapie als mogelijkheid om er achter te komen wat er bij [minderjarige] van binnen speelt. Zij heeft zich daar eerder al in verdiept, echter weigerde de vader daarvoor toestemming te verlenen. Ten aanzien van het incident in mei 2026 geldt dat de vader op dat moment bij de moeder aan de deur stond en hij zodanig recalcitrant gedrag vertoonde dat de moeder zich genoodzaakt zag met de politie contact te zoeken. Uit dit alles valt te concluderen dat, waar het de veiligheid van [minderjarige] bij de moeder betreft, het verzoek van de GI niet op concrete feiten maar vooral op zogeheten ‘onderbuikgevoelens’ is gebaseerd. Verder herkent de moeder zich niet in de opmerking van de GI dat zij zich bepalend zou opstellen in het kader van de uitvoering van de contact-regeling, dat zij die regeling op enige wijze zou belemmeren of dat zij andere afspraken uit het ouderschapsplan niet zou naleven. Ook is door de vader onvoldoende concreet gemaakt welke contactmomenten tussen hem en [minderjarige] niet zijn door gegaan. Daarbij komt nog dat er tussen de ouders inmiddels vaste afspraken zijn gemaakt over een verdeling van de aan-komende zomervakantie. Ook in overig opzicht zoekt de moeder steeds naar mogelijkheden om de contactregeling zo goed mogelijk te laten verlopen. Wel is er discussie tussen de ouders ontstaan over de contactregeling in verband met de zwemles van [minderjarige] . Die had in de visie van de moeder voorkomen kunnen worden indien de vader zich coöperatiever had opgesteld. Ten slotte mist de moeder daadwerkelijke betrokkenheid van de GI bij haar als ouder/verzorger van [minderjarige] . In dat verband wordt erop gewezen dat de moeder uit de conceptraadsrapportage heeft moeten vernemen dat er een tijdelijke nieuwe jeugd-beschermer was benoemd. Onder verwijzing naar voormelde toelichting luidt het standpunt van de moeder dat het verzoek van de GI dient te worden afgewezen.
Door en namens de vader is naar voren gebracht dat hij achter het verzoek van de GI kan staan. Hij ziet ook geen andere oplossing, in welk verband hij wijst op de politie-interventies, die bij de moeder thuis hebben plaats gevonden, geruchten duidend op huiselijk geweld in de zorg- en opvoedsituatie van de moeder, de onduidelijkheid over wat [minderjarige] daar allemaal van mee krijgt en het herhaaldelijk naast zich neer leggen van de afspraken in het ouderschapsplan door de moeder. Ook wijst hij op de talrijke gerechtelijke procedures die inmiddels tussen de ouders zijn gevoerd. Er zijn inmiddels zo’n 24 procedures geweest, waarbij in de laatste procedures de moeder is veroordeeld in de proceskosten en haar ook een dwangsom is opgelegd. Dit zegt iets over hoe de rol van de moeder in die procedures beoordeeld wordt. Moeder komt keer op keer afspraken niet na en houdt zich niet aan uitspraken. Toen de moeder zonder toestemming van de vader met [minderjarige] naar [woonplaats 1] verhuisde, heeft de vader zijn toestemming gegeven, toen de moeder en de vader een co-ouderschap af hadden gesproken. Direct bleek dat moeder dit niet nakwam. Ook de komende zomervakantie is weliswaar afgesproken, maar de moeder heeft al herhaaldelijk aangegeven dat zij dit niet na gaat komen. Vorige week heeft nog het kort geding gediend over de vraag of de zwemles van [minderjarige] de contactregeling met de vader in de weg mag zitten. Het houdt niet op. Het is in het belang van alle betrokkenen - [minderjarige] in het bijzonder - dat er aan deze ongezonde situatie een einde komt en dat [minderjarige] in normale omstandigheden (verder) kan opgroeien.
6. Het advies/standpunt van de Raad
Namens de Raad is opgemerkt dat de Raad bij [minderjarige] vanaf de leeftijd van 4 maanden betrokken is. In al die tijd heeft de moeder laten zien dat zij er erg veel moeite mee heeft om [minderjarige] ook van het leven van de vader onderdeel uit te laten maken. Verder heeft de Raad moeten vaststellen dat er een patroon zichtbaar is, waarbij de moeder telkens vrijwel direct nadat er afspraken rondom de zorg- en contactregeling zijn gemaakt, de afspraken opnieuw ter discussie stelt en/of niet nakomt. Het is de Raad gebleken dat die situatie niet of nauwelijks is veranderd, ook met langdurige inzet van hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling. Dit terwijl de moeder daarop door de GI herhaaldelijk is aangesproken, waarbij aan haar duidelijk is gemaakt welke stappen zij diende te nemen om in die situatie verandering te brengen. Daarbij komt nog dat er - weliswaar een half jaar geleden - sprake is geweest van meldingen duidend op huiselijk geweld en onveilige situaties in de zorg- en opvoedsituatie van de moeder. Dit bij elkaar maakt dat de Raad volledig achter het verzoek van de GI kan staan. De Raad is in het eigen onderzoek ook tot de conclusie gekomen dat het in het belang van [minderjarige] is om bij de vader te wonen.
7. De beoordeling
De kinderrechter merkt op dat zij kennis heeft genomen van het rapport van de Raad dat (onder andere) ziet op de vraag waar het hoofdverblijf van [minderjarige] het beste zou kunnen worden bepaald. Zoals ook al op de zitting besproken, is dat rapport in een ander juridisch kader opgesteld. Het verzoek wat de GI nu doet, wordt beoordeeld op de vraag of een uithuisplaatsing noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] , binnen het kader van een kinderbeschermingsmaatregel. Wel spelen de omstandigheden die de Raad schetst in het rapport een rol binnen de beslissing van de kinderrechter.
Naar het oordeel van de kinderrechter wordt [minderjarige] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. Dit blijkt ook wel uit het feit dat de ondertoezichtstelling nu al meer dan 3 jaar loopt. Naast de ondertoezichtstelling hebben ook al tientallen zittingen plaatsgevonden tussen de ouders in het kader van diverse procedures die zagen op het contact van [minderjarige] met (met name) zijn vader. Telkens weer lijkt het alsof de ouders in onderling overleg tot goede afspraken kunnen komen, zoals een co-ouderschap, of de regeling waarbij [minderjarige] en de vader in de even weken van donderdagmiddag tot maandagochtend contact hebben en in de oneven weken van woensdag na school tot donderdagochtend. Maar ook telkens weer is de inkt van de afspraken nog niet droog, of de moeder stelt deze weer ter discussie. De kinderrechter kan zich daarbij niet aan de indruk onttrekken dat de moeder steeds weer de rol van de vader in het leven van [minderjarige] kleiner wil maken. Alleen al de juridische strijd die dit oplevert is buitenproportioneel. Dit kan niet anders dan grote invloed hebben op het leven en welzijn van [minderjarige] . Zittingen en juridische procedures zijn een stressfactor in het leven van de ouders, waar [minderjarige] dan zeker ook de gevolgen van zal voelen. Bovendien wordt het contact met zijn vader steeds verder beperkt. Naast deze zorgen, zijn er zorgen over de thuissituatie bij de moeder. Sinds het einde van de relatie met de vader, woont zij nu met een tweede nieuwe partner samen. Er zijn politiemeldingen geweest over mogelijk huiselijk geweld met deze partner en in de afgelopen jaren van ondertoezichtstelling is er onvoldoende zicht gekomen op de veiligheid van [minderjarige] in de thuissituatie bij de moeder.
Hoewel school geen zorgen ziet bij [minderjarige] , worden deze zorgen wel door andere gezien. Zij constateren ook dat [minderjarige] uitlatingen doet over zorgelijke situaties, maar vervolgens daarover niet lijkt te durven/mogen praten.
Op grond van al deze factoren en omstandigheden concludeert de kinderrechter dat [minderjarige] bij de moeder op dit moment onvoldoende emotionele veiligheid geboden krijgt, waarbij er ook structureel onvoldoende oog is voor het belang van het contact tussen [minderjarige] en de vader én het nakomen van afspraken daarover. De ondertoezichtstelling en de hulpverlening die daarbinnen geboden wordt, brengen daar geen verandering in. Op dat vlak lijkt de moeder niet in staat tot verandering, althans niet snel genoeg om de situatie voor [minderjarige] te verbeteren. Deze optelsom maakt dat het naar het oordeel van de kinderrechter in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] noodzakelijk is dat hij uit huis wordt geplaatst bij de vader. De kinderrechter zal daarom de gevraagde machtiging tot uithuisplaatsing aan de GI verlenen, met ingang van heden, voor de duur van de ondertoezichtstelling.
Door een uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader, zullen er grote veranderingen in zijn leven plaatsvinden. Hoewel de vader een vertrouwd persoon is in het leven van [minderjarige] , heeft hij niet eerder bij de vader gewoond. Daar komt bij dat de huidige school van [minderjarige] in [woonplaats 1] is, wat niet werkbaar is wanneer [minderjarige] bij de vader woont.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
8. De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere gezag dragende ouder, te weten de vader met ingang van 20 juli 2026 tot 19 december 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2026 door mr. Tempel, kinderrechter, in aanwezigheid van Baremans als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.