[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. B.T. Wijnen),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 2 april 2025. In die uitspraak heeft de inspecteur de aan belanghebbende opgelegde aanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2020 gehandhaafd.
Belanghebbende heeft tegen de beslissing van de inspecteur beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 6 augustus 2026 op zitting behandeld. Ter zitting is namens belanghebbende verschenen zijn gemachtigde, vergezeld door kantoorgenoot [persoon 1] . Namens de inspecteur hebben aan de zitting deelgenomen [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of voor het jaar 2020 in het resultaat uit terbeschikkingstelling moet worden betrokken de afwaardering van (i) een aan belanghebbende gecedeerde lening vordering op de vennootschap, (ii) een lening voor boeterente en (iii) aanvullend aan de vennootschap uitgeleende bedragen.
3. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur in de aanslag ter bepaling van het resultaat uit terbeschikkingstelling terecht geen rekening heeft gehouden met de afwaardering van voornoemde vorderingen/leningen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt, en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
4. Belanghebbende is directeur-grootaandeelhouder van [B.V. 1] . Die B.V. hield een belang van 25 procent in [B.V. 2] (eerder: [B.V. 3] ) (hierna: de vennootschap).
In 2008 heeft de [bank 1] leningen verstrekt aan de vennootschap. Die leningen zijn in 2018, door herstructurering, terechtgekomen bij [bank 2] (de bank). Belanghebbende heeft zich, samen met de heren [persoon 2] , [persoon 3] en inmiddels overleden heer [persoon 4] , bij het ontstaan van de leningen ten opzichte van de [bank 1] (en later de bank) borg gesteld, ieder voor 1,5 miljoen euro.
Begin 2018 is de huurovereenkomst met een belangrijke huurder van het door de vennootschap gehouden onroerend goed beëindigd.
De bank heeft aan de vennootschap met dagtekening 14 maart 2019 een brief gestuurd waarin de bank aangeeft de leningen niet te willen verlengen vanwege de hoge loan-to-value en de negatieve cashflow uit de verhypothekeerde onderpanden, en een verbetering van de situatie op redelijke termijn niet te verwachten is. Om de vennootschap voldoende tijd te geven om de verkoop van een onderpand te realiseren, heeft de bank de leningen met ingang van 1 april 2019 tot en met 31 maart 2020 gecontinueerd op basis van een vast rentetarief van 5 procent.
Vervolgens zijn de bank, belanghebbende, de heer [persoon 2] en de heer [persoon 3] op 13 september 2019 overgegaan tot cessie van de leningen. Belanghebbende heeft ten titel van cessie van de bank een vordering op de vennootschap verkregen van € 312.998,93, de heer [persoon 2] € 2.312.998,93 en de heer [persoon 3] € 312.998,93.
In de akte van cessie is bepaald dat de eerder ten behoeve van bank aangegane borgstellingen (zie 4.1) als nevenrechten met de vorderingen zijn overgegaan, en de nieuwe schuldeiser de betreffende borg onder dezelfde voorwaarden als voorheen de bank kan aanspreken.
Belanghebbende heeft aan de vennootschap een bedrag van € 37.001,07 verstrekt teneinde boeterente aan de bank te betalen, en verder in 2019 in totaal € 75.000 overgemaakt aan de vennootschap.
De vennootschap heeft onroerend goed verkocht. Belanghebbende heeft na die verkoop als aflossing op de vordering een bedrag van € 65.020 ontvangen.
Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2020 een verzamelinkomen aangegeven van € 341.449 negatief. Als kosten uit terbeschikkingstelling van vermogen heeft hij aangegeven (i) de afwaardering van de vordering op de vennootschap van € 388.380 en (ii) niet ontvangen rente op de lening aan de vennootschap van € 29.424.
De inspecteur is in de aanslag IB/PVV 2020 van de ingediende aangifte afgeweken. De inspecteur heeft de afwaardering van de vordering op de vennootschap van € 388.380 bij de aanslag niet toegelaten. Hij heeft de kosten uit terbeschikkingstelling van vermogen vastgesteld op € 29.424 en de daarbij behorende vrijstelling op € 18. Het verzamelinkomen heeft de inspecteur (voor verliesverrekening) vastgesteld op € 325.
Motivering
5. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of belanghebbende in 2020 een verlies uit terbeschikkingstelling in aanmerking mag nemen in verband met (i) de overgenomen lening van bank tot een bedrag van € 312.998,98, (ii) een lening van € 37.001,07 verstrekt als afkoopsom van toekomstige renteverplichtingen van de bank (boeterente), en (iii) een lening van € 105.000 verstrekt in termijnen in 2019 aan de vennootschap.
( i) De door de bank gecedeerde lening
De rechtbank stelt in haar beoordeling voorop dat voor het in aanmerking nemen van een verlies uit terbeschikkingstelling van vermogen is vereist dat een verlies is geleden. Belanghebbende voert aan dat hij een verlies van € 312.998,98 op de van de bank overgenomen lening heeft geleden. Omdat de inspecteur dat betwist, is het aan belanghebbende om zijn stelling aannemelijk te maken.
In dit geval gingen met de overname van de leningen van de bank ook de borgstellingen die destijds met de bank waren afgesproken op (onder meer) belanghebbende over (zie 4.5). Dat betekent dat belanghebbende als schuldeiser de andere borgstellers had kunnen aanspreken om zijn verlies op de vordering op de vennootschap vergoed te krijgen. Niet gesteld of anderszins aannemelijk is geworden dat de borgen in dit geval geen verhaal boden om de vordering van belanghebbende te voldoen. Van een aftrekbaar verlies op de vordering op de vennootschap is dan geen sprake. Dat, zoals belanghebbende stelt, hij er voor heeft gekozen de andere borgstellers niet aan te spreken omdat zij onderling hadden afgesproken over en weer de borgstellingen niet in te roepen, dient vanuit fiscaal perspectief als een onzakelijke afspraak voor het bepalen van het resultaat uit ter beschikkingstelling te worden genegeerd. De inspecteur heeft de afwaardering van de vordering daarom terecht bij de aanslag gecorrigeerd. Dit betekent dat de subsidiaire stelling van de inspecteur, dat ten tijde van de cessie sprake was van een onzakelijke vordering en dat op die grond geen verlies op de gecedeerde vordering genomen kan worden, in zoverre geen behandeling behoeft.
(ii) de lening verstrekt voor boeterente en (iii) de aanvullende leningen
Belanghebbende voert aan dat hij naast de lening voor de boeterente (€ 37.001,07) aanvullende bedragen aan de vennootschap heeft uitgeleend tot een bedrag van € 105.000. Ter onderbouwing van die laatstgenoemde leningen heeft belanghebbende bankafschriften overgelegd, waarop is te zien dat belanghebbende in 2019 een vijftal overboekingen aan de vennootschap heeft gedaan, met omschrijvingen als ‘storting’, ‘lening’, en ‘tijdelijke lening’. Die overboekingen tellen op tot € 75.000 (zie 4.7). Daarnaast is volgens belanghebbende door hem in 2019 ook nog € 30.000 aan de vennootschap uitgeleend om daarmee een aflossing op een schuld aan [B.V. 1] mogelijk te maken. Die lening blijkt volgens hem uit het feit dat de accountant van de vennootschap zou hebben verklaard dat belanghebbende € 30.000 aan de vennootschap had uitgeleend om die aflossing te doen.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende ten aanzien van die laatstgenoemde € 30.000 het bestaan van een lening niet aannemelijk heeft gemaakt. De enkele stelling dat de accountant dat zou hebben verklaard, is tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, daarvoor onvoldoende. Dat betekent dat met dit bedrag bij de aanslag terecht geen rekening is gehouden.
Aangaande de lening voor de boeterente en de lening van € 75.000 bestaande uit de aanvullende bedragen komt de rechtbank tot het volgende. Op die leningen zijn de borgstellingen als bedoeld in 4.1 en 4.5 niet van toepassing. Ter zitting heeft de gemachtigde desgevraagd verklaard dat voor deze leningen geen leningsovereenkomsten zijn opgesteld, geen zekerheden zijn bedongen, en geen aflossingsschema’s zijn overeengekomen. De leningen zijn verder verstrekt in een periode waarin een belangrijke huurder van het onroerend goed had opgezegd en de bank aangaf de leningen aan de vennootschap te willen beëindigen. Daarbij had de vennootschap al sinds 2011 onafgebroken een negatief eigen vermogen. Belanghebbende heeft betoogd dat hij er vanuit mocht gaan dat het onroerend goed van de vennootschap voldoende onderpand voor aflossing van de leningen bood. Hij verwijst naar een verkoopbrochure waarin het onroerend goed voor € 3.6 miljoen te koop is gezet. Dit betoog wordt door de rechtbank verworpen. Met het enkele verwijzen naar een brochure met een vraagprijs, is de waarde van het onroerend goed op het moment van verstrekken van de leningen niet aannemelijk gemaakt. Een waardering van het onroerend goed door een erkend taxateur heeft niet plaatsgevonden en in 2020 is het onroerend goed voor een beduidend lagere prijs verkocht.
Op grond van deze feiten en onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er geen willekeurige derde bereid zou zijn geweest om deze leningen onder dezelfde voorwaarden als belanghebbende aan de vennootschap te verstrekken. De leningen moeten daarom worden aangemerkt als onzakelijke leningen als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3442, waarvoor geen verlies in aanmerking mag worden genomen. De inspecteur heeft daarom terecht de afwaardering van die leningen bij de aanslag IB/PVV 2020 geweigerd.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag IB/PVV voor het jaar 2020 in stand blijft en niet wordt verminderd. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A.C. Deeleman, griffier.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.