RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/450429 / FA RK 26-3698
Datum uitspraak: 20 juli 2026
Beschikking voortzetting inbewaringstelling
op het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor
[geboortedag] ,
geboren op 15 februari 1941 in [geboorteplaats],
hierna te noemen betrokkene,
wonend in [plaats],
verblijvende in een accommodatie van [accommodatie] te [plaats],
advocaat mr. H.M.Th. de Pont uit Tilburg.
1. Het verloop van de procedure
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 16 juli 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 juli 2026. Daarbij zijn gehoord:
betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
de heer [persoon 1], arts;
mevrouw [persoon 2], psycholoog;
de heer [persoon 3], buurman.
de echtgenote van betrokkene.
2. Wat vaststaat
Betrokkene verblijft met een inbewaringstelling in de accommodatie van [accommodatie] te [plaats]. De burgemeester van de gemeente Tilburg heeft de inbewaringstelling op 15 juli 2026 afgegeven.
3. Het verzoek
Het CIZ verzoekt de rechtbank een machtiging tot voorzetting van de inbewaringstelling te verlenen voor de duur van zes weken.
4. De standpunten
Betrokkene geeft aan dat het hier heel slecht met hem gaat omdat er allemaal halve zotten zitten.
De echtgenote verklaart dat betrokkene is gevallen omdat hij versuft was door een slaapmiddel. De verwondingen van betrokkene vielen gelukkig mee. Verder geeft de echtgenote aan dat zij haar man niet kwijt wil. Zij houdt het niet meer vol als zij haar man ongelukkig ziet. De echtgenote deelt mede dat haar man mee naar huis kan en dat zij de problemen zelf oplost omdat dit geen leven voor hem is. Wanneer betrokkene langer moet blijven dan gaan zij er beiden aan onderdoor. Voorts verklaart de echtgenote dat betrokkene af en toe agressief kan zijn richting haar maar zij kan zichzelf redden. De echtgenote geeft aan dat het haar eigen risico is wanneer betrokkene mee naar huis gaat. Verder geeft de echtgenote aan dat zij open staat voor hulp op de momenten dat het moeilijk is. Morgen komt de huisarts en dan gaat de echtgenote praten over hulp. De echtgenote geeft aan dat zij het op zich neemt.
De arts verklaart dat hij zijn standpunt vooral moet baseren op basis van de rapportages van de verpleging. Betrokkene is veel emotioneel en geeft duidelijk aan hier niet te willen zijn. Betrokkene vraagt aan de verpleging waar de uitgang is en hij is veelvuldig bezig om aan een sleutel te komen om weg te kunnen. Volgens de arts is er geen sprake van problematisch gedrag bij betrokkene. De arts maakt zich vooral zorgen over wat beschreven wordt in het dossier over de thuissituatie, maar dit wordt op de afdeling niet gezien. In de thuissituatie is er nog niet veel zorg betrokken. De arts hoop dat het echtpaar de hulp gaat accepteren die wordt ingezet.
De psycholoog voert, samengevat, aan dat er in de thuissituatie nog veel dingen kunnen worden ingezet maar de vraag is of ze hulp toelaten. Er kan veel geregeld worden in overleg met een casemanager en behandelaren in eerste lijn. Zo kan er onder meer nagedacht worden over dagbesteding of dagbehandeling om de echtgenote te ontlasten. Volgens de psycholoog zie je vaak dat er in de dynamiek iets fout gaat wanneer de persoon met dementie ander gedrag laat zien en dit om een andere benadering vraagt.
De buurman verklaart dat de geriater een casemanager heeft aangevraagd, maar de inbewaringstelling dit heeft ingehaald. Verder wil de buurman er op dit moment niet veel over zeggen.
De advocaat verklaart dat de buurman heeft aangegeven dat betrokkene en zijn vrouw in eerste instantie de hulp hebben afgehouden, maar ze nu het besef hebben dat het nodig is. Volgens de advocaat dient betrokkene het voordeel van de twijfel te krijgen en is er nu de bereidheid om de hulp te accepteren. Verzocht wordt dan ook om het verzoek af te wijzen, omdat er in de thuissituatie nog hulp ingezet kan worden, nu dat eigenlijk nog niet geprobeerd is.
5. De beoordeling
Op grond van artikel 37 Wzd in samenhang gelezen met artikel 38 en artikel 39 Wzd kan de rechter op verzoek van het CIZ met betrekking tot een cliënt een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling verlenen, indien de burgemeester ten aanzien van deze cliënt op grond van artikel 29 lid 1 en 2 Wzd een last tot inbewaringstelling heeft afgegeven.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychogeriatrische aandoening, te weten Alzheimer.
Uit de overgelegde stukken en de zitting is gebleken dat er ten aanzien van betrokkene sprake was van een onmiddellijk dreigende situatie. Vermoed wordt dat het ernstig nadeel werd veroorzaakt door gedrag dat voortvloeit uit een psychogeriatrische aandoening. Dit ernstig nadeel (levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel en maatschappelijke teloorgang) was enkele dagen geleden aanwezig. Betrokkene gaf aan dat het leven voor hem geen zin meer heeft, omdat hij merkt dat hij zichzelf niet meer onder controle heeft. Betrokkene wilde van de flat springen en kwam in verzet tegen mensen die hem proberen tegen te houden. Daarnaast had betrokkene zijn vrouw geslagen.
Tijdens de mondelinge behandeling van het verzoek is voorts gebleken dat een langere verplichte opname voor betrokkene inmiddels niet meer doelmatig is. In de thuissituatie is nog geen hulp ingezet doordat de inbewaringstelling dit heeft ingehaald. Betrokkene heeft immers pas een dag voor de crisismaatregel zijn diagnose gekregen. Het echtpaar heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij de aangereikte hulp zullen gaan accepteren. Daarnaast is de diagnose bij betrokkene nog maar zeer recent gesteld waardoor hier nog geen actie op ondernomen is. Dus vanwege het ontbreken van de doelmatigheid van de machtiging wijst de rechtbank de aanvraag tot voortzetting inbewaringstelling af. De rechtbank merkt hierbij wel op, dat als blijkt dat de hulp die wordt ingezet onvoldoende blijkt te zijn, onvoldoende wordt geaccepteerd of de situatie van betrokkene verder verslechtert, de kans bestaat dat er een nieuw verzoek wordt ingediend bij de rechtbank. Echter op dit moment, met daarbij ook de uitdrukkelijke stelling van de echtgenote dat zij het met hulp nog een kans wil geven in de thuissituatie, is de rechtbank van oordeel dat er nog andere mogelijkheden zijn die eerst dienen te worden benut.
Gelet op het voorgaande zijn er hiermee minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.
Al het voorgaande brengt met zich dat de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling zal worden afgewezen, nu de wettelijke grondslag daarvoor ontbreekt.
6. De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2026 door mr. Donders, rechter, in aanwezigheid van Vermare, griffier en op schrift gesteld op 24 juli 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.