RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11694256 \ CV EXPL 25-1641
Vonnis van 19 augustus 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: [gemachtigde] (Van Loon Incasso Advocaten),
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
De zaak in het kort
Deze zaak gaat over een geldleningsovereenkomst. [eiser] stelt dat hij een geldleningsovereenkomst heeft gesloten met [gedaagde] . De overeenkomst ziet op € 2.000,00. [eiser] stelt dat [gedaagde] een bedrag van € 1.040,00 niet heeft afgelost. Hij vordert daarom betaling van dat bedrag, vermeerderd met kosten en rente. [gedaagde] betwist dat hij een overeenkomst gesloten heeft met [eiser] . [gedaagde] stelt dat hij [eiser] niet kent, heeft nooit een geldleningsovereenkomst met hem gesloten en heeft nooit geld van hem ontvangen. [gedaagde] betwist de echtheid van de handtekening onder de overeenkomst. Verder zijn het gebruikte e-mailadres, woonadres en bankrekeningnummer niet van hem. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] niet aan de motiveringsplicht heeft voldaan. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] daarom af. Dat betekent dat [gedaagde] niets aan [eiser] hoeft te betalen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 25 juni 2025;
- de mondelinge behandeling van 16 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
De kantonrechter heeft bij tussenvonnis een mondelinge behandeling bevolen. Zowel [eiser] als [gedaagde] hebben vervolgens een aanhoudingsverzoek gedaan. De kantonrechter heeft deze verzoeken gehonoreerd. Bij brief is medegedeeld dat mondelinge behandeling is bepaald op 16 juli 2026. [eiser] is, hoewel op de juiste manier opgeroepen, niet verschenen tijdens de zitting. [gedaagde] is op zijn verzoek verschenen door middel van een videoverbinding, na toestemming van de kantonrechter.
Daarna is een datum bepaald waarop dit vonnis wordt uitgesproken.
2. Het geschil
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 1.591,68, vermeerderd met rente.
[eiser] stelt dat hij met [gedaagde] een geldleningsovereenkomst heeft gesloten voor een bedrag van € 2.000,00. Ter onderbouwing legt hij een geldleningsovereenkomst gedateerd op 8 augustus 2022 over. Daarnaast overlegt hij onder andere mailcontact uit oktober 2022, diverse brieven aan [gedaagde] en een kopie van het paspoort van [gedaagde] . Op 24 januari 2025 en 3 februari 2025 heeft [eiser] [gedaagde] aangeschreven en gesommeerd tot betaling. [gedaagde] heeft geen bedrag betaald aan [eiser] . [eiser] vordert betaling van het niet afgeloste bedrag, vermeerderd met kosten en rente.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] betwist dat hij een geldleningsovereenkomst met [eiser] heeft gesloten. [gedaagde] betwist de echtheid van de handtekening op de overgelegde geldleningsovereenkomst. [gedaagde] voert aan dat hij jarenlang voor werk in Spanje heeft gewoond. Hij kent [eiser] niet, is nooit een geldleningsovereenkomst met hem aangegaan en heeft nooit geld ontvangen van hem. Het gebruikte e-mailadres, woonadres en bankrekeningnummer zijn niet van hem. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vordering van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
3. De beoordeling
[eiser] heeft niet voldaan aan de motiveringsplicht
Voordat de kantonrechter toe kan komen aan de inhoudelijke beoordeling van de vraag of [eiser] en [gedaagde] een geldleningsovereenkomst met elkaar hebben gesloten, moet hij beoordelen of [eiser] aan de stel- en motiveringsplicht heeft voldaan. De stelplicht rust op [eiser] , op grond van de hoofdregel uit artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). [eiser] beroept zich namelijk op het rechtsgevolg van de door hem gestelde feiten: betaling van een niet afgelost bedrag en kosten en rente. [eiser] moet zijn vordering ook onderbouwen (motiveren).
Tijdens de rolzitting heeft [gedaagde] mondeling verweer gevoerd. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] de stellingen van [eiser] voldoende gemotiveerd heeft betwist. [gedaagde] heeft de overeenkomst als zodanig betwist. Daarnaast heeft hij ook de echtheid van de handtekening op de overeenkomst, het gebruikte e-mailadres, woonadres en bankrekeningnummer betwist. [gedaagde] heeft toegelicht dat hij tot april 2024 een periode in het buitenland heeft gewoond. Sindsdien woont [gedaagde] op zijn huidige woonadres, [adres] te [plaats 2] . De uitgebreide betwisting van [gedaagde] vraagt om een reactie van [eiser] en een (nadere) motivering van de door hem gestelde feiten.
De mondelinge behandeling bood zowel [eiser] als [gedaagde] de gelegenheid eigen standpunten nader toe te lichten en op elkaars standpunten te reageren. [eiser] is, zonder (geldige) reden, niet verschenen tijdens de mondelinge behandeling. [gedaagde] is wel verschenen en heeft volhard in zijn eerder geuite betwisting. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] als stellende partij tegenover de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] , zowel geuit tijdens de rolzitting als tijdens de mondelinge behandeling, de door hem gestelde feiten onvoldoende heeft gemotiveerd. Daarmee is de door [eiser] gestelde geldlening niet vast komen te staan. De kantonrechter wijst de vordering van [eiser] daarom af. Dit betekent ook dat de kantonrechter niet (meer) aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak toekomt.
[eiser] moet de proceskosten betalen
[eiser] is in het ongelijk gesteld en wordt daarom veroordeeld in de kosten van het geding. Deze kosten worden aan de zijde van [gedaagde] begroot op nihil, omdat hij zonder professionele gemachtigde procedeert en niet gesteld of gebleken is dat hij kosten heeft gemaakt.
4. De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen van [eiser] af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot dit vonnis vastgesteld op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. Paijmans en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026.