ECLI:NL:RBZWB:2026:8010

ECLI:NL:RBZWB:2026:8010

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 20-08-2026
Datum publicatie 21-08-2026
Zaaknummer BRE 23/3216, BRE 23/3217, BRE 23/3218, BRE 23/3219, BRE 23/3220, BRE 23/3221, BRE 23/3222. BRE 23/3223
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Aan belanghebbende zijn navorderingsaanslagen IB/PVV opgelegd over de jaren 2014 tot en met 2017 in verband met bedragen die belanghebbende in deze jaren op zijn bankrekening heeft ontvangen. Over de jaren 2016 en 2017 heeft de inspecteur vergrijpboeten opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat voor ieder van de jaren sprake is van een nieuw feit. Er zijn geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de inspecteur eerder al op de hoogte was van de ontvangsten op de bankrekening. Voor het jaar 2017 was verder geen sprake van een ambtelijk verzuim, omdat de aangifte al was verwerkt vóór de aanvang van het boekenonderzoek. Het betoog van belanghebbende dat de bedragen niet aan hem toekwamen, maar moesten worden doorbetaald volgt de rechtbank niet. De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende aanzienlijke bedragen van klanten heeft ontvangen en dat deze bedragen aan belanghebbende toekwamen. Naar het oordeel van de rechtbank vormen de ontvangsten belastbaar inkomen. Dit brengt mee dat belanghebbende niet de vereiste aangiften heeft gedaan. De navorderingsaanslagen zijn naar het oordeel van de rechtbank opgelegd op basis van een redelijke schatting. Belanghebbende heeft niet doen blijken dat de schatting te hoog is. De rechtbank oordeelt dat de navorderingsaanslagen terecht en niet tot te hoge bedragen zijn opgelegd. Ook de vergrijpboeten zijn naar het oordeel van de rechtbank terecht opgelegd.

Uitspraak

[belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. C.U. Mons),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 1 mei 2023.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2014 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 100.628. Gelijktijdig met de navorderingsaanslag IB/PVV over 2014 heeft de inspecteur belanghebbende € 7.239 belastingrente in rekening gebracht. Verder heeft de inspecteur voor het jaar 2014 een navorderingsaanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 51.414. Gelijktijdig met de navorderingsaanslag Zvw over 2014 heeft de inspecteur belanghebbende € 499 belastingrente in rekening gebracht.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2015 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 273.096. Gelijktijdig met de navorderingsaanslag IB/PVV over 2015 heeft de inspecteur belanghebbende € 22.215 belastingrente in rekening gebracht. Verder heeft de inspecteur voor het jaar 2015 een navorderingsaanslag Zvw opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 15.674. Gelijktijdig met de navorderingsaanslag Zvw over 2015 heeft de inspecteur belanghebbende € 130 belastingrente in rekening gebracht.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2016 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 204.537. Gelijktijdig met de navorderingsaanslag IB/PVV over 2016 heeft de inspecteur belanghebbende € 16.706 belastingrente in rekening gebracht. Verder heeft de inspecteur voor het jaar 2016 een navorderingsaanslag Zvw opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 28.661. Gelijktijdig met de navorderingsaanslag Zvw over 2016 heeft de inspecteur belanghebbende € 267 belastingrente in rekening gebracht.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2017 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 288.893 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 500. Gelijktijdig met de navorderingsaanslag IB/PVV over 2017 heeft de inspecteur belanghebbende € 18.147 belastingrente in rekening gebracht. Verder heeft de inspecteur voor het jaar 2017 een navorderingsaanslag Zvw opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 32.512. Gelijktijdig met de navorderingsaanslag Zvw over 2017 heeft de inspecteur belanghebbende € 227 belastingrente in rekening gebracht.

Gelijktijdig met de navorderingsaanslagen IB/PVV over 2016 en 2017 heeft de inspecteur vergrijpboeten opgelegd van € 45.000 respectievelijk € 55.000 (de boetebeschikkingen).

De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft de beroepen op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, de gemachtigde van belanghebbende en, namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] , drs. [inspecteur 2] , mr. [inspecteur 3] en [inspecteur 4] .

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslagen IB/PVV en de navorderingsaanslagen Zvw terecht en niet tot te hoge bedragen zijn opgelegd. Verder beoordeelt de rechtbank of de belastingrentebeschikkingen en de boetebeschikkingen terecht en niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

De rechtbank is van oordeel dat de navorderingsaanslagen IB/PVV, de navorderingsaanslagen Zvw en de belastingrentebeschikkingen terecht en niet tot te hoge bedragen zijn opgelegd. De boetebeschikkingen zijn eveneens terecht opgelegd, maar de rechtbank ziet wel aanleiding om deze te verminderen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende was tot en met februari 2017 in loondienst bij [bedrijf 1] N.V., gevestigd te [plaats 2] in België ( [bedrijf 1] ). [bedrijf 1] had als hoofdactiviteit het vervaardigen van houten elementen, zoals parketvloeren, deuren, gevelbekleding en houten traptreden. Belanghebbende verrichtte bij [bedrijf 1] werkzaamheden als vertegenwoordiger. Het werkgebied van belanghebbende was in Nederland.

Op 6 maart 2017 is [bedrijf 1] failliet verklaard.

De zoon van belanghebbende, de heer [zoon belanghebbende] (de zoon), drijft een eenmanszaak onder de naam [bedrijf 2] . De activiteiten van [bedrijf 2] betreffen een detailhandel in parket-, wand- en vloerbedekking alsmede het leggen van vloeren.

De inspecteur heeft op 12 december 2017 een intern renseignement ontvangen (het renseignement). Het renseignement heeft betrekking op een factuur van [bedrijf 3] en is gericht aan ‘ [bedrijf 4] ’ (de factuur van [bedrijf 3] ). De factuur vermeldt onder meer het volgende:

“ [bedrijf 3]

[adres]

[postcode] [plaats 1]

(…)

kvk nr: [kvk-nummer]

BTW nr.: [btw-nummer]

(…)

[plaats 1] , 23-5-2017

Fac. Nr. [factuurnummer]

[bedrijf 4] Onderhoud

(…)

Factuur

205m2 Visgraat eiken(…) 7175,00

205m2 spaanplaat 12mm(…) 1025,00

14m2 eiken banden(…) 490,00

400 m2 wenge biezen(…) 640,00

205kg lijm(…) 922,50

50 l lak(…) 1440,00

20 l voegenkit(…) 240,00

11932,50

Btw 2505,83

Totaalprijs inclusief BTW € 14438,33

zoals besproken graag p.omgaande overmaken op rek.nr. [rekeningnummer 1] (…)”

Het op de factuur vermelde bankrekeningnummer staat op naam van belanghebbende.

Naar aanleiding van het renseignement heeft de inspecteur op 7 februari 2018 een boekenonderzoek over het jaar 2017 ingesteld bij de zoon. In het bijbehorende controlerapport van 3 februari 2022 wordt onder meer vermeld:

“Bij het onderzoek is beoordeeld of de [factuur van [bedrijf 3] ] in de aangegeven omzet van de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017 is begrepen

(…)

Bij het onderzoek heb ik het volgende geconstateerd:

Het inschrijfnummer K.v.K. en het btw nummer op de factuur komen overeen met de gegevens van [de zoon]. Op de factuur is vermeld: "Zoals besproken graag per ommegaande overmaken op rek.nr. NL [rekeningnummer 2] t.n.v. [belanghebbende] .” Deze bankrekening staat op naam van [belanghebbende].

Ik heb de factuur aan [de zoon] getoond. Hij verklaarde niets van deze factuur te weten en al sinds vele jaren geen gebruik meer te maken van de handelsnaam [bedrijf 3] .

Tijdens het door mij ingestelde derdenonderzoek bij [persoon 2] Onderhoudswerkzaamheden B.V. te [plaats 3] heb ik het volgende geconstateerd:

De betreffende factuur is voldaan door betaling op bankrekeningnummer [rekeningnummer 3] .

1e betaling: 07-06-2017 € 7.483,33

2e betaling: 08-06-2017 € 7.000,00

Op 2 maart 2020 heeft bij [accountant] (adviseur van [belanghebbende]) een bespreking plaatsgevonden (…)

Tijdens deze bespreking heeft [belanghebbende] verklaard de betreffende factuur te hebben opgemaakt. Tevens heeft hij verklaard de betreffende betalingen te hebben ontvangen en dat deze aan hem toekomen. De betreffende factuur komt daarom niet in de administratie van [de zoon] voor en maakt geen deel uit van de door hem verantwoorde omzet.”

De inspecteur heeft bij brief van 26 maart 2018 een boekenonderzoek bij belanghebbende aangekondigd. Het eerste gesprek tussen de inspecteur en belanghebbende heeft op 3 april 2018 ten kantore van de Belastingdienst plaatsgevonden. Tot de gedingstukken behoort een gespreksverslag hiervan, waarin onder meer is vermeld:

“Met betrekking tot de factuur van [bedrijf 3] , factuurdatum 23-05-2017 heeft [belanghebbende] het volgende verklaard:

De betaling van de factuur is door mij ontvangen op het op de factuur vermelde bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] . Ik ben in loondienst werkzaam geweest bij diverse bedrijven die handelen in houten vloeren. Hierdoor heb ik goede contacten met leveranciers in o.a. België en Frankrijk. Bij bestellingen door voor hun onbekende klanten verlangden deze leveranciers dat de te leveren vloer vooruit werd betaald. Om klanten tegemoet te komen betaalde ik dan wel eens zelf de vloer vooruit. Bij de levering aan de [bedrijf 4] is dat ook op deze manier gegaan.

Ik heb [belanghebbende] gevraagd waarom hij een factuur heeft opgemaakt op naam van [bedrijf 3] . Hij verklaarde hierover het volgende:

Deze factuur heb ik niet zo opgemaakt. Wellicht is hij vervalst of aangepast. Soms maak ik wel een offerte, maar nooit een factuur. Belanghebbende overhandigde mij een bankafschrift waarop is te zien dat de betaling op 7 juni 2017 is bijgeschreven in 2 gedeelten te weten: € 7.483,33 en € 7.000,00. Op 8 juni 2017 is volgens hetzelfde afschrift € 8.000 contant opgenomen. Volgens belanghebbende heeft hij dit bedrag opgenomen om een gedeelte van de betaalde factuur aan de heer [persoon 2] terug te betalen, omdat de heer [persoon 2] dit zo wilde. Of hij het volledige bedrag van € 8.000 terugbetaald heeft weet hij niet meer. Het kan zijn dat hij een gedeelte van de opname heeft gebruikt voor privé uitgaven. Verder verklaarde belanghebbende dat hij zich niet kan voorstellen dat hij 205m2 visgraat vloer geleverd heeft. Hij zou nimmer zulke grote hoeveelheden leveren. Ook zou hij de op de factuur vermelde bij-artikelen zoals lak, lijm en kit niet geleverd hebben.”

De inspecteur heeft bij brieven van 21 juni 2018 een historisch overzicht van alle mutaties over de periode 1 januari 2013 tot en met 31 december 2017 van de rekeningen van belanghebbende bij de ING Bank en de ABN AMRO Bank opgevraagd. Ter zake van de gegevens van de ING-bankrekening heeft de inspecteur een overzicht overgelegd van alle mutaties van deze rekening (het mutatieoverzicht). In het mutatieoverzicht staat dat in de periode 1 januari 2014 tot en met 31 december 2017 bedragen op de rekening van belanghebbende zijn gestort. De bijschrijvingen zijn afkomstig van ondernemers en particulieren en hebben volgens de omschrijving op de bankafschriften betrekking op de levering en/of het leggen van houten/parket vloeren, lamellen, oliën, lak, etc.

Uit het mutatieoverzicht volgt voorts dat belanghebbende na het faillissement van [bedrijf 1] betalingen op zijn bankrekening heeft ontvangen. Tot de gedingstukken behoort een gespreksverslag van 3 juni 2021, waarin ter zake hiervan het volgende is vermeld:

“Aan [belanghebbende] een verklaring gevraagd voor het grote aantal betalingen na het faillissement van [ [bedrijf 1] ] in februari 2017. Daarna hebben tot en met december 2017 nog een groot aantal betalingen aan [belanghebbende] plaatsgevonden. Volgens [belanghebbende] betroffen het te late betalingen door wanbetalers.”

Uit het mutatieoverzicht volgen de volgende bijschrijvingen en contante stortingen voor de betreffende jaren:

Jaar

Aantal bijschrijvingen

Totaal bijgeschreven

Contante stortingen

2014

124

€ 208.501

€ 16.600

2015

177

€ 417.913

€ 11.600

2016

164

€ 357.369

€ -

2017

186

€ 435.414

€ -

Uit het mutatieoverzicht volgt dat belanghebbende vanuit zijn bankrekening diverse kosten heeft betaald, zoals inkopen in binnen- en buitenland, kosten voor transport, kosten voor de huur van bedrijfsruimte, lonen en overige kosten. Dit kan als volgt worden samengevat:

Kosten

2014

2015

2016

2017

Inkopen binnenland

€ 24.511

€ 36.559

€ 35.626

€ 53.256

Inkopen buitenland (EU)

€ 53.979

€ 47.491

€ 48.370

€ 21.384

Transportkosten

€ 2.014

€ 890

€ 345

€ 1.442

Huur bedrijfsruimte

€ 7.383

€ 5.100

€ 5.100

€ 4.675

Overige kosten

€ 561

€ 635

€ 654

€ 805

Lonen

€ 7.978

€ 10.368

€ 17.311

€ 3.740

Totaal

€ 96.426

€ 101.043

€ 107.406

€ 85.302

De inspecteur heeft in november 2018 derdenonderzoeken verricht bij [bedrijf 7] te [plaats 4] , Fa. [bedrijf 5] te [plaats 4] en [bedrijf 6] te [plaats 1] . De inspecteur heeft daarbij vastgesteld dat in de periode 1 januari 2014 tot en met 31 december 2017 door deze drie ondernemers, met betrekking tot 80 facturen afkomstig van [bedrijf 3] , 57 betalingen zijn gedaan op de bankrekening van belanghebbende.

De officier van justitie van het Openbaar Ministerie te ’s-Hertogenbosch heeft met dagtekening 11 november 2019 aan belanghebbende een strafbeschikking opgelegd. Dit betrof een taakstraf van 30 uren, in verband met het opmaken van een valse factuur op 23 mei 2017 en zag op een factuur van [bedrijf 3] .

Tot de gedingstukken behoort een brief van belanghebbende aan de inspecteur van 14 november 2019. In die brief verklaart belanghebbende onder meer:

“lk stond in contact met de fabriek en chauffeur, omdat ik snel kon zien of het geld binnen was.

Geld overmaken naar België duurde wat langer, daarom werd het naar mij overgemaakt. Ivm. (snelle) leveringen.

Het geld kwam (deels) op mijn rek. binnen, maar ging er gelijk weer af, naar de fabriek waar het voor was.”

In de bijlage bij die brief verklaart belanghebbende onder meer:

“lk werkte voor de fabrieken [bedrijf 8] / [bedrijf 9] enz. 45 jaar

lk zorgde v d verkoop en voor het geld ,dat laatste was belangrijk , altijd onder zware druk gewerkt.

Ik was in loondienst, maar ik regelde eigenlijk alles hier in Nederland

Klanten maakten al 45 jaar het geld naar mij over, omdat er toen nog geen iban nrs. waren, geen extra kosten, en zo is dat routine geworden.

(…)

Ik maakte pro forma facturen/offertes voor de voorschotten ook wel eens voor bouwdepots enz.

Achteraf gezien had er nooit factuur op moeten staan.

Vroeger schreef ik de bevestigingen met pen/papier, en later ook wel gedaan op espo papier, maar het waren altijd voorlopige bevestigingen/bewijzen ,

Originele facturen kwamen altijd later van de fabriek.

Facturen zeker niet vervalst.. ik pakte juist espo papier, omdat daar niets meer mee gedaan werd, alles moest altijd snel snel en nog eens snel. lk heb er niet bij stilgestaan, had ik misschien niet moeten doen, dom van mij.”

Tot de gedingstukken behoort het gespreksverslag van de bespreking van 2 maart 2020. Daarin is voorts onder meer vermeld:

“[Belanghebbende] bleef bij zijn verklaring dat hij zelf niets heeft verdiend aan de transacties. Hij zou uitsluitend bedragen hebben voorgeschoten voor klanten van zijn toenmalige werkgever [bedrijf 1] (gevestigd in België) in verband met geleverde vloeren. De klanten betaalden de voorgeschoten bedragen volgens [belanghebbende] aan hem terug. Dat hij hiervoor oude verkoopfacturen van [bedrijf 3] gebruikte was volgens hem geen kwade bedoeling.”

Tot de gedingstukken behoort een ondertekende verklaring van de heer [bedrijf 1] van 4 september 2020, waarin onder meer staat vermeld:

“Geachte heer [persoon 1] ,

(…)

In uw functie was u als vertegenwoordiger verantwoordelijk voor de verkopen van houten vloeren in Nederland. Klanten betaalden regelmatig rechtstreeks op uw prive rekening waarna u de bedragen contant opnam en op kantoor te [plaats 2] afdroeg en de bonnen werden afgetekend. Dit had vooral te maken met het feit dat wij niet langer een Nederlands rekeningnummer aanhielden. Deze werkmethode hebben wij dan nadien op deze wijze uitgevoerd.”

Tot de gedingstukken behoren twee ondertekende verklaringen van de heer [persoon 3] en de heer [persoon 4] van respectievelijk 9 en 15 september 2020. De verklaringen zijn voor wat betreft tekst en opmaak identiek en luiden:

“Geachte heer [persoon 1] ,

Hierbij bericht ik jou dat de afgelopen jaren diverse keren – bij wijze van vriendendienst – materialen van mij contant hebt afgerekend, waarna ik deze materialen zodra de liquiditeit het toelaat aan jou werden terug betaald. Hetzij per bank, hetzij cash. In sommige gevallen verzocht je mij mijn klanten rechtstreeks aan jou te laten betalen zodat mijn schuld daarmee werd ingelost.”

De inspecteur heeft belanghebbende op 29 januari 2021 in kennis gesteld van zijn voornemen om vergrijpboeten op te leggen met betrekking tot de jaren 2016 en 2017.

De bevindingen van het boekenonderzoek bij belanghebbende zijn opgenomen in het controlerapport van 5 november 2021. Hier wordt onder meer het volgende vermeld:

“Tijdens het onderzoek bij [de zoon] heb ik geconstateerd dat de bedoelde factuur niet in de administratie voorkwam. [De zoon] verklaarde dat hij de betreffende factuur niet had opgemaakt. Verder verklaarde hij dat hij de onderneming [bedrijf 3] in 2003 heeft overgenomen en dat hij slechts tot kort na de overname gebruik maakte van facturen uit naam van [bedrijf 3] in verband met leveringen van producten voor de behandeling van oliën en lakken.”

Per e-mailbericht van 4 oktober 2021 heeft de heer [bedrijf 1] de volgende antwoorden gegeven op vragen van de inspecteur:

“(…)

1. [Belanghebbende] was vertegenwoordiger voor Nederland. Hij verkocht voornamelijk aan een bestaande klantenbasis toen hij bij [bedrijf 1] kwam werken.

2. Het goederentransport verliep via verschillende, voornamelijk Nederlandse transporteurs.

3. [Belanghebbende] zorgde voor inning van bedragen voor een aantal [bedrijf 1] klanten welke liever aan hem betaalden dan rechtstreeks aan het bedrijf. [bedrijf 1] had namelijk zijn Nederlandse rekening opgezegd daar het oor Nederlandse klanten niet langer een bijkomende kost gaf om naar het buitenland te betalen.

4. Facturen werden idd vanuit België per post of digitaal verstuurd.

5. De klantenkring bestond uit vnl parkethandel en parketgroothandel.

Bovenstaande verklaar ik onder voorbehoud van al mijn rechten en zonder enige nadelige erkentenis.”

Bij het vaststellen van de navorderingsaanslagen heeft de inspecteur de volgende bedragen als resultaat uit overige werkzaamheden (ROW) in aanmerking genomen:

Ontvangsten

2014

2015

2016

2017

Per bank ontvangen omzet

€ 191.901

€ 406.313

€ 357.369

€ 435.414

Contante stortingen

€ 16.600

€ 11.600

Totaal ontvangsten

€ 208.501

€ 417.913

€ 357.369

€ 435.414

Af: omzetbelasting

€ 36.186

€ 72.530

€ 62.022

€ 75.567

Netto ontvangsten

€ 172.315

€ 345.383

€ 295.347

€ 359.847

Af: betaling kosten

€ 96.426

€ 101.043

€ 107.406

€ 85.302

ROW

€ 75.889

€ 244.340

€ 187.941

€ 274.545

In het bezwaarschrift ter zake van het belastingjaar 2014 staat onder meer het volgende vermeld:

“(…)

De werkwijze van [bedrijf 1] N.V. was – bij nader inzien – wellicht anders dan gebruikelijk is binnen de branche. Indien cliënt een verkoop voor [bedrijf 1] realiseerde bij een Nederlandse klant werd veelal door [bedrijf 1] verzocht de bestelde artikelen voor aflevering contant met de klant af te rekenen of voor levering te laten storten op de privé rekening van cliënt om zodoende het debiteurenrisico uit te sluiten en vanwege het feit dat [bedrijf 1] N.V. in Nederland geen bankrekening aanhield. [persoon 1] checkte voor aflevering zijn bankbijschrijvingen en gaf vervolgens akkoord aan de transporteur voor aflevering. De (contante) verkoopopbrengsten werden eens per week op het kantoor te [plaats 2] door cliënt afgestort bij de verantwoordelijke. Ontvangstbewijzen van afstorting ontving cliënt niet en hij heeft daar ook niet om gevraagd nu dat geen belang diende.

(…)

Voorts kwam het – vanwege de jarenlange contacten met parketteurs – sporadisch voor dat cliënte (om zijn verkooptargets bij [bedrijf 1] te kunnen halen) leveringen zelf voorschoot als een parketteur niet in de positie was zijn levering direct af te rekenen. In dat geval betaalde de parketteur client later terug of werd de klant van de parketteur verzocht rechtstreeks aan client te betalen. Feitelijk was aldus sprake van een kortstondige lening.”

Motivering

Standpunten van partijen

4. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur de navorderingsaanslagen ten onrechte heeft opgelegd. Voor alle jaren is volgens belanghebbende geen sprake van een nieuw feit. Voor het jaar 2015 voert belanghebbende hiertoe aan dat sprake is van een ambtelijk verzuim, omdat de toename van het vermogen in 2015 voor de inspecteur reden had moeten zijn om nader onderzoek te verrichten. Voor 2017 voert belanghebbende aan dat de navorderingsaanslag is opgelegd met dagtekening 12 mei 2018, terwijl op 3 april 2018 reeds een gesprek heeft plaatsgevonden over het op 26 maart 2018 gestarte boekenonderzoek. Belanghebbende betoogt verder dat geen sprake was van ROW, omdat de in aanmerking genomen bedragen niet aan belanghebbende toekwamen, maar door belanghebbende moesten worden doorgegeven aan [bedrijf 1] . Belanghebbende betoogt verder dat hij geen arbeid heeft verricht en geen sprake is van een bron van inkomen. De onderhavige bedragen kwamen niet aan belanghebbende toe, maar moesten worden doorgegeven aan [bedrijf 1] en aan zijn zoon.

De inspecteur betoogt dat voor alle jaren sprake was van een nieuw feit. De inspecteur voert hiertoe aan pas na het opleggen van de aanslagen over deze jaren bekend te zijn geworden met de ontvangsten op de bankrekening van belanghebbende. De primitieve aanslag over 2017 is reeds op 22 maart 2018 geautomatiseerd afgedaan en vervolgens met dagtekening 12 mei 2018 vastgesteld. Verder betoogt de inspecteur dat voor alle jaren de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard, omdat belanghebbende niet de vereiste aangiften heeft gedaan. Tot slot stelt de inspecteur zich op het standpunt dat sprake was van ROW. Hiertoe voert de inspecteur aan dat er aanzienlijke bijschrijvingen hebben plaatsgevonden waarbij factuurnummers worden vermeld van door belanghebbende uitgereikte facturen.

Nieuw feit

De rechtbank overweegt dat de inspecteur een navorderingsaanslag kan opleggen indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld. De inspecteur mag bij het vaststellen van een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige bij zijn aangifte heeft verstrekt. Tot een nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. De inspecteur hoeft in redelijkheid niet aan de juistheid van de aangifte te twijfelen, indien een niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat de aangifte juist was.

De inspecteur heeft gemotiveerd gesteld dat hij pas na het opleggen van de aanslagen over 2014 tot en met 2016 bekend is geworden met de ontvangsten op de bankrekening van belanghebbende. Belanghebbende heeft dit standpunt ongemotiveerd betwist. Het dossier bevat ook geen aanknopingspunten dat de inspecteur al wel op de hoogte was van de ontvangsten op de bankrekening. Verder maakt de vermogenssprong van € 0 naar € 47.663 tussen 1 januari 2014 en 1 januari 2015 ook niet dat geen nieuw feit bestaat. Er bestond de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid dat deze vermogenssprong juist is. Tevens heeft belanghebbende zelf verklaard dat de aangiften volgens hem juist zijn. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur in redelijkheid niet hoefde te twijfelen aan de juistheid van de aangiften IB/PVV over 2014 tot en met 2016 en beschikte over een nieuw feit op grond waarvan hij navorderingsaanslagen kon opleggen.

Met betrekking tot het jaar 2017 overweegt de rechtbank als volgt. Uit het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2022 volgt dat indien een boekenonderzoek is gestart en de inspecteur al een primitieve aanslag oplegt voordat hij over de resultaten van het boekenonderzoek beschikt, dit als regel een ambtelijk verzuim vormt dat niet door middel van navordering kan worden hersteld. Dat is alleen anders indien er gegronde redenen zijn waarom het geboden is de aanslag al op te leggen voordat met de resultaten van dat onderzoek rekening kan worden gehouden.

De inspecteur heeft aan de hand van een systeemprint onweersproken gesteld dat de aangifte al op 22 maart 2018 geautomatiseerd is afgedaan door het systeem van de Belastingdienst. Op 22 april 2018 is de aangifte vervolgens naar de stap ‘formaliseren’ gegaan, waarna met dagtekening 12 mei 2018 de aanslag is opgelegd. Uit de toelichting van de inspecteur volgt dat de aanslag op het moment dat het boekenonderzoek werd gestart al door het systeem was verwerkt. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de uit het boekenonderzoek voortvloeiende informatie inzake de ontvangsten op de bankrekening van belanghebbende een nieuw feit oplevert op grond waarvan de inspecteur een navorderingsaanslag kon opleggen. Van een ambtelijk verzuim is geen sprake nu de verwerking van de aangifte IB/PVV 2017 al was gebeurd op het moment dat het boekenonderzoek aanving.

Vereiste aangifte

Artikel 27e, eerste lid, van de AWR bepaalt dat de rechtbank het beroep ongegrond verklaart indien de vereiste aangifte niet is gedaan, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.

Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven.

De rechtbank overweegt dat belanghebbende heeft verklaard dat:

de op zijn bankrekening ontvangen bedragen niet aan hem toekwamen, maar moesten worden doorgegeven aan [bedrijf 1] ;

dat dit al vele jaren de normale werkwijze was, waarbij belanghebbende ook wijst op de verklaring van [bedrijf 1] (3.18);

deze werkwijze werd gehanteerd om debiteurenrisico te vermijden en om vertraging door internationaal bankverkeer te voorkomen, omdat [bedrijf 1] geen Nederlandse bankrekening aanhield;

de door hem opgestelde facturen in feite pro forma facturen en offertes waren en dat klanten later van [bedrijf 1] een originele factuur zouden ontvangen;

hij bedragen voor klanten heeft voorgeschoten; en

de ontvangen bedragen niet corresponderen met de doorgegeven bedragen omdat hij meerdere ontvangen bedragen gelijktijdig naar [bedrijf 1] bracht.

De rechtbank betrekt in het oordeel eveneens de volgende elementen:

op de bankrekening van belanghebbende hebben in de onderhavige vier jaren in totaal 651 bijschrijvingen plaatsgevonden die betrekking hebben op de levering van onder meer vloeren, aanverwante artikelen en werkzaamheden daaromtrent;

belanghebbende heeft in de onderhavige jaren € 191.901 (2014), € 406.313 (2015), € 357.369 (2016) respectievelijk € 435.414 (2017) op zijn bankrekening ontvangen;

belanghebbende heeft contante stortingen ontvangen van € 16.600 (2014) en € 11.600 (2015);

de contante opnames bedragen € 60.980 (2014), € 235.640 (2015), € 188.700 (2016), respectievelijk € 276.850 (2017);

op de bankrekening van belanghebbende is dus € 51.095 (2014), € 81.230 (2015), € 61.263 (2016) respectievelijk € 73.262 (2017) achtergebleven;

vanaf de bankrekening van belanghebbende zijn ook kosten voldaan;

belanghebbende heeft zelf facturen op naam van [bedrijf 3] opgesteld;

een drietal onderzochte derde partijen heeft in de onderhavige jaren in totaal 57 betalingen aan belanghebbende gedaan met betrekking tot 80 facturen uit naam van [bedrijf 3] ;

bij de drie onderzochte derde partijen zijn geen facturen van [bedrijf 1] aangetroffen die betrekking hebben op de hiervoor genoemde 57 betalingen;

de door belanghebbende overgelegde afgetekende werkbonnen vermelden het rekeningnummer van [bedrijf 1] in plaats van het rekeningnummer van belanghebbende en de op de werkbonnen genoemde bedragen zijn niet terug te vinden als bijschrijving op de bankrekening van belanghebbende;

de nummers op de overgelegde facturen van [bedrijf 1] komen niet overeen met de factuurnummers die bij de betalingen op de bankrekening van belanghebbende zijn gebruikt;

de bedragen op de facturen van [bedrijf 1] corresponderen niet met de betalingen op de bankrekening van belanghebbende;

zelfs na het faillissement van [bedrijf 1] zijn nog 125 betalingen met een totaalbedrag van € 305.444 door belanghebbende op zijn bankrekening ontvangen in de periode van 4 april 2017 tot en met 29 december 2017;

ook na het faillissement van [bedrijf 1] zijn nog facturen op naam van [bedrijf 3] opgesteld;

de facturen ten name van [bedrijf 3] zijn verstuurd inclusief een bedrag aan omzetbelasting; en

belanghebbende heeft geen overeenkomsten of andere stukken overgelegd waarin de door hem gestelde gemaakte afspraken zijn vastgelegd.

De hierboven genoemde feiten en omstandigheden in samenhang bezien maken dat de rechtbank aannemelijk acht dat belanghebbende aanzienlijke bedragen van klanten heeft ontvangen, dat deze bedragen aan belanghebbende toekwamen en voor hem belastbaar inkomen waren. De verklaringen van belanghebbende en [bedrijf 1] zijn in het licht van alle andere feiten en omstandigheden en de tegenstrijdigheden die daaruit volgen onvoldoende om van een andere zienswijze uit te gaan. Met betrekking tot het standpunt van belanghebbende dat geen sprake was van een bron van inkomen stelt de rechtbank voorop dat sprake is van een bron van inkomen wanneer belanghebbende (i) met de door hem ontplooide activiteiten deelneemt aan het economische verkeer, (ii) hij daarmee het oogmerk heeft voordeel te behalen en (iii) dit voordeel redelijkerwijs te verwachten is. De rechtbank overweegt dat belanghebbende op eigen naam ( [bedrijf 3] ) facturen heeft verstuurd en er zeer aanzienlijke bedragen op de bankrekening van belanghebbende zijn overgemaakt en acht gelet op de in 4.9 genoemde omstandigheden aannemelijk dat belanghebbende daarvoor arbeid heeft verricht. Naar het oordeel van de rechtbank was daarom sprake van een bron van inkomen en vormen de opbrengsten uit deze bron belastbaar inkomen.

Naar het oordeel van de rechtbank vertonen de aangiften daarom, zelfs indien alleen de bedragen in aanmerking worden genomen die op de bankrekening van belanghebbende zijn achtergebleven en niet zijn opgenomen, inhoudelijke gebreken die ertoe hebben geleid dat de volgens de aangiften verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ook is het bedrag aan belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangiften niet is geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende gelet op de omstandigheden van het geval zich hiervan minst genomen bewust had moeten zijn. Dit betekent dat belanghebbende voor alle onderhavige jaren niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Dit heeft tot gevolg dat de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard. Dit geldt zowel voor de navorderingsaanslagen IB/PVV als voor de navorderingsaanslagen Zvw.

Redelijke schatting

Indien de vereiste aangifte niet is gedaan, moet de rechtbank beoordelen of de inspecteur bij het bepalen van de hoogte van de aanslag een redelijke schatting heeft gemaakt, hetgeen betekent dat de aanslag niet naar willekeur wordt opgelegd. Indien sprake is van een redelijke schatting moet de rechtbank verder beoordelen of belanghebbende overtuigend heeft aangetoond dat en in hoeverre de aanslag onjuist is.

De inspecteur heeft voor ieder jaar de bijschrijvingen op de bankrekening van belanghebbende die betrekking hadden op de levering van vloeren, aanverwante artikelen en werkzaamheden daaromtrent opgeteld. Hierop heeft de inspecteur de omzetbelasting en de kosten die van de bankrekening van belanghebbende zouden zijn voldaan en die mogelijk zijn gemaakt in verband met de ontvangen bedragen in aftrek gebracht. De rechtbank is van oordeel dat de navorderingsaanslagen niet naar willekeur zijn opgelegd en de inspecteur dus een redelijke schatting heeft gemaakt.

Belanghebbende heeft tegen de berekening van het inkomen op zichzelf niets aangevoerd. Belanghebbende heeft niet doen blijken dat de schatting te hoog is.

Tussenconclusie

Het voorgaande brengt mee dat de navorderingsaanslagen IB/PVV en de navorderingsaanslagen Zvw over de jaren 2014 tot en met 2017 terecht en niet tot te hoge bedragen zijn opgelegd.

De belastingrente

De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikkingen.

De vergrijpboeten

Ingevolge artikel 67e, eerste lid, van de AWR kan een boete worden opgelegd indien het met betrekking tot een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. Onder opzet wordt verstaan het willens en wetens handelen. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijk opzet. Hiervan is sprake indien bewust de aanmerkelijke kans wordt aanvaard dat het beboetbare feit zich zal voordoen.

De rechtbank stelt voorop dat de aanwezigheid van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Deze maatstaf stemt overeen met de in fiscale wetgeving voorkomende formulering “doen blijken”, die inhoudt dat de desbetreffende feiten en omstandigheden overtuigend moeten worden aangetoond. De rechtbank zal daarom beoordelen of de inspecteur heeft doen blijken dat het aan de (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende is te wijten dat de aanslagen over 2016 en 2017 tot te lage bedragen zijn vastgesteld.

Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur voor beide jaren geslaagd in zijn bewijslast dat sprake is van ten minste voorwaardelijk opzet. De rechtbank overweegt, gelet op de omstandigheden genoemd in 4.9, dat belanghebbende door het niet aangeven van de zeer aanzienlijke bedragen die door klanten op zijn rekening zijn gestort bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aanslagen IB/PVV over 2016 en 2017 tot te lage bedragen zouden worden vastgesteld. Het is dus aan belanghebbendes (voorwaardelijk) opzet te wijten dat deze aanslagen tot te lage bedragen zijn vastgesteld. Belanghebbende heeft daarmee het in artikel 67e van de AWR opgenomen vergrijp begaan, zodat de vergrijpboeten terecht aan belanghebbende zijn opgelegd.

De hoogte van de vergrijpboeten

De vergrijpboete bedraagt ten hoogste 100% van het bedrag van de navorderingsaanslag voor zover dat bedrag als gevolg van de opzet of de grove schuld van de belastingplichtige niet zou zijn geheven. De inspecteur is bij het opleggen van de vergrijpboeten op basis van paragraaf 25 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst de vergrijpboeten uitgegaan van 50% en heeft vervolgens een matiging toegepast vanwege de omstandigheden van het geval. Mede in aanmerking nemend dat de inspecteur conservatief is geweest bij zijn schatting van de hoogte van het inkomen door hierbij ook rekening te houden met de kosten die belanghebbende zou hebben gemaakt zonder dat daaraan een onderbouwing ten grondslag ligt en dat de inspecteur reeds rekening heeft gehouden met de financiële situatie van belanghebbende, de samenloop met de correcties in de omzetbelasting en de door het OM aan belanghebbende opgelegde strafbeschikking, ziet de rechtbank geen aanleiding voor verdere matiging van de vergrijpboeten. De rechtbank acht beide vergrijpboeten passend en geboden.

Undue delay

De rechtbank constateert dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak in eerste feitelijke instantie met (afgerond) 43 maanden. Daarbij neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat 29 januari 2021 geldt als aanvangsmoment van de redelijke termijn en zij uitspraak doet op 20 augustus 2026. De vergrijpboeten zullen vanwege deze overschrijding met 20% worden verminderd. De boetebeschikking met betrekking tot het jaar 2016 wordt verminderd tot € 36.000. De boetebeschikking met betrekking tot het jaar 2017 wordt verminderd tot € 44.000.

Conclusie en gevolgen

5. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de navorderingsaanslagen en de belastingrentebeschikkingen in stand blijven. Wel worden de boetebeschikkingen gematigd vanwege de overschrijding van de redelijke termijn.

Omdat de beroepen ongegrond zijn krijgt belanghebbende het griffierecht niet terug. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- vermindert de boetebeschikking bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 tot € 36.000;

- vermindert de boetebeschikking bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 tot € 44.000.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, voorzitter, en mr.drs. S.J. Willems-Ruesink en mr. T.S.K.L. Tjon, leden, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier. De uitspraak is ondertekend door de oudste rechter, omdat de voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026082808 FutD 2026-1529 V-N Vandaag 2026/1786
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand