[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats], belanghebbende
(gemachtigde: mr. R. Waaijer),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van belanghebbende om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en haar verzoek om veroordeling van de inspecteur in de proceskosten en vergoeding van het griffierecht. Belanghebbende heeft die verzoeken gedaan bij de intrekking van haar beroepen op 21 maart 2025. Die beroepen waren gericht tegen de beslissingen van de inspecteur van 18 juli 2024, en zijn door de rechtbank geregistreerd onder de zaaknummers BRE 24/6360 en BRE 24/6362. De beroepen zien op de navorderingsaanslag vennootschapsbelasting over het jaar 2015 en aanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 2018.
De rechtbank heeft de inspecteur in de gelegenheid gesteld te reageren op de verzoeken van belanghebbende. De inspecteur heeft de rechtbank meegedeeld dat belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding omdat de redelijke termijn met bijna anderhalf jaar is overschreden, een proceskostenvergoeding conform het Besluit proceskosten bestuursrecht, en vergoeding van de griffierechten.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op de verzoeken.
Beoordeling door de rechtbank
Immateriële schadevergoeding
2. De rechtbank wijst het verzoek om een immateriële schadevergoeding toe. De berekening en motivering luidt als volgt.
De redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg bedraagt een periode van twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar (6 maanden) duren en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar (18 maanden).
De rechtbank neemt samenhang aan tussen de twee beroepszaken van belanghebbende. De termijn vangt aan op het moment dat de inspecteur het (eerste) bezwaarschrift heeft ontvangen, te weten op 20 oktober 2021. De inspecteur heeft op 18 juli 2024 uitspraak op bezwaar gedaan. De rechtbank stelt vast dat de inspecteur in zijn verweerschrift heeft aangegeven dat de navorderingsaanslag Vpb over 2015 wordt verminderd, en dat dat ook tot gevolg heeft dat voor 2018 geen fiscaal belang resteert. Het verweerschrift is door de inspecteur op 28 februari 2025 bij de rechtbank ingediend, en op 13 maart 2025 door de rechtbank aan het (digitale) dossier toegevoegd. De rechtbank is van oordeel dat met het verweerschrift van de inspecteur het geschil over de belastingheffing ten einde is gekomen. Voor de berekening van de immateriële schadevergoeding dient daarom het tijdsverloop na 13 maart 2025 buiten beschouwing te blijven.
Belanghebbende heeft – uitgaande van € 500 per overschrijding van een half jaar (of een deel daarvan) – recht op een schadevergoeding van € 1.500. De procedure heeft afgerond 3 jaar en 5 maanden geduurd, waardoor de redelijke termijn met afgerond 1 jaar en 5 maanden is overschreden. Die overschrijding is gelegen in de bezwaarfase, zodat het gehele bedrag van € 1.500 voor rekening komt van de inspecteur.
Proceskostenvergoeding
De rechtbank stelt op grond van artikel 8:75a van de Awb de te vergoeden kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de beroepsfase vast op € 934. Dit bedrag is gebaseerd op toepassing van het tarief dat is vermeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934, een wegingsfactor 1 en factor 1 voor samenhang). Voor een integrale kostenvergoeding, waar belanghebbende eerder om had verzocht, ziet de rechtbank geen aanleiding.
Griffierecht
Belanghebbende heeft voor de beroepen € 371 aan griffierecht betaald aan rechtbank Gelderland. De wet biedt niet de mogelijkheid om in deze procedure de inspecteur te veroordelen tot het vergoeden van griffierecht. De inspecteur moet dat echter wel uit zichzelf doen (artikel 8:41, zevende lid, van de Awb).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A.C. Deeleman, griffier.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.