Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummers: 02-259725-24; 02-169864-25; 09-099452-25 (gev. ttz)
Vonnis van de meervoudige kamer van 10 februari 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2005,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,
raadsman mr. J. van Rooijen, advocaat te Tilburg.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 27 januari 2026, waarbij de officier van justitie mr. I.M. Peters en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.
2. De tenlasteleggingen
De tenlasteleggingen zijn als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
02-59725-24
op 31 juli 2024 te Tilburg heeft gepoogd een diefstal met (bedreiging van) geweld te plegen;
02-169864-25
op 6 februari 2025 te Rijen goederen van de Albert Heijn heeft gestolen;
09-099452-25
op 17 januari 2025 te Den Haag een geldbedrag van € 1.650,23 heeft witgewassen.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten onder parketnummers 02-259725-24 en 02-169864-25 heeft gepleegd. De officier van justitie verzoekt verdachte vrij te spreken ten aanzien van het witwassen (parketnummer 09-099452-25) omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het witwassen. Het dossier is te summier en bevat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De diefstal van de goederen bij de Albert Heijn kan, gelet op de verklaring van verdachte en de overige stukken uit het dossier, wel worden bewezen. De verdediging verzoekt ten aanzien van de poging overval aansluiting te zoeken bij de verklaringen van verdachte die hij heeft afgelegd bij de politie en de rechter-commissaris. Verdachte heeft toen niet verklaard over een stoot tegen de borst met zijn elleboog of over het dreigen met een mes. Dit volgt enkel uit de aangifte en het dossier biedt onvoldoende verdere ondersteuning voor deze onderdelen uit de verklaring van aangeefster. Gelet hierop kan enkel worden bewezen dat verdachte aangeefster heeft geduwd, zodat er dus sprake was van beperkt geweld en hij van de overige onderdelen in de tenlastelegging partieel moet worden vrijgesproken.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
02-259725-24
Als hoger beroep wordt ingesteld, zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.
02-169864-25
Aangezien verdachte ten aanzien van het feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid Sv en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 27 januari 2026;
- de aangifte van [persoon] namens Albert Heijn Rijen van 6 februari 2025.
09-099452-25
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs ten aanzien van
parketnummer 02-259725-24
Verdachte wordt verweten dat hij op 31 juli 2024 heeft gepoogd [cafetaria] te overvallen en dat hij daarbij geweld heeft gebruikt tegen [aangeefster] dan wel daarmee heeft gedreigd.
Aangeefster heeft - kort gezegd – verklaard dat verdachte binnenkwam en doorliep naar de balie. Verdachte zei dat hij geld wilde hebben. Aangeefster probeerde verdachte te stoppen en te voorkomen dat hij achter de balie bij de kassa zou komen. Hierop pakte zij hem van achter met beide armen vast. Verdachte gaf haar met zijn elleboog een klap tegen de borst waardoor zij pijn had en losliet. Daarna liep verdachte door, pakte de kassa vast en probeerde de lade eruit te krijgen. Opnieuw pakte aangeefster hem vast, zo verklaart zij verder, en verdachte greep toen een mes van de balie dat hij op haar richtte. Verdachte vroeg waar het briefgeld was. Hij bleef aan de kassa trekken, totdat deze op de grond viel en het muntgeld eruit viel. Hierna rende verdachte om de balie heen naar buiten.
Verdachte heeft bekend dat hij de cafetaria is ingelopen met het doel briefgeld mee te nemen, maar hij ontkent grotendeels het gebruik van en de dreiging met het door aangeefster genoemde geweld.
De rechtbank stelt vast dat de verklaring van aangeefster op meerdere punten wordt ondersteund door de verklaring van verdachte zelf. Ook voor de onderdelen die verdachte ontkent, te weten de stoot tegen de borst met de elleboog, het richten met een mes op aangeefster en het roepen “waar is het briefgeld?”, ziet de rechtbank ondersteuning in hetgeen hij heeft verklaard. Ter zitting heeft verdachte namelijk verklaard aangeefster een duw met zijn elleboog te hebben gegeven, zodat hij kon loskomen omdat zij zijn armen vast had. Hierna zou aangeefster hem hebben losgelaten. Ook heeft hij ter zitting verklaard dat hij een mes van de balie had gepakt en hij het zich kan voorstellen dat aangeefster bang was toen hij het mes pakte. Verder heeft hij verklaard specifiek op zoek te zijn geweest naar briefgeld, hetgeen bevestiging vindt in het feit dat verdachte ook is vertrokken nadat duidelijk werd dat de kassa alleen muntgeld bevatte. De rechtbank heeft geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van aangeefster en ziet in de verklaring van verdachte juist in voldoende mate ondersteuning hiervoor.
Alles afwegende acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de poging tot diefstal met geweld en bedreiging van geweld heeft gepleegd, waaronder ook de stoot met de elleboog en de bedreiging met een mes.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
02-259725-24
op 31 juli 2024 te Tilburg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een hoeveelheid gelddat aan [aangeefster] , toebehoorde weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen vergezellen van geweld en bedreiging met geweld tegen die voornoemde [aangeefster] , te plegen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door die [aangeefster] met een elleboog tegen de borst te stoten en een mes, in de richting van die [aangeefster] te houden en/of te tonen endie [aangeefster] de woorden te voegen: “waar is het briefgeld”, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
02-169864-25
op 6 februari 2025 te Rijen , gemeente Gilze en Rijen , vier, blikken/pakken babyvoeding (merk Nutrilon, type duo balans opvolgmelk 2), die aan de Albert Heijn toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van 120 uur met aftrek van voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf van tien maanden met een proeftijd van twee jaar. Daarbij vordert zij ook de oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering met uitzondering van het locatieverbod.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt expliciet rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte waaronder zijn jonge leeftijd, het gebrek aan noodzakelijke hulp wegens wachtlijsten en de positieve ontwikkeling die hij in de afgelopen periode heeft doorgemaakt. Bovendien volgen er uit het reclasseringsadvies ook indicatoren voor de toepassing van het adolescentenstrafrecht. De verdediging verzoekt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest op te leggen en een voorwaardelijke gevangenisstraf tussen de drie en zes maanden. De geadviseerde bijzondere voorwaarden acht de verdediging passend, met uitzondering van het locatieverbod.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee strafbare feiten, te weten een poging overval en een winkeldiefstal. Verdachte is de cafetaria binnengekomen, heeft geroepen om geld en toen het slachtoffer hem probeerde tegen te houden een klap tegen haar borst gegeven en haar bedreigd met een mes. Dergelijke feiten hebben vaak veel impact op een slachtoffer en brengen een gevoel van onveiligheid in de samenleving met zich mee. Verdachte heeft door het plegen van deze feiten er blijk van gegeven weinig respect te hebben voor de eigendommen van anderen en heeft daarmee voor schade en overlast gezorgd. Hij heeft hierbij niet stilgestaan en enkel oog gehad voor zijn eigen belang, namelijk het op een snelle manier geld maken.
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 8 december 2025 waaruit blijkt dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten met justitie in aanraking is gekomen.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het rapport van de reclassering van 13 januari 2026. Hieruit volgt dat verdachte een jongeman is die begeleiding nodig heeft om zich in het dagelijkse leven staande te houden. Hij heeft onder meer dagelijkse aansturing nodig om op tijd naar zijn werk te gaan, overzicht te houden over zijn financiën en bijvoorbeeld boodschappen te doen. Verdachte heeft vooralsnog 24-uurs begeleiding nodig en een intensieve behandeling waarvoor hij is aangemeld bij het ambulante behandelteam van [zorginstelling 1] . De begeleiding van [zorginstelling 2] , waar verdachte sinds juni 2025 verblijft, ziet een introvert persoon die een strak begeleidingskader nodig heeft, waarbij ook sprake moet zijn van woonbegeleiding en ambulante behandeling om het recidiverisico laag te houden. Bij de start van het toezicht waren er geen of nauwelijks beschermede factoren en stond het leven van verdachte in het teken van overleven. Sinds zijn verblijf bij [zorginstelling 2] en met behulp van dagelijkse ondersteuning heeft verdachte, met vallen en opstaan, meer structuur in zijn leven weten op te bouwen en werkt hij aan het leren van praktische en sociale vaardigheden. De reclassering ziet indicaties voor het toepassen van het jeugdstrafrecht op het gebied van handelingsvaardigen. Verdachte functioneert vermoedelijk op een lager niveau, hij kan zijn gedrag beperkt organiseren, is slecht in het inschatten van de risico’s van zijn eigen handelen en was ten tijde van het ten laste gelegde feit beïnvloedbaar door familieleden. Op het gebied van pedagogische mogelijkheden ziet de reclassering echter geen indicaties meer en zij adviseert, ook vanwege de reeds ingezette interventies binnen het volwassenkader, het volwassenstrafrecht toe te passen. Daarbij adviseert zij verschillende bijzondere voorwaarden op te leggen, namelijk een meldplicht, ambulante behandeling, begeleid wonen, een contact- en locatieverbod, dagbesteding en beheersing van het middelengebruik.
De rechtbank neemt dit advies over en zal niet afwijken van het uitgangspunt van het toepassen van volwassenenstrafrecht bij volwassen verdachten. Gelet op de ernst van de feiten zou een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel in de rede liggen, ook gelet op de LOVS-oriëntatiepunten. Echter, de rechtbank ziet aanleiding om hiervan af te wijken en overweegt daartoe als volgt. Met het oog op de jonge leeftijd van verdachte en vooral ook gezien de inhoud van het advies van de reclassering wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in dit geval niet passend geacht. Daarnaast lijkt verdachte het feit mede te hebben gepleegd vanwege het uitblijven van begeleiding en behandeling en zijn leven werd destijds gekenmerkt door instabiliteit op meerdere essentiële leefgebieden. Sinds het schorsingstoezicht ontvangt verdachte de benodigde hulp en begeleiding, laat verdachte inzet zien en maakt hij een positieve ontwikkeling door. Gelet hierop, maar ook kijkend naar de ernst van de feiten en ter voorkoming van recidive, acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf in deze zaak passend en geboden. Deze voorwaardelijke straf dient verdachte er van te weerhouden zich in de toekomst opnieuw schuldig te maken aan strafbare feiten en maakt het opleggen van de geadviseerde bijzondere voorwaarden mogelijk. De rechtbank acht het namelijk van groot belang dat verdachte de begeleiding en behandeling blijft ontvangen die hij zo nodig heeft. Ook de overige door de reclassering geadviseerde voorwaarden acht de rechtbank van belang om recidive te voorkomen en de positieve toekomstgerichte ingeslagen weg te laten voortduren om uiteindelijk een stabiel leven te krijgen en vast te kunnen houden. Vanwege de hierboven genoemde persoonlijke omstandigheden van verdachte zal de rechtbank het voorwaardelijk deel matigen ten opzichte van de eis van de officier van justitie.
Alles afwegende acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 120 uur met aftrek van voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met een proeftijd van twee jaar passend en geboden.
Voor het berekenen van de aftrek van het voorarrest volgt uit artikel 84 Sv dat de tijd die is verstreken tussen de aanhouding en de opheffing van de schorsing niet in mindering wordt gebracht op de termijn gedurende welke het bevel tot voorlopige hechtenis na de opheffing van de schorsing nog van kracht is. Pas vanaf het moment van de beslissing tot opheffing van de schorsing begint de termijn van de voorlopige hechtenis weer te lopen en tellen de dagen mee voor het berekenen van het aantal dagen van voorarrest.
Hieraan worden de bijzondere voorwaarden van de meldplicht, ambulante behandeling, begeleid wonen, vinden en behouden van dagbesteding, beheersing van het middelengebruik en een contactverbod met aangeefster gekoppeld. Het geadviseerde locatieverbod acht de rechtbank niet noodzakelijk en neemt zij niet over.
7. De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [aangeefster] vordert een schadevergoeding van € 6.950,- voor het ten laste gelegde feit onder parketnummer 02-259725-24.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
De verdediging heeft de vordering gemotiveerd betwist en de benadeelde partij heeft de vordering niet onderbouwd. De benadeelde partij in de gelegenheid stellen om de vordering alsnog van een onderbouwing te voorzien, zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan desgewenst de vordering bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 57, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. Beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde feit onder parketnummer 09-099452-25;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
02-259725-24: diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen
personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken
02-169864-25: diefstal
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;
- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
* dat verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door [zorginstelling 1] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling, ook als dit FACT-begeleiding betreft. De behandeling start zo spoedig mogelijk op het moment dat de reclassering dit nodig acht. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
* dat verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft bij [zorginstelling 2] of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt. Ook zal verdachte meewerken aan een verblijf bij een dergelijke instelling naar terugkeer regio waar hij vandaan komt of afschaling in begeleidingszwaarte;* dat verdachte op geen enkele wijze - direct of indirect – contact heeft of zoekt met [aangeefster] , geboren op [geboortedag 2] 1979 te [geboorteplaats 2] (China), zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;* dat verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;* dat verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik van cannabis en/of het gebruik te leren beheersen van cannabisgebruik. Deze controles bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;
- stelt vast dat van rechtswege de volgende voorwaarden gelden:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de van rechtswege geldende voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 120 (honderdtwintig) uur;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 (zestig) dagen;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf naar rato van 2 uur per dag;
Benadeelde partij
- verklaart de benadeelde partij [aangeefster] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.E. Dekker, voorzitter, en mr. P.E. van Althuis en
mr. S.P.W. van Dooren, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.A. Lequin, griffier en is uitgesproken ter openbare zitting op 10 februari 2026.
Bijlage I: De tenlasteleggingen
02-259725-24
hij op of omstreeks 31 juli 2024 te Tilburg, althans in Nederland,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omeen hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangeefster][aangeefster] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerkom het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doenvoorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreigingmet geweld tegen die voornoemde [aangeefster] , te plegen met het oogmerk om diediefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping opheterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van hetgestolene te verzekeren,door die [aangeefster] met een elleboog tegen de borst, althans het lichaam te duwenen/of te stoten en/ofdie [aangeefster] tegen het lichaam te duwen en/ofeen mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp vast te houden en/of in derichting van die [aangeefster] te houden en/of te tonen en/of (daarbij) die [aangeefster] dewoorden te voegen: “waar is het briefgeld”, althans woorden van gelijke aard en/ofstrekking,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
02-169864-25
hij op of omstreeks 6 februari 2025 te Rijen , gemeente Gilze en Rijen , althans inNederland, vier, althans een of meerdere blikken/pakken babyvoeding (merkNutrilon, type duo balans opvolgmelk 2), in elk geval enig goed, dat/die geheel often dele aan de Albert Heijn, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeftweggenomenmet het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
09-099452-25
hij op of omstreeks 17 januari 2025, te 's-Gravenhage(van) een geldbedrag (te weten € 1.650,23), althans een of meer voorwerpen
Sub a- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of deverplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /dievoorwerp(en) was/waren, en/of- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhandenhad(den)
Sub b- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet,en/of- gebruik heeft gemaaktterwijl hij, verdachte, wist dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk -afkomstig was/waren uit enig misdrijf.