[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (het college), verweerder.
Inleiding
1. Met een besluit van 8 september 2025 (primair besluit) heeft het college aan eiseres een last onder bestuursdwang opgelegd die strekt tot het wegslepen van een voertuig en het verhalen van de kosten daarvan op eiseres. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt.
Met het bestreden besluit van 10 februari 2026 is het bezwaar van eiseres tegen het opleggen van de last onder bestuursdwang ongegrond verklaard en ten aanzien van het kostenverhaal gegrond, in die zin dat de kosten worden teruggebracht tot € 360,91 exclusief BTW.
Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 12 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft eiseres deelgenomen. Het college was, met een afmelding vooraf, niet aanwezig.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank stelt vast dat er sprake was van een overtreding. De auto van eiseres stond op 8 september 2025 op het [plein] waar een tijdelijk parkeerverbod gold. In beginsel heeft het college dan een plicht tot handhaving. In dit geval waren er geen bijzondere omstandigheden om daarvan af te zien. Het was noodzakelijk om het [plein] leeg te krijgen in verband met de opbouw van het [evenement] . Het college heeft dan ook terecht bestuursdwang toegepast door de auto van eiseres weg te slepen.
Volgens vaste rechtspraak gaan als regel de uitoefening van bestuursdwang en het kostenverhaal samen. Voor het maken van een uitzondering hierop kan aanleiding bestaan als de betrokkene geen verwijt valt te maken over de ontstane situatie en bij het ongedaan maken van de strijdige situatie het algemeen belang in die mate is betrokken dat het onevenredig is om de kosten voor rekening van de betrokkene te laten. Ook andere, bijzondere omstandigheden kunnen ervoor zorgen dat het bestuursorgaan uit een oogpunt van evenredigheid geheel of gedeeltelijk moet afzien van het kostenverhaal.
De rechtbank stelt vast dat toen eiseres op 1 september 2025 haar auto parkeerde, er nog geen bord stond dat een toekomstig tijdelijk parkeerverbod aangaf. Eiseres wist niks van het evenement en wist niet dat er een tijdelijk parkeerverbod zou gaan gelden. Voor het college bestaat er, alhoewel het wel aan te raden is, geen verplichting om de buurt hierover te informeren. Volgens vaste rechtspraak moet iemand die ergens voor langere tijd heeft geparkeerd met enige regelmaat (laten) controleren of de situatie is gewijzigd of zal wijzigen. De rechtbank acht het redelijk dat iemand tenminste eenmaal per week controleert of de parkeerregels ter plaatse zijn gewijzigd. Dit betekent dat eiseres op 8 september 2025 had moeten controleren of de situatie was gewijzigd, maar toen was haar auto ’s morgens vroeg al weggesleept. Daar komt nog bij dat pas op 3 september 2025 de borden zijn geplaatst. Dat is relatief kort voor het parkeerverbod inging. Ambtshalve is bekend dat meestal minimaal een week van tevoren een bord wordt geplaatst. Onder de geschetste omstandigheden is het naar het oordeel van de rechtbank onevenredig om de kosten voor rekening van eiseres te laten.
Conclusie en gevolgen
3. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt. De last onder bestuursdwang is terecht, maar het kostenverhaal niet. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen, voor zover het de kosten van de bestuursdwang betreft. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door het bezwaar gegrond te verklaren en het primaire besluit te herroepen voor zover daarin de kosten van bestuursdwang voor rekening van eiseres zijn gebracht. Het primaire besluit blijft voor het overige in stand. Het college moet dus het betaalde bedrag voor het wegslepen van de auto aan eiseres terugbetalen.
4. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, moet het college het door eiseres betaalde griffierecht van € 200,- vergoeden. Niet is gebleken dat eiseres proceskosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2026 door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M.E. Strijbos, griffier en wordt geanonimiseerd gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.