RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 23/8953 t/m BRE 23/8955
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 20 augustus 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. C.U. Mons),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 14 juli 2023 en 29 juni 2023.
De inspecteur heeft over de tijdvakken gelegen in de perioden 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 (2014), 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 (2015) en 1 januari 2016 tot en met 31 december 2017 (2016-2017) naheffingsaanslagen omzetbelasting (OB) aan belanghebbende opgelegd (de naheffingsaanslagen). Gelijktijdig met de naheffingsaanslagen OB 2015 en OB 2016-2017 heeft de inspecteur respectievelijk een verzuimboete en een vergrijpboete opgelegd (de boetebeschikkingen). Verder heeft de inspecteur bij alle naheffingsaanslagen belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht (de belastingrentebeschikkingen). Het voorgaande kan als volgt worden samengevat:
Tijdvakken gelegen in de periode
Belasting
Boete
Belastingrente
01-01-2014 t/m 31-12-2014
€ 36.186
-
€ 7.164
01-01-2015 t/m 31-12-2015
€ 72.530
€ 5.278
€ 13.646
01-01-2016 t/m 31-12-2017
€ 137.589
€ 50.000
€ 22.343
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende tegen de naheffingsaanslagen, de boetebeschikkingen en de belastingrentebeschikkingen ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank. De inspecteur heeft op de beroepen van belanghebbende gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, de gemachtigde van belanghebbende en, namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] , drs. [inspecteur 2] , mr. [inspecteur 3] en [inspecteur 4] .
Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslagen, de boetebeschikkingen en de belastingrentebeschikkingen terecht en tot de juiste bedragen zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de naheffingsaanslagen en de belastingrentebeschikkingen terecht en tot de juiste bedragen vastgesteld. De boetebeschikkingen zijn eveneens terecht opgelegd, maar de rechtbank ziet wel aanleiding om deze te verminderen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Belanghebbende was tot en met februari 2017 in loondienst bij [bedrijf 1] N.V., gevestigd te [plaats 2] in België ( [bedrijf 1] ). [bedrijf 1] had als hoofdactiviteit het vervaardigen van houten elementen, zoals parketvloeren, deuren, gevelbekleding en houten traptreden. Belanghebbende verrichte bij [bedrijf 1] werkzaamheden als vertegenwoordiger. Het werkgebied van belanghebbende was in Nederland.
Op 6 maart 2017 is [bedrijf 1] failliet verklaard.
De zoon van belanghebbende, de heer [zoon belanghebbende] (de zoon), drijft een eenmanszaak onder de naam [bedrijf 2] . De activiteiten van [bedrijf 2] betreffen een detailhandel in parket-, wand- en vloerbedekking alsmede het leggen van vloeren.
De inspecteur heeft op 12 december 2017 een intern renseignement ontvangen (het renseignement). Het renseignement heeft betrekking op een factuur van [bedrijf 3 ] en is gericht aan ‘ [bedrijf 4] ’ (de factuur van [bedrijf 3 ] ). De factuur vermeldt onder meer het volgende:
“ [bedrijf 3 ]
[adres] 8
[postcode]
(…)
kvk nr: [kvk-nummer]
BTW nr.: [btw-nummer]
(…)
Breda, 23-5-2017
Fac. Nr. [factuurnummer]
[bedrijf 4] Onderhoud
(…)
Factuur
205m2 Visgraat eiken(…) 7175,00
205m2 spaanplaat 12mm(…) 1025,00
14m2 eiken banden(…) 490,00
400 m2 wenge biezen(…) 640,00
205kg lijm(…) 922,50
50 l lak(…) 1440,00
20 l voegenkit(…) 240,00
11932,50
Btw 2505,83
Totaalprijs inclusief BTW € 14438,33
zoals besproken graag p.omgaande overmaken op rek.nr. [rekeningnummer 1] (…)”
Het op de factuur vermelde bankrekeningnummer staat op naam van belanghebbende.
Naar aanleiding van het renseignement heeft de inspecteur op 7 februari 2018 een boekenonderzoek over het jaar 2017 ingesteld bij de zoon. In het bijbehorende controlerapport van 3 februari 2022 wordt onder meer vermeld:
“Bij het onderzoek is beoordeeld of de [factuur van [bedrijf 3 ] ] in de aangegeven omzet van de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017 is begrepen
(…)
Bij het onderzoek heb ik het volgende geconstateerd:
Het inschrijfnummer K.v.K. en het btw nummer op de factuur komen overeen met de gegevens van [de zoon]. Op de factuur is vermeld: "Zoals besproken graag per ommegaande overmaken op rek.nr. [rekeningnummer 2] t.n.v. [belanghebbende] .” Deze bankrekening staat op naam van [belanghebbende].
Ik heb de factuur aan [de zoon] getoond. Hij verklaarde niets van deze factuur te weten en al sinds vele jaren geen gebruik meer te maken van de handelsnaam [bedrijf 3 ] .
Tijdens het door mij ingestelde derdenonderzoek bij [bedrijf 4] B.V. te [plaats 3] heb ik het volgende geconstateerd:
De betreffende factuur is voldaan door betaling op bankrekeningnummer [rekeningnummer 3] .
1e betaling: 07-06-2017 € 7.483,33
2e betaling: 08-06-2017 € 7.000,00
Op 2 maart 2020 heeft bij Dijksterhuis accountants- en advieskantoor (adviseur van [belanghebbende]) een bespreking plaatsgevonden (…)
Tijdens deze bespreking heeft [belanghebbende] verklaard de betreffende factuur te hebben opgemaakt. Tevens heeft hij verklaard de betreffende betalingen te hebben ontvangen en dat deze aan hem toekomen. De betreffende factuur komt daarom niet in de administratie van [de zoon] voor en maakt geen deel uit van de door hem verantwoorde omzet.”
De inspecteur heeft bij brief van 26 maart 2018 een boekenonderzoek bij belanghebbende aangekondigd. Het eerste gesprek tussen de inspecteur en belanghebbende heeft op 3 april 2018 ten kantore van de Belastingdienst plaatsgevonden. Tot de gedingstukken behoort een gespreksverslag hiervan, waarin onder meer is vermeld:
“Met betrekking tot de factuur van [bedrijf 3 ] , factuurdatum 23-05-2017 heeft [belanghebbende] het volgende verklaard:
De betaling van de factuur is door mij ontvangen op het op de factuur vermelde bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] . Ik ben in loondienst werkzaam geweest bij diverse bedrijven die handelen in houten vloeren. Hierdoor heb ik goede contacten met leveranciers in o.a. België en Frankrijk. Bij bestellingen door voor hun onbekende klanten verlangden deze leveranciers dat de te leveren vloer vooruit werd betaald. Om klanten tegemoet te komen betaalde ik dan wel eens zelf de vloer vooruit. Bij de levering aan de [bedrijf 4] is dat ook op deze manier gegaan.
Ik heb [belanghebbende] gevraagd waarom hij een factuur heeft opgemaakt op naam van [bedrijf 3 ] . Hij verklaarde hierover het volgende:
Deze factuur heb ik niet zo opgemaakt. Wellicht is hij vervalst of aangepast. Soms maak ik wel een offerte, maar nooit een factuur. De heer [belanghebbende] overhandigde mij een bankafschrift waarop is te zien dat de betaling op 7 juni 2017 is bijgeschreven in 2 gedeelten te weten: € 7.483,33 en € 7.000,00. Op 8 juni 2017 is volgens hetzelfde afschrift € 8.000 contant opgenomen. Volgens de heer [belanghebbende] heeft hij dit bedrag opgenomen om een gedeelte van de betaalde factuur aan de heer [persoon 1] terug te betalen, omdat de heer [persoon 1] dit zo wilde. Of hij het volledige bedrag van € 8.000 terugbetaald heeft weet hij niet meer. Het kan zijn dat hij een gedeelte van de opname heeft gebruikt voor privé uitgaven. Verder verklaarde de heer [belanghebbende] dat hij zich niet kan voorstellen dat hij 205m2 visgraat vloer geleverd heeft. Hij zou nimmer zulke grote hoeveelheden leveren. Ook zou hij de op de factuur vermelde bij-artikelen zoals lak, lijm en kit niet geleverd hebben.”
De inspecteur heeft bij brieven van 21 juni 2018 een historisch overzicht van alle mutaties over de periode 1 januari 2013 tot en met 31 december 2017 van de rekeningen van belanghebbende bij de ING Bank en de ABN AMRO Bank opgevraagd. Ter zake van de gegevens van de ING-bankrekening heeft de inspecteur een overzicht overgelegd van alle mutaties van deze rekening (het mutatieoverzicht). In het mutatieoverzicht staat dat in de periode 1 januari 2014 tot en met 31 december 2017 bedragen op de rekening van belanghebbende zijn gestort. De bijschrijvingen zijn afkomstig van ondernemers en particulieren en hebben volgens de omschrijving op de bankafschriften betrekking op de levering en/of het leggen van houten/parket vloeren, lamellen, oliën, lak, etc.
Uit het mutatieoverzicht volgt voorts dat belanghebbende na het faillissement van [bedrijf 1] betalingen op zijn bankrekening heeft ontvangen. Tot de gedingstukken behoort een gespreksverslag van 3 juni 2021, waarin ter zake hiervan het volgende is vermeld:
“Aan [belanghebbende] een verklaring gevraagd voor het grote aantal betalingen na het faillissement van [ [bedrijf 1] ] in februari 2017. Daarna hebben tot en met december 2017 nog een groot aantal betalingen aan [belanghebbende] plaatsgevonden. Volgens [belanghebbende] betroffen het te late betalingen door wanbetalers.”
Uit het mutatieoverzicht volgen de volgende bijschrijvingen en contante stortingen voor de betreffende jaren:
Jaar
Aantal bijschrijvingen
Totaal bijgeschreven
Contante stortingen
2014
124
€ 208.501
€ 16.600
2015
177
€ 417.913
€ 11.600
2016
164
€ 357.369
€ -
2017
186
€ 435.414
€ -
Uit het mutatieoverzicht volgt dat belanghebbende vanuit zijn bankrekening diverse kosten heeft betaald, zoals inkopen in binnen- en buitenland, kosten voor transport, kosten voor de huur van bedrijfsruimte, lonen en overige kosten. Dit kan als volgt worden samengevat:
Kosten
2014
2015
2016
2017
Inkopen binnenland
€ 24.511
€ 36.559
€ 35.626
€ 53.256
Inkopen buitenland (EU)
€ 53.979
€ 47.491
€ 48.370
€ 21.384
Transportkosten
€ 2.014
€ 890
€ 345
€ 1.442
Huur bedrijfsruimte
€ 7.383
€ 5.100
€ 5.100
€ 4.675
Overige kosten
€ 561
€ 635
€ 654
€ 805
Lonen
€ 7.978
€ 10.368
€ 17.311
€ 3.740
Totaal
€ 96.426
€ 101.043
€ 107.406
€ 85.302
De inspecteur heeft in november 2018 derdenonderzoeken verricht bij [bedrijf 5] te [plaats 4] , [bedrijf 6] te [plaats 4] en [bedrijf 7] te [plaats 1] . De inspecteur heeft daarbij vastgesteld dat in de periode 1 januari 2014 tot en met 31 december 2017 door deze drie ondernemers, met betrekking tot 80 facturen afkomstig van [bedrijf 3 ] , 57 betalingen zijn gedaan op de bankrekening van belanghebbende.
De officier van justitie van het Openbaar Ministerie te ’s-Hertogenbosch heeft met dagtekening 11 november 2019 aan belanghebbende een strafbeschikking opgelegd. Dit betrof een taakstraf van 30 uren, in verband met het opmaken van een valse factuur op 23 mei 2017 en zag op een factuur van [bedrijf 3 ] .
Tot de gedingstukken behoort een brief van belanghebbende aan de inspecteur van 14 november 2019. In die brief verklaart belanghebbende onder meer:
“lk stond in contact met de fabriek en chauffeur, omdat ik snel kon zien of het geld binnen was.
Geld overmaken naar België duurde wat langer, daarom werd het naar mij overgemaakt. Ivm. (snelle) leveringen.
Het geld kwam (deels) op mijn rek. binnen, maar ging er gelijk weer af, naar de fabriek waar het voor was.”
In de bijlage bij die brief verklaart belanghebbende onder meer:
“lk werkte voor de fabrieken [bedrijf 1] / [bedrijf 8] enz. 45 jaar
lk zorgde v d verkoop en voor het geld ,dat laatste was belangrijk , altijd onder zware druk gewerkt.
Ik was in loondienst, maar ik regelde eigenlijk alles hier in Nederland
Klanten maakten al 45 jaar het geld naar mij over, omdat er toen nog geen iban nrs. waren, geen extra kosten, en zo is dat routine geworden.
(…)
Ik maakte pro forma facturen/offertes voor de voorschotten ook wel eens voor bouwdepots enz.
Achteraf gezien had er nooit factuur op moeten staan.
Vroeger schreef ik de bevestigingen met pen/papier, en later ook wel gedaan op espo papier, maar het waren altijd voorlopige bevestigingen/bewijzen ,
Originele facturen kwamen altijd later van de fabriek.
Facturen zeker niet vervalst.. ik pakte juist espo papier, omdat daar niets meer mee gedaan werd, alles moest altijd snel snel en nog eens snel. lk heb er niet bij stilgestaan, had ik misschien niet moeten doen, dom van mij.”
Tot de gedingstukken behoort het gespreksverslag van de bespreking van 2 maart 2020. Daarin is voorts onder meer vermeld:
“[Belanghebbende] bleef bij zijn verklaring dat hij zelf niets heeft verdiend aan de transacties. Hij zou uitsluitend bedragen hebben voorgeschoten voor klanten van zijn toenmalige werkgever [bedrijf 1] (gevestigd in België) in verband met geleverde vloeren. De klanten betaalden de voorgeschoten bedragen volgens [belanghebbende] aan hem terug. Dat hij hiervoor oude verkoopfacturen van [bedrijf 3 ] gebruikte was volgens hem geen kwade bedoeling.”
Tot de gedingstukken behoort een ondertekende verklaring van de heer [bedrijf 1] van 4 september 2020, waarin onder meer staat vermeld:
“Geachte heer [belanghebbende] ,
(…)
In uw functie was u als vertegenwoordiger verantwoordelijk voor de verkopen van houten vloeren in Nederland. Klanten betaalden regelmatig rechtstreeks op uw prive rekening waarna u de bedragen contant opnam en op kantoor te [plaats 2] afdroeg en de bonnen werden afgetekend. Dit had vooral te maken met het feit dat wij niet langer een Nederlands rekeningnummer aanhielden. Deze werkmethode hebben wij dan nadien op deze wijze uitgevoerd.”
Tot de gedingstukken behoren twee ondertekende verklaringen van de heer [persoon 2] en de heer [persoon 3] van respectievelijk 9 en 15 september 2020. De verklaringen zijn voor wat betreft tekst en opmaak identiek en luiden:
“Geachte heer [belanghebbende] ,
Hierbij bericht ik jou dat de afgelopen jaren diverse keren – bij wijze van vriendendienst – materialen van mij contant hebt afgerekend, waarna ik deze materialen zodra de liquiditeit het toelaat aan jou werden terug betaald. Hetzij per bank, hetzij cash. In sommige gevallen verzocht je mij mijn klanten rechtstreeks aan jou te laten betalen zodat mijn schuld daarmee werd ingelost.”
De inspecteur heeft belanghebbende op 29 januari 2021 in kennis gesteld van zijn voornemen om een vergrijpboete op te leggen met betrekking tot de naheffingsaanslag OB 2016-2017.
De bevindingen van het boekenonderzoek bij belanghebbende zijn opgenomen in het controlerapport van 5 november 2021. Hier wordt onder meer het volgende vermeld:
“Tijdens het onderzoek bij [de zoon] heb ik geconstateerd dat de bedoelde factuur niet in de administratie voorkwam. [De zoon] verklaarde dat hij de betreffende factuur niet had opgemaakt. Verder verklaarde hij dat hij de onderneming [bedrijf 3 ] in 2003 heeft overgenomen en dat hij slechts tot kort na de overname gebruik maakte van facturen uit naam van [bedrijf 3 ] in verband met leveringen van producten voor de behandeling van oliën en lakken.”
Per e-mailbericht van 4 oktober 2021 heeft de heer [bedrijf 1] de volgende antwoorden gegeven op vragen van de inspecteur:
“(…)
1. [Belanghebbende] was vertegenwoordiger voor Nederland. Hij verkocht voornamelijk aan een bestaande klantenbasis toen hij bij [bedrijf 1] kwam werken.
2. Het goederentransport verliep via verschillende, voornamelijk Nederlandse transporteurs. 3. [Belanghebbende] zorgde voor inning van bedragen voor een aantal [bedrijf 1] klanten welke liever aan hem betaalden dan rechtstreeks aan het bedrijf. [bedrijf 1] had namelijk zijn Nederlandse rekening opgezegd daar het oor Nederlandse klanten niet langer een bijkomende kost gaf om naar het buitenland te betalen.
4. Facturen werden idd vanuit België per post of digitaal verstuurd.
5. De klantenkring bestond uit vnl parkethandel en parketgroothandel.
Bovenstaande verklaar ik onder voorbehoud van al mijn rechten en zonder enige nadelige erkentenis.”
Belanghebbende heeft zich niet als ondernemer voor de omzetbelasting aangemeld. De inspecteur heeft bij brief van 5 november 2019 de omzetbelastingplicht van belanghebbende vastgesteld en belanghebbende uitgenodigd voor het doen van de aangiften omzetbelasting voor de onderhavige jaren. Belanghebbende heeft de aangiften OB niet ingediend.
Bij het vaststellen van de naheffingsaanslagen heeft de inspecteur de volgende bedragen in aanmerking genomen:
Ontvangsten
2014
2015
2016
2017
Per bank
€ 191.901
€ 406.313
€ 357.369
€ 435.414
Contante stortingen
€ 16.600
€ 11.600
€ 0
€ 0
Totaal incl. omzetbelasting
€ 208.501
€ 417.913
€ 357.369
€ 435.414
Af: omzetbelasting 21/121
€ 36.186
€ 72.530
€ 62.022
€ 75.567
Netto ontvangsten
€ 172.315
€ 345.383
€ 295.347
€ 359.847
In het bezwaarschrift ter zake van de naheffingsaanslag OB 2014 staat onder meer het volgende vermeld:
“(…)
De werkwijze van [bedrijf 1] N.V. was – bij nader inzien – wellicht anders dan gebruikelijk is binnen de branche. Indien cliënt een verkoop voor [bedrijf 1] realiseerde bij een Nederlandse klant werd veelal door [bedrijf 1] verzocht de bestelde artikelen voor aflevering contant met de klant af te rekenen of voor levering te laten storten op de privé rekening van cliënt om zodoende het debiteurenrisico uit te sluiten en vanwege het feit dat [bedrijf 1] N.V. in Nederland geen bankrekening aanhield. [belanghebbende] checkte voor aflevering zijn bankbijschrijvingen en gaf vervolgens akkoord aan de transporteur voor aflevering. De (contante) verkoopopbrengsten werden eens per week op het kantoor te [plaats 2] door cliënt afgestort bij de verantwoordelijke. Ontvangstbewijzen van afstorting ontving cliënt niet en hij heeft daar ook niet om gevraagd nu dat geen belang diende.
(…)
Voorts kwam het – vanwege de jarenlange contacten met parketteurs – sporadisch voor dat cliënte (om zijn verkooptargets bij [bedrijf 1] te kunnen halen) leveringen zelf voorschoot als een parketteur niet in de positie was zijn levering direct af te rekenen. In dat geval betaalde de parketteur client later terug of werd de klant van de parketteur verzocht rechtstreeks aan client te betalen. Feitelijk was aldus sprake van een kortstondige lening.”
Motivering
Kwalificeert belanghebbende als een ondernemer voor de omzetbelasting?
4. De inspecteur stelt dat dat de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd, omdat belanghebbende in de onderhavige jaren als ondernemer voor de omzetbelasting kwalificeert en hij leveringen en/of diensten heeft verricht, waarvoor hij vergoedingen heeft ontvangen. De inspecteur verwijst daarbij naar het boekenonderzoek en de derdenonderzoeken bij [bedrijf 5] , [bedrijf 6] en [bedrijf 7] .
Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslagen ten onrechte zijn opgelegd, omdat hij niet kwalificeert als ondernemer voor de omzetbelasting. Belanghebbende voert daartoe aan dat door hem geen leveringen of diensten zijn verricht en dat de leveringen uitsluitend door [bedrijf 1] werden verricht. Het enkel ontvangen van gelden of het uitreiken van facturen leidt niet tot ondernemerschap in voormelde zin dan wel tot verschuldigdheid van omzetbelasting, aldus belanghebbende.
De rechtbank stelt voorop dat onder de naam ‘omzetbelasting’ een belasting wordt geheven ter zake van leveringen van goederen en diensten, welke in Nederland door een als zodanig handelende ondernemer onder bezwarende titel worden verricht. Onder levering van goederen wordt verstaan de overdracht of overgang van de macht om als eigenaar over een goed te beschikken. Diensten zijn alle prestaties, niet zijnde leveringen van goederen in voormelde zin. Als ondernemer voor de omzetbelasting wordt aangemerkt ieder die een bedrijf zelfstandig uitoefent. Onder bedrijf wordt mede verstaan beroep en exploitatie van een vermogensbestanddeel om er duurzaam opbrengsten uit te verkrijgen.
De rechtbank overweegt dat belanghebbende heeft verklaard dat:
de op zijn bankrekening ontvangen bedragen niet aan hem toekwamen, maar moesten worden doorgegeven aan [bedrijf 1] ;
dat dit al vele jaren de normale werkwijze was, waarbij belanghebbende ook wijst op de verklaring van [bedrijf 1] (3.18);
deze werkwijze werd gehanteerd om debiteurenrisico te vermijden en om vertraging door internationaal bankverkeer te voorkomen, omdat [bedrijf 1] geen Nederlandse bankrekening aanhield;
de door hem opgestelde facturen in feite pro forma facturen en offertes waren en dat klanten later van [bedrijf 1] een originele factuur zouden ontvangen;
hij bedragen voor klanten heeft voorgeschoten; en
de ontvangen bedragen niet corresponderen met de doorgegeven bedragen omdat hij meerdere ontvangen bedragen gelijktijdig naar [bedrijf 1] bracht.
De rechtbank betrekt in het oordeel de volgende elementen:
op de bankrekening van belanghebbende hebben in de onderhavige vier jaren in totaal 651 bijschrijvingen plaatsgevonden die betrekking hebben op de levering van onder meer vloeren, aanverwante artikelen en werkzaamheden daaromtrent;
belanghebbende heeft in de onderhavige jaren € 191.901 (2014), € 406.313 (2015), € 357.369 (2016) respectievelijk € 435.414 (2017) op zijn bankrekening ontvangen;
belanghebbende heeft contante stortingen ontvangen van € 16.600 (2014) en € 11.600 (2015);
de contante opnames bedragen € 60.980 (2014), € 235.640 (2015), € 188.700 (2016), respectievelijk € 276.850 (2017);
op de bankrekening van belanghebbende is dus € 51.095 (2014), € 81.230 (2015), € 61.263 (2016) respectievelijk € 73.262 (2017) achtergebleven;
vanaf de bankrekening van belanghebbende zijn ook kosten voldaan;
belanghebbende heeft zelf facturen op naam van [bedrijf 3 ] opgesteld;
een drietal onderzochte derde partijen heeft in de onderhavige jaren in totaal 57 betalingen aan belanghebbende gedaan met betrekking tot 80 facturen uit naam van [bedrijf 3 ] ;
bij de drie onderzochte derde partijen zijn geen facturen van [bedrijf 1] aangetroffen die betrekking hebben op de hiervoor genoemde 57 leveringen;
de door belanghebbende overgelegde afgetekende werkbonnen vermelden het rekeningnummer van [bedrijf 1] in plaats van het rekeningnummer van belanghebbende en de daarop genoemde bedragen zijn niet terug te vinden als bijschrijving op de bankrekening van belanghebbende;
de nummers op de overgelegde facturen van [bedrijf 1] komen niet overeen met de factuurnummers die bij de betalingen op de bankrekening van belanghebbende zijn gebruikt;
de bedragen op de facturen van [bedrijf 1] corresponderen niet met de betalingen op de bankrekening van belanghebbende;
zelfs na het faillissement van [bedrijf 1] zijn nog 125 betalingen met een totaalbedrag van € 305.444 door belanghebbende op zijn bankrekening ontvangen in de periode van 4 april 2017 tot en met 29 december 2017;
ook na het faillissement van [bedrijf 1] zijn nog facturen op naam van [bedrijf 3 ] opgesteld;
de facturen ten name van [bedrijf 3 ] zijn verstuurd inclusief een bedrag aan omzetbelasting; en
belanghebbende heeft geen overeenkomsten of andere stukken overgelegd waarin de door hem gesteld gemaakte afspraken zijn vastgelegd.
De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende dient te worden aangemerkt als ondernemer voor de omzetbelasting, gelet op de hierboven genoemde feiten en omstandigheden en de bevindingen uit het mutatieoverzicht, het onderzoeksrapport en het derdenonderzoek. Hetgeen belanghebbende daartegen heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Belanghebbendes stelling dat [bedrijf 1] belanghebbende heeft verzocht de bestelde artikelen voor aflevering contant met de klant af te rekenen of voor levering te laten storten op de privérekening van belanghebbende om zodoende het debiteurenrisico uit te sluiten, volgt de rechtbank niet. Belanghebbende heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij de ontvangen gelden heeft afgestort bij [bedrijf 1] en ook geen facturen van [bedrijf 1] overgelegd die gekoppeld kunnen worden aan de transacties uit het mutatieoverzicht. De rechtbank beschikt alleen over facturen van [bedrijf 3 ] die daaraan gekoppeld kunnen worden. Deze facturen heeft belanghebbende opgemaakt. De verklaringen van [bedrijf 1] , [bedrijf 5] en [persoon 3] maken in het licht van alle andere feiten en omstandigheden en de tegenstrijdigheden die daaruit volgen het voorgaande niet anders. Bijkomend heeft belanghebbende ook na het faillissement van [bedrijf 1] nog een aanzienlijk aantal betalingen op zijn privérekening ontvangen. Voor zover belanghebbende stelt dat de door hem ontvangen gelden zien op de omzet van zijn zoon, heeft hij deze stelling niet met stukken onderbouwd.
Tot slot overweegt de rechtbank dat uit artikel 37 van de Wet OB 1968 volgt dat hij die op een factuur op enigerlei wijze melding maakt van omzetbelasting welke hij, anders dan op grond van dit artikel, niet verschuldigd is geworden, belasting is verschuldigd op het tijdstip waarop hij die factuur heeft uitgereikt en hij is gehouden deze belasting op de voet van artikel 14 van de Wet OB 1968 te voldoen. Belanghebbende is dus ook op grond van dat artikel gehouden de omzetbelasting vermeld op de facturen van [bedrijf 3 ] te voldoen.
De vereiste aangifte en de bewijslastverdeling: omkering en verzwaring van de bewijslast
De inspecteur stelt dat belanghebbende voor de betreffende tijdvakken niet de vereiste aangiften omzetbelasting heeft gedaan, nadat hij is uitgenodigd tot het doen van aangifte. Volgens de inspecteur is om die reden te weinig belasting geheven, zodat op grond van de artikel 25, derde lid, van de AWR en artikel 27e van de AWR de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard. Dat betekent dat belanghebbende overtuigend dient aan te tonen dat de naheffingsaanslagen niet naar de juiste bedragen zijn vastgesteld, aldus de inspecteur.
De rechtbank stelt voorop dat de inspecteur voor de onderhavige tijdvakken geen informatiebeschikking heeft genomen. Op grond van artikel 25, lid 3, AWR is omkering en verzwaring van de bewijslast dan alleen aan de orde als de inspecteur aannemelijk maakt dat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan. Deze toets moet voor ieder tijdvak afzonderlijk worden aangelegd.
Belanghebbende heeft ter zitting erkend dat hij is uitgenodigd tot het doen van aangiften omzetbelasting voor de betreffende jaren. Belanghebbende heeft ter zake hiervan verklaard dat hij niet als ondernemer voor de omzetbelasting kwalificeert, maar dat hij na ontvangst van de uitnodiging hierover geen contact met de inspecteur heeft opgenomen en de aangiften niet heeft ingediend. Later heeft hij dit in gesprekken met de inspecteur wel telkens aangegeven. Belanghebbende heeft echter niet gesteld, en dus ook niet onderbouwd, dat deze gesprekken binnen de aangiftetermijn hebben plaatsgevonden en de rechtbank ziet daarvoor ook geen aanknopingspunten in het dossier.
Daarmee staat vast dat belanghebbende geen aangiften omzetbelasting heeft ingediend, terwijl hij hier wel voor was uitgenodigd en dit hem ook kenbaar was. Niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende binnen de aangiftetermijn gemotiveerd te kennen heeft gegeven dat hij van mening is dat hij geen aangifte hoefde te doen, omdat hij niet als ondernemer zou zijn aan te merken. Dit betekent dat belanghebbende voor alle onderhavige tijdvakken niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Dat de inspecteur over de tijdvakken in 2014 een naheffingsaanslag heeft opgelegd voordat de aangiftetermijn is verstreken, staat daaraan in dit geval niet in de weg. Dit heeft tot gevolg dat de bewijslast voor alle tijdvakken wordt omgekeerd en verzwaard. Dat betekent dat, indien de inspecteur de omzetbelasting redelijk heeft geschat, voor alle in de naheffingsaanslagen betrokken tijdvakken de last op belanghebbende komt te rusten om te doen blijken, dat wil zeggen overtuigend aan te tonen, dat en in hoeverre de opgelegde naheffingsaanslagen onjuist zijn.
Redelijke schatting
De omkering en verzwaring van de bewijslast laat onverlet dat de naheffingsaanslag niet naar willekeur mag worden vastgesteld, maar moet berusten op een redelijke schatting. In dat kader rust op de inspecteur de taak zijn schatting zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan. De beoordeling of een schatting van de inspecteur redelijk (niet willekeurig) is, is niet streng. Wanneer de inspecteur daarin slaagt, ligt het vervolgens op de weg van de belastingplichtige, voor zover zij de juistheid van de schatting betwist, daarvoor het verzwaarde (tegen)bewijs te leveren.
De inspecteur heeft de schatting gebaseerd op de gegevens uit het mutatieoverzicht. Daarbij zijn de netto ontvangsten in de betreffende jaren bepaald op € 172.315 (2014), € 345.383 (2015), € 295.347 (2016) en € 359.847 (2017) (zie r.o. 3.20). Bij het opstellen van de schatting heeft de inspecteur concrete en verifieerbare gegevens in aanmerking genomen. Naar het oordeel van de rechtbank is de daarop gebaseerde schatting van de inspecteur redelijk.
Heeft belanghebbende doen blijken dat de naheffingsaanslagen naar een te hoog bedrag zijn vastgesteld?
Vervolgens rust de bewijslast op belanghebbende om te doen blijken dat de naheffingsaanslag na uitspraak op bezwaar te hoog is vastgesteld. Belanghebbende heeft tegen de berekening zelf niets aangevoerd en dus niet doen blijken dat de naheffingsaanslagen te hoog zijn vastgesteld.
Conclusie ten aanzien van de naheffingsaanslagen
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de naheffingsaanslagen terecht en niet tot te hoge bedragen zijn opgelegd.
Belastingrente
5. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de beschikkingen belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikkingen.
De verzuimboete (2015)
6. Gelijktijdig met de naheffingsaanslag OB 2015 is aan belanghebbende door de inspecteur een verzuimboete van € 5.278 opgelegd, omdat belanghebbende de verschuldigde omzetbelasting niet of niet tijdig heeft betaald. De verzuimboete is opgelegd op grond van artikel 67c van de AWR in samenhang met paragraaf 24 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) en bedraagt 10% van de verschuldigde omzetbelasting.
De rechtbank stelt voorop dat belanghebbende is uitgenodigd tot het doen van aangifte voor het tijdvak 2015. Vaststaat dat de aangifte niet (tijdig) is ingediend. Daarom is sprake van een verzuim. Dat betekent dat de verzuimboete als uitgangspunt terecht aan belanghebbende is opgelegd.
De mate van verwijtbaarheid speelt bij het opleggen van een verzuimboete geen rol, tenzij sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas). In dat geval dient het opleggen van een verzuimboete achterwege te blijven. Van avas is sprake als belanghebbende alle in de gegeven omstandigheden van hem in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om het verweten feit te voorkomen.
Belanghebbende heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd op basis waarvan aannemelijk is geworden dat sprake is van avas. De rechtbank is dan ook van oordeel dat geen sprake is van avas. De verzuimboete is daarom terecht opgelegd.
Undue delay
De rechtbank constateert dat de redelijke termijn is overschreden. Daarbij neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat 30 december 2020 geldt als aanvangsmoment van de redelijke termijn, omdat de verzuimboete op dat moment is opgelegd. Tussen de hiervoor genoemde datum en de datum van de uitspraak van de rechtbank (20 augustus 2026) is een periode van afgerond 68 maanden verstreken.
In het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een redelijke termijn in beginsel 24 maanden is (voor bezwaar- en beroepsfase), tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De rechtbank acht geen bijzondere omstandigheden aanwezig om de redelijke termijn te verlengen. Daarmee is de redelijke termijn van 24 maanden overschreden met 44 maanden (‘undue delay’). Dit geeft aanleiding tot matiging van de verzuimboete. De rechtbank matigt de verzuimboete daarom met 20% tot € 4.222. De rechtbank acht deze boete in het onderhavige geval passend en geboden.
Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden aangedragen die aanleiding geven tot een verdere matiging.
De vergrijpboete (2016-2017)
7. Gelijktijdig met de naheffingsaanslag OB 2016-2017 is aan belanghebbende door de inspecteur een vergrijpboete van € 50.000 opgelegd. De vergrijpboete is opgelegd op grond van artikel 67f van de AWR in samenhang met paragraaf 25 en 28 van het BBBB.
De rechtbank stelt voorop dat de aanwezigheid van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Dit dient te worden begrepen als ‘doen blijken’, dat wil zeggen: ‘overtuigend aantonen’. De rechtbank zal daarom beoordelen of de inspecteur heeft doen blijken dat het aan (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende is te wijten dat zij voor de tijdvakken in de jaren 2016 en 2017 omzetbelasting welke op aangifte moest worden voldaan niet heeft betaald.
Onder opzet wordt verstaan het willens en wetens handelen. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Daarvoor moet vaststaan (i) dat belanghebbende wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting zou worden geheven, en (ii) dat zij deze kans bovendien bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).
Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur voor alle tijdvakken gelegen in beide jaren geslaagd in zijn bewijslast dat sprake is van ten minste voorwaardelijk opzet. De rechtbank overweegt, gelet op de omstandigheden genoemd in 4.4, dat belanghebbende door het niet doen van de aangiften omzetbelasting bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat geen of te weinig omzetbelasting zou worden voldaan. Belanghebbende heeft daarmee het in artikel 67f van de AWR opgenomen vergrijp begaan, zodat de vergrijpboete terecht aan belanghebbende is opgelegd.
Undue delay
De rechtbank constateert dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak in eerste feitelijke instantie met (afgerond) 43 maanden. Daarbij neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat 29 januari 2021 geldt als aanvangsmoment van de redelijke termijn en zij uitspraak doet op 20 augustus 2026. De rechtbank matigt de vergrijpboete daarom met 20% tot € 40.000. De rechtbank acht deze boete in het onderhavige geval passend en geboden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de inspecteur de vergrijpboete reeds heeft gematigd vanwege samenloop met correcties in de inkomstenbelasting en de door het OM aan belanghebbende opgelegde strafbeschikking.
Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden aangedragen die aanleiding geven tot een verdere matiging.
Conclusie en gevolgen
8. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslagen en de belastingrentebeschikkingen in stand blijven. Wel worden de boetebeschikkingen gematigd vanwege de overschrijding van de redelijke termijn.
Omdat de beroepen ongegrond zijn, krijgt belanghebbende het griffierecht niet terug. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- vermindert de boetebeschikking ter zake van de naheffingsaanslag OB 2015 tot € 4.222;
- vermindert de boetebeschikking ter zake van de naheffingsaanslag OB 2016-2017 tot € 40.000.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, voorzitter, en mr.drs. S.J. Willems-Ruesink en mr. T.S.K.L. Tjon, leden, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier. De uitspraak is ondertekend door de oudste rechter, omdat de voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch(belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.