2. De nadere beoordeling
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 2 juni 2026 is de ondertoezichtstelling van de minderjarigen verlengd met ingang van 3 juni 2026 tot 3 juni 2027. Daarnaast is de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen in een gezinsgerichte voorziening verlengd met ingang van 3 juni 2026 tot 3 augustus 2026 en is het resterende verzoek daartoe aangehouden tot voormelde zitting.
Het verzoek
Aan de orde is het verzoek van de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de (resterende) duur van vier maanden. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De standpunten
De GI heeft ter nadere onderbouwing van haar verzoek aangegeven dat er op 27 juni 2026 is gestart met de uitbreiding van de omgang tussen de minderjarigen en de vader via een opbouwschema van circa drie maanden. Er zijn vaste evaluatiemomenten ingepland. De GI verzamelt informatie vanuit de omgangsbegeleider Stichting Diversiteit in Zorg (SDiZ), het gezinshuis, de school en peuteropvang en van beide ouders. Het doel is om meer zicht te krijgen op de opvoedvaardigheden van de vader, de behoefte en de belastbaarheid van de minderjarigen en hun toekomstperspectief. De GI kan daar op dit moment nog geen oordeel over geven. De GI vindt de verslagen van de omgangsbegeleiding te abstract. De GI heeft daarom gevraagd om meer details in de verslagen. Oma vaderszijde is nu telkens bij de omgang. De GI heeft bij de omgangsbegeleiding aangegeven dat de rol van oma kleiner moet worden om het opvoederschap van de vader te beoordelen. In het gezinshuis wordt gemerkt dat de minderjarigen ander gedrag laten zien nu de omgang met de vader is uitgebreid. De moeder heeft geen mogelijkheid dat de minderjarigen bij haar komen wonen. Zij heeft wekelijks videobelcontact met de minderjarigen. De GI vindt de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen in het gezinshuis nog noodzakelijk. Tijdens de zomervakantie van de gezinshuisouders zullen de minderjarigen door de grootouders van de gezinshuisouders verzorgd worden. Er is een achtervang geregeld van SKJ-geregistreerden en de gedragswetenschapper van de GI zal op huisbezoek gaan. De GI heeft de door de vader overgelegde producties niet allemaal tijdig kunnen bestuderen, omdat ze kort voor de zitting zijn ingediend.
Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat zij het eens is met het (resterende) verzoek. De moeder vindt het van belang dat er door de vader in de omgang met de minderjarigen eerst meer stappen worden gezet naar wat er in het dagelijks leven normaliter gebeurt, voordat beoordeeld wordt of de minderjarigen bij de vader kunnen verblijven. De oma vaderszijde moet daarbij ook meer afstand nemen, omdat de vader zelf de zorg voor de minderjarigen moet kunnen dragen. Zij vindt dat de minderjarigen in het gezinshuis moeten blijven. De moeder maakt zich zorgen over haar contact met de minderjarigen als zij bij de vader gaan wonen. De moeder ervaart belemmeringen in het contact met de vader, omdat de vader dan via de minderjarigen informatie over haar kan inwinnen. Zij vreest dat haar contact met de minderjarigen dan wordt verbroken. De moeder vindt het lastig dat de vader telkens vlak voor een zitting veel producties indient. Zij heeft daardoor onvoldoende de mogelijkheid om daarop te reageren en zich waar nodig te verweren.
Door en namens de vader is verzocht het verzoek af te wijzen. De door de advocaat overgelegde producties zijn weliswaar daags voor de zitting, maar wel tijdig overgelegd. De vader heeft sommige informatie ook pas laat verkregen. Bovendien zou deze informatie al bekend moeten zijn bij de GI. Er is louter sprake van consequent positieve omgangsrapportages. In deze rapportages zijn uitgebreid de omgangsmomenten beschreven. Hieruit blijkt dat de vader een emotioneel ondersteunende, veilige omgeving biedt aan de minderjarigen, sensitief reageert en zijn aandacht over de minderjarigen evenwichtig verdeelt. Het wijst op goed ouderschap van de vader. De vader kent zijn beperkingen vanuit het niet aangeboren hersenletsel. Hij heeft daarin een goed zelfinzicht, kent zijn grenzen en weet zijn behoefte aan ontprikkeling. Oma vaderszijde heeft de afgelopen omgangen meer afstand genomen en de zorg aan de vader overgelaten. De vader benoemt daarbij dat het cultuurbepaald is dat ook oma vaderszijde betrokken zal zijn in het gezin bij de vader. De minderjarigen zijn graag bij hun vader. De onrust in hun gedrag kan ook gelegen zijn in het feit dat voor hen niet duidelijk is wanneer zij bij hun vader mogen gaan wonen. Er is geen enkel objectief signaal van actuele onveiligheid geconstateerd. De vader vraagt zich af wat er nog meer van hem wordt verwacht voordat het perspectief van de minderjarigen bij hem wordt vastgesteld. De opbouw van de omgangsregeling is laat gestart en verloopt traag. De GI houdt telkens de thuisplaatsing bij de vader af. De GI maakt onvoldoende concreet welke informatie nog nodig is om de beoordeling voor de thuisplaatsing bij de vader te maken en waar de concrete onveiligheid van de minderjarigen uit bestaat waarom ze nog niet bij hem kunnen wonen. De vader vindt dat de minderjarigen thuis kunnen worden geplaatst bij hem. Tot ongeveer een jaar geleden woonden zij nog gewoon in de huidige woning van de vader. De kinderen zouden bij een thuisplaatsing teruggaan naar dezelfde school. Dit kan beter aan de start van het schooljaar plaatsvinden. De vader vindt het belangrijk dat er contact tussen de moeder en de minderjarigen blijft bestaan. Binnen de ondertoezichtstelling kan na een thuisplaatsing hier vorm aan worden gegeven.
De Raad heeft aangegeven dat geconstateerd kan worden dat de omgangsrapportages heel positief zijn. De verslaglegging vanuit de omgangsbegeleiding is heel concreet. Er lijkt sprake te zijn van goed genoeg ouderschap bij de vader. Het perspectief hoort bij hem te liggen. De Raad vindt dat het contact tussen de vader en de minderjarigen sneller uitgebreid kan worden. Om meer zicht te krijgen op het uitvoeren van de verzorgings- en opvoedingstaken door de vader hoeft dat niet middels de begeleide omgang, maar kan bijvoorbeeld gezinsbegeleiding worden ingezet. Het gaat er dan niet meer om dat de vader zich in het ouderschap moet bewijzen, maar om nog ondersteuning te bieden op de paar punten waar de vader tegenaan loopt. Ook kan er dan gekeken worden welke hulpverlening de minderjarigen nodig hebben om hun gedrag beter te kunnen duiden. De gehele resterende periode van de machtiging tot uithuisplaatsing is hiervoor niet nodig. De Raad heeft de indruk dat het onrustige gedrag van de minderjarigen mogelijk te wijten is aan een beginnend loyaliteitsconflict, namelijk doordat zij zich afzetten tegen het gezinshuis. Het is daarom van belang dat zij snel duidelijkheid krijgen wanneer ze bij de vader mogen gaan wonen. Bij een thuisplaatsing moet er ook nog aandacht zijn voor het contact tussen de moeder en de minderjarigen, mede vanwege de spanning tussen de ouders.
Beoordeling kinderrechter
De kinderrechter acht de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen niet meer noodzakelijk in het belang van hun verzorging en opvoeding.
Uit de door de vader overgelegde rapportages van het SDiZ over het verloop van de begeleide omgangsmomenten over een lange periode blijkt een consistent positief beeld over het opvoedend handelen van de vader. In tegenstelling tot de GI vindt de kinderrechter de verslagen heel uitgebreid en concreet beschreven. Daaruit blijkt dat de vader de minderjarigen een veilige, stabiele, voorspelbare en emotioneel ondersteunende opvoeding kan bieden. De vader blijkt in staat op een sensitieve manier aan te sluiten bij de minderjarigen, hij verdeelt zijn aandacht evenwichtig en ook op moeilijke momenten blijkt hij in staat rustig en consequent richting de minderjarigen te reageren. Er zijn geen aanwijzingen voor pedagogisch onveilig of zorgwekkend opvoedgedrag. Het SDiZ heeft kennisgemaakt met de persoonlijk begeleider van de vader. Ondanks dat er bij de vader sprake is van niet aangeboren hersenletsel, functioneert hij goed en in hoge mate zelfstandig. Hij heeft een goed zelfinzicht en kent goed zijn grenzen en behoefte aan ontprikkeling. De minderjarigen zijn enthousiast en ontspannen in het contact met de vader. Dat zij in het gezinshuis onrustig gedrag laten zien, kan te wijten zijn aan de onzekerheid die de kinderen ervaren over wanneer zij bij de vader mogen gaan wonen en het telkens moeten bewegen tussen de vader en het gezinshuis. Er moet voorkomen worden dat er een loyaliteitsconflict bij de minderjarigen ontstaat. Dat de minderjarigen in de komende weken worden verzorgd door de opa en oma van de gezinshuisouders en dus niet door hun reguliere opvoeders brengt mogelijk nog meer onrust teweeg. De kinderen verblijven al een jaar in het gezinshuis. De kinderrechter vindt het niet in het belang van de kinderen om hen nog langer in onduidelijkheid te laten verblijven, terwijl er geen concrete aanwijzingen zijn dat de vader niet de verzorging en opvoeding van de minderjarigen kan dragen. De kinderrechter merkt daarbij op dat de vader voorheen ook hun zorg al heeft gedragen. De minderjarigen hebben tot de uithuisplaatsing in de huidige woning van de vader verbleven en zijn daar ook naar school gegaan. Het is dus een vertrouwde omgeving voor hen. De kinderrechter ziet geen gronden om de kinderen nog langer uithuisgeplaatst te houden.
De kinderrechter zal het (resterende) verzoek van de GI dan ook afwijzen. Dit betekent dat de minderjarigen voorbereid moeten worden op de thuisplaatsing bij de vader en dat deze thuisplaatsing uiterlijk 3 augustus 2026 zal moeten plaatsvinden.
De kinderrechter vindt het van belang dat de wekelijkse videobelmomenten tussen de moeder en de minderjarigen doorgaan. Als dit niet mogelijk is als de minderjarigen bij de vader zijn vanwege het feit dat de moeder zich daar niet comfortabel bij voelt, moet daar binnen de ondertoezichtstelling een oplossing voor worden gevonden. De kinderrechter ziet dit niet als een onoverkomelijk probleem.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
3. De beslissing
De kinderrechter:
wijst het (resterende) verzoek af.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verger-Maas als griffier, en op schrift gesteld op 29 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.