ECLI:NL:RBZWB:2026:7939

ECLI:NL:RBZWB:2026:7939

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 20-08-2026
Datum publicatie 20-08-2026
Zaaknummer BRE 24/4737 tot en met BRE 24/4744
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Navorderingsaanslagen IB/PVV ivm assurance vie, werkelijk behaalde rendement, artikel 16 AWR, voortvarendheidsvereiste, vertrouwensbeginsel, individuele en buitensporige last abbb, vergrijpboetes

Uitspraak

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende

(gemachtigde: mr. R. van Minnen),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak de beroepen die betrekking hebben op aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen (IB/PVV) over de jaren 2011 tot en met 2016, 2019 en 2020, en de bij de navorderingsaanslagen in rekening gebrachte heffingsrente, belastingrente en opgelegde vergrijpboetes.

De rechtbank heeft de beroepen op 6 augustus 2026 op zitting behandeld. Belanghebbende, haar gemachtigde en de inspecteur hebben aan de zitting deelgenomen. Namens de inspecteur zijn verschenen: mr. [inspecteur 1] en mr. drs. [inspecteur 2].

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de navorderingsaanslagen IB/PVV terecht en niet tot te hoge bedragen aan belanghebbende heeft opgelegd. Verder beoordeelt de rechtbank de aan belanghebbende opgelegde vergrijpboetes, en haar verzoek om een immateriële schadevergoeding en (integrale) proceskostenvergoeding.

3. De rechtbank komt tot het oordeel dat de navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2011, 2019 en 2020 vernietigd moeten worden. Hetzelfde heeft te gelden voor de bij die navorderingsaanslagen in rekening gebrachte heffingsrente dan wel belastingrente, en de bij die navorderingsaanslagen opgelegde vergrijpboetes. De navorderingsaanslagen opgelegd over de jaren 2012 tot en met 2016, en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente, blijven wel in stand. De bij die jaren opgelegde vergrijpboetes worden, conform het nadere standpunt van de inspecteur, verminderd. Verder kent de rechtbank aan belanghebbende een immateriële schadevergoeding toe wegens de duur van de procedure, en heeft belanghebbende recht op een proceskostenvergoeding voor aan haar verleende rechtsbijstand.

Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende woont sinds 1997 in Nederland.

Sinds 2005 houdt belanghebbende een verzekeringsproduct aan bij verzekeringsmaatschappij Generali in Frankrijk, een zogeheten “assurance vie”. Verder beschikt belanghebbende over onroerend goed in Frankrijk, en heeft zij een bankrekening bij Banque Palatine in Frankrijk.

De assurance vie had in de jaren 2011 tot en met 2020 de volgende waarden:

1 januari

Saldo

2011

€ 95.548

2012

€ 86.377

2013

€ 147.256

2014

€ 240.826

2015

€ 247.751

2016

€ 255.972

2017

€ 251.383

2018

€ 257.675

2019

€ 263.561

2020

€ 265.917

Belanghebbende heeft haar aangiften IB/PVV laten verzorgen door een belastingadviseur.

In haar aangifte voor het jaar 2011 is de assurance vie in box 1 (inkomen uit werk en woning) opgenomen voor een bedrag van € 10.000, met de omschrijving “[omschrijving]”. Voor de jaren 2012 tot en met 2020 is de assurance vie niet in belanghebbendes aangiften IB/PVV vermeld.

De aanslagen IB/PVV voor de jaren 2012 tot en met 2020 zijn door de inspecteur geautomatiseerd en conform aangifte opgelegd.

De inspecteur heeft uit Frankrijk informatie over de assurance vie ontvangen. Naar aanleiding daarvan heeft hij vragen aan belanghebbende gesteld.

De inspecteur heeft vervolgens het standpunt ingenomen dat belanghebbende ten onrechte de assurance vie niet als bestanddeel voor de heffing over inkomen uit box 3 (inkomen uit sparen en beleggen) heeft opgegeven. De inspecteur heeft daarom aan belanghebbende navorderingsaanslagen IB/PVV opgelegd, en daarbij heffingsrente dan wel belastingrente in rekening gebracht en vergrijpboetes opgelegd.

Na bezwaar resteren de volgende navorderingsaanslagen, rentebeschikkingen en vergrijpboetes:

Navorderingsaanslag

Vergrijpboete

Heffingsrente/belastingrente

2011

€ 2.430

€ 972

€ 977

2012

€ 1.036

€ 414

€ 375

2013

€ 1.767

€ 706

€ 583

2014

€ 2.889

€ 1.155

€ 837

2015

€ 2.973

€ 1.189

€ 862

2016

€ 3.072

€ 1.228

€ 768

2019

€ 1.801

€ 63

2020

€ 763

€ 259

Motivering

5. Belanghebbende heeft verschillende gronden tegen de navorderingsaanslagen en vergrijpboetes aangevoerd. Omwille van proceseconomische redenen bespreekt de rechtbank allereerst de jaren 2011, 2019 en 2020.

Navorderingsaanslag IB/PVV 2011

De inspecteur heeft in beroep het nadere standpunt ingenomen dat de navorderingsaanslag over het jaar 2011 moet worden vernietigd omdat de ten onrechte afgedragen box 1 belasting de wel verschuldigde box 3 belasting met betrekking tot de assurance vie overtreft. De rechtbank ziet geen aanleiding om anders te oordelen. De navorderingsaanslag IB/PVV 2011, de daarbij in rekening gebrachte heffingsrente en opgelegde vergrijpboete worden daarom vernietigd.

Navorderingsaanslag IB/PVV 2019 en 2020

Belanghebbende heeft aangevoerd dat de navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2019 en 2020 niet in stand kunnen blijven, onder meer, gelet op het werkelijk behaalde rendement op haar vermogen in die jaren.

De inspecteur betwist dat voor de jaren 2019 en 2020 de heffing over het inkomen van box 3 kan worden bepaald aan de hand van het werkelijk rendement. Daartoe voert hij aan dat belanghebbende niet inzichtelijk heeft gemaakt wat haar rendement in die jaren was op het door haar in Frankrijk gehouden onroerend goed. Zonder die gegevens kan het werkelijk rendement op belanghebbendes vermogen niet worden vastgesteld, en kan dus ook de heffing niet plaatsvinden aan de hand van het werkelijk rendement, aldus de inspecteur.

De rechtbank overweegt dat het heffingsrecht op het in Frankrijk gelegen onroerend goed toekomt aan Frankrijk, zodat Nederland voorkoming van dubbele belasting dient te verlenen. De Hoge Raad heeft voor dat geval beslist dat het werkelijk rendement van het in Frankrijk gelegen onroerend goed buiten beschouwing dient te blijven en op nihil gesteld kan worden. De hoogte van het rendement op dit Frans onroerend goed is daarom niet van belang voor het bepalen van het werkelijk in Nederland belastbaar rendement van belanghebbende.

Bij de uitspraken op bezwaar is het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen met toepassing van het forfaitair rendement vastgesteld op € 33.895 (2019) respectievelijk € 25.730 (2020) en is de box 3 belasting vastgesteld op € 7.143 (2019) respectievelijk € 3.933 (2020) na aftrek van dubbele belasting voor het Frans onroerend goed. Bij de aanslagen IB/PVV 2019 en 2020 was de box 3 belasting vastgesteld op € 3.708 (2019) respectievelijk nihil (2020), waarbij dat jaar een bedrag van € 1.338 aan heffingskortingen niet verrekend is omdat de IB/PVV 2020 te laag was. Blijkens de niet weersproken opgaven van belanghebbende bedraagt het werkelijk rendement op de assurance vie en de bankrekeningen van belanghebbende (€ 9.156 + 2.356 =) € 11.512 (2019) respectievelijk (€ 2.378 + 1.848 =) € 4.226 (2020). De verschuldigde box 3 belasting bedraagt dan respectievelijk € 3.453 (2019) respectievelijk € 1.267 (2020). Omdat de IB/PVV over het werkelijk rendement lager is dan die over het forfaitair rendement dat reeds in aanmerking is genomen bij de aanslag (2019) respectievelijk na inachtneming van heffingskortingen niet leidt tot een additioneel te betalen bedrag aan IB/PVV ten opzichte van de aanslag (2020) is het gelijk op dit punt daarom aan belanghebbende.

De navorderingsaanslagen over de jaren 2019 en 2020 houden daarom geen stand. De rechtbank vernietigt daarom de navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2019 en 2020 en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente.

Gelet op dit oordeel komt de rechtbank niet toe aan de andere gronden die belanghebbende tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV 2019 en 2020 heeft aangevoerd.

Navorderingsaanslagen IB/PVV 2012 tot en met 2016

De rechtbank komt vervolgens toe aan beoordeling van de navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2012 tot en met 2016.

Nieuw feit en ambtelijk verzuim

Belanghebbende voert allereerst aan dat de navorderingsaanslagen over die jaren niet mochten worden opgelegd, omdat niet is voldaan aan de vereisten die artikel 16 van de AWR aan navordering stelt. Volgens belanghebbende ontbreekt een nieuw feit en heeft de inspecteur een ambtelijk verzuim begaan.

De inspecteur stelt zich daarentegen op het standpunt dat aan de vereisten voor navordering is voldaan. Hij voert daartoe aan dat hij geen aanleiding had om te twijfelen aan de juistheid van de aangiften IB/PVV 2012 tot en met 2016, waarin de assurance vie niet was opgenomen, en ook niet eerder dan pas na het opleggen van de definitieve aanslagen IB/PVV op de hoogte te zijn geweest van het bestaan van de assurance vie in die jaren. Er is daarom sprake van een nieuw feit, en ook heeft de inspecteur geen ambtelijk verzuim begaan.

De rechtbank overweegt als volgt. In de aangiften IB/PVV voor de jaren 2012 tot en met 2016 is de assurance vie in het geheel niet opgenomen. Belanghebbende heeft de inspecteur dus niet op de hoogte gesteld van het bestaan van de assurance vie in die jaren. Voor het jaar 2011 was de assurance vie weliswaar in de aangifte aangegeven (onder de noemer “[omschrijving]” in box 1), maar de aangifte over 2011 geeft geen informatie over latere jaren, en bovendien bestond de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid dat de ingediende aangiften voor de latere jaren juist waren. Naar het oordeel van de rechtbank hoefde de inspecteur na een zorgvuldige kennisname van de aangiften niet aan de inhoud van die aangiften te twijfelen. Hij was dus ook, anders dan belanghebbende stelt, niet gehouden om uit zichzelf actief navraag te doen bij belanghebbende over het mogelijke (voort)bestaan van een assurance vie. Omdat de informatie-uitwisseling met Frankrijk en de naar aanleiding daarvan gestelde vragen aan belanghebbende over de assurance vie, plaatsvonden nadat de inspecteur de definitieve aanslagen voor de jaren 2012 tot en met 2016 had vastgesteld, beschikte de inspecteur over een nieuw feit dat navordering over die jaren rechtvaardigt.

Voortvarendheidsvereiste

Ook de grond van belanghebbende dat de navorderingsaanslagen moeten worden vernietigd omdat de inspecteur het voortvarendheidsvereiste heeft geschonden, treft geen doel. Ervan uitgaande dat de inspecteur in de door belanghebbende gestelde periode van 31 mei 2022 tot en met 9 maart 2023 geen handelingen in de zaken heeft verricht, is dat niet voor die hele periode te wijten aan de inspecteur. De inspecteur heeft gesteld, en maakt met stukken ook aannemelijk, dat hij in die periode in afwachting was van informatie van belanghebbende. Belanghebbende heeft die informatie pas op 13 oktober 2022 aan de inspecteur verstrekt. Van een onaanvaardbaar stilzitten van meer dan zes maanden is daarom geen sprake.

Vertrouwensbeginsel

Belanghebbende doet voorts een beroep op het vertrouwensbeginsel. Allereerst stelt zij daartoe dat de handelswijze van de inspecteur voor het belastingjaar 2011 kortgezegd bij haar het vertrouwen gaf dat de assurance vie was beoordeeld en door haar op een juiste wijze in de aangifte was aangegeven. De inspecteur had namelijk, aldus belanghebbende, voor het jaar 2011 aan haar vragen gesteld die ook betrekking hadden op de verwerking van de assurance vie in de aanslag IB/PVV voor 2011, en vervolgens de aanslag voor dat jaar conform de aangifte opgelegd.

De rechtbank gaat in dat betoog niet mee. Belanghebbende heeft de jaren na 2011 de assurance vie in het geheel niet in haar aangifte opgenomen. Dat de inspecteur bij de behandeling van het aanslagjaar 2011 op enige wijze het vertrouwen zou hebben gewekt dat het niet opgeven van die assurance vie in de jaren 2012 tot en met 2016 juist zou zijn, heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt.

Belanghebbende voert verder aan dat zij uit de handelswijze van de inspecteur voor het belastingjaar 2020 mocht afleiden dat geen navorderingsaanslagen aan haar zouden worden opgelegd. Belanghebbende stelt daartoe dat de inspecteur voor het jaar 2020 een definitieve aanslag IB/PVV had opgelegd, en daarmee bij haar de suggestie had gewekt dat de behandeling van de eerdere belastingjaren afgerond zou zijn. De inspecteur heeft dat gemotiveerd betwist.

Met haar enkele stelling heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de inspecteur bij de behandeling van het belastingjaar 2020 een uitlating heeft gedaan richting belanghebbende waardoor zij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat voor de jaren 2012 tot en met 2016 geen navorderingsaanslagen zouden worden opgelegd. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet.

Individuele en buitensporige last

Belanghebbende voert aan dat er een reële kans bestaat dat de navordering over haar vermogensbestanddelen in box 3 leidt tot een bij haar individuele buitensporige last. De bewijslast of navordering bij haar leidt tot een individuele en buitensporige last, rust volgens belanghebbende op de inspecteur. Het is de inspecteur die met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn overgaat tot navordering. Van belanghebbende kan niet worden verlangd dat zij informatie over bijvoorbeeld rentebaten over die oudere jaren nog heeft bewaard.

De rechtbank overweegt dat de bewijslast om aannemelijk te maken dat in afwijking van de wettelijke bepalingen geen of minder inkomstenbelasting is verschuldigd omdat sprake is van een individuele en buitensporige last, op belanghebbende rust. Die bewijslast verschuift naar het oordeel van de rechtbank niet naar de inspecteur als hij gebruik maakt van de mogelijkheid om met een verlengde navorderingstermijn (wegens buitenlandse vermogensbestanddelen) inkomstenbelasting na te vorderen.

In dit geval heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de belastingheffing over haar vermogen zich in haar geval sterker laat voelen dan in het algemeen. Ook haar financiële situatie, zoals die blijkt uit de gedingstukken waaruit volgt dat zij beschikt over een tweede woning in Frankrijk, spaargeld en een assurance vie geeft geen aanleiding voor dat oordeel. Van een individuele en buitensporige last is dus geen sprake.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

Tot slot voert belanghebbende aan dat verschillende algemene beginselen van behoorlijk bestuur door de inspecteur zijn geschonden. Belanghebbende wijst op het motiveringsbeginsel, het fair play beginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Kort en in de woorden van de rechtbank samengevat gaat dat over het verloop van de aanslagregeling voor het belastingjaar 2011 en de inzage en het hoorverslag in de bezwaarfase. De rechtbank ziet in de zaakstukken in combinatie met hetgeen belanghebbende heeft aangedragen geen aanleiding voor het oordeel dat een van voornoemde beginselen is geschonden.

Conclusie navorderingsaanslagen IB/PVV 2012-2016 en belastingrente

Voorgaande leidt ertoe dat de inspecteur de navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2012 tot en met 2016 terecht en niet tot te hoge bedragen heeft opgelegd.

Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de beschikkingen belastingrente aangevoerd. Omdat de navorderingsaanslagen IB/PVV 2012 tot en met 2016 niet worden verminderd, is er ook geen aanleiding voor een vermindering van de beschikkingen belastingrente.

Vergrijpboetes

Voorts zijn de aan belanghebbende voor de jaren 2012 tot en met 2016 opgelegde vergrijpboetes in geschil. Die vergrijpboetes zijn opgelegd omdat het volgens de inspecteur aan grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de definitieve aanslagen IB/PVV voor die jaren tot te lage bedragen zijn vastgesteld.

De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur aan zijn bewijslast heeft voldaan dat sprake is van grove schuld. Belanghebbende was er mee bekend dat ook buitenlandse vermogensbestanddelen in de Nederlandse belastingaangifte moesten worden aangegeven, maar heeft nagelaten de assurance vie voor de betreffende jaren op te geven. Dat merkt de rechtbank in dit geval aan als grofschuldig handelen. Weliswaar wijst belanghebbende er op dat zij haar aangiften liet verzorgen door een belastingadviseur, maar zij heeft ter zitting verklaard dat zij zich niet kan herinneren dat zij haar adviseur voor de jaren 2012 tot en met 2016 van informatie over de assurance vie heeft voorzien. Dat de belastingadviseur de assurance vie niet in de aangiften heeft vermeld, is daarom aan belanghebbende toe te rekenen. Het feit dat de belastingadviseur na het opnemen daarvan in de aangifte IB/PVV 2011 niet heeft gevraagd naar het voorbestaan van de assurance vie in latere jaren disculpeert belanghebbende niet.

Vervolgens komt de vraag op of de opgelegde vergrijpboetes passend en geboden zijn. De inspecteur heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat de vergrijpboetes moeten worden gematigd tot 20 procent van de verschuldigde belasting. De vergrijpboetes zijn dan als volgt:

2012

€ 207

2013

€ 353

2014

€ 577

2015

€ 594

2016

€ 614

De rechtbank is van oordeel dat na de door de inspecteur voorgestelde vermindering van de vergrijpboetes, de boetes passend en uit het oogpunt van normhandhaving ook geboden zijn. Zij matigt de vergrijpboetes conform het nadere standpunt van de inspecteur.

Tot slot merkt de rechtbank ten aanzien van de boetes nog op dat de redelijke termijn (undue delay) van twee jaar is overschreden. Omdat de vergrijpboetes alle na matiging minder dan € 1.000 bedragen, is met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6 EVRM deze verdragsschending voldoende gecompenseerd.

Immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn

Belanghebbende heeft de rechtbank verzocht om een immateriële schadevergoeding aan haar toe te kennen in verband met gederfde levensvreugde, stress en slapeloze nachten. De rechtbank vat dat verzoek zo op dat belanghebbende vraagt om een immateriële schadevergoeding wegens door haar ervaren spanning en frustratie wegens de lange duur van de procedure.

De rechtbank wijst het verzoek van belanghebbende om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe. Behoudens bijzondere omstandigheden geschiedt de berechting van een zaak door de rechtbank niet binnen een redelijke termijn indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat de termijn is aangevangen, uitspraak doet, waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren. De termijn vangt in beginsel aan op het moment dat de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt. Indien sprake is van samenhangende zaken bepaalt het tijdstip van indienen van het eerste bezwaarschrift het aanvangsmoment.

De rechtbank constateert dat sprake is van één belanghebbende met meerdere zaken, die betrekking hebben op hetzelfde onderwerp en die zowel in bezwaar als beroep gezamenlijk zijn behandeld. Naar het oordeel van de rechtbank is gelet hierop sprake van samenhangende zaken. Voor die zaken gezamenlijk wordt daarom slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar gehanteerd.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat het eerste bezwaarschrift, het bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV 2015 en 2016 betreft. Dit bezwaarschrift heeft de inspecteur ontvangen op 24 oktober 2023, terwijl de onderhavige uitspraak wordt gedaan op 20 augustus 2026. De redelijke termijn is zodoende met afgerond 10 maanden overschreden. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden. Gelet hierop heeft belanghebbende recht op vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000. Aangezien de overschrijding van de redelijke termijn volledig is toe te rekenen aan de beroepsfase, komt dit bedrag voor rekening van de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Conclusie en gevolgen

6. De rechtbank verklaart de beroepen van belanghebbende gegrond. De navorderingsaanslagen IB/PVV over 2011, 2019 en 2020 en de daarbij in rekening gebrachte beschikkingen heffingsrente/belastingrente worden vernietigd. Ook de vergrijpboete voor het jaar 2011 wordt vernietigd. De vergrijpboetes voor de jaren 2012 tot en met 2016 worden verminderd, en tot slot heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding.

Omdat de beroepen gegrond zijn moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten. Voor een integrale proceskostenvergoeding, waar belanghebbende primair om heeft verzocht, ziet de rechtbank geen aanleiding. Belanghebbende heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde heeft belanghebbende recht op proceskostenvergoeding van € 2.802. Dat bedrag is aan de hand van artikel 2, eerste lid, sub a, van het Bpb vastgesteld. De vergoeding bestaat uit 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 934, een wegingsfactor 1 en factor 1,5 voor samenhang. De inspecteur moet deze vergoeding betalen.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A.C. Deeleman, griffier.

De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026090208
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand