de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de ontvanger van 27 december 2024.
De ontvanger heeft bij beschikking van 27 augustus 2024 op grond van artikel 26a Invorderingswet 1990 de belastingschulden die zien op de volgende naheffingsaanslagen omzetbelasting kwijtgescholden:
Belastingmiddel
Jaar/tijdvak
Aanslagnummer
Openstaand bedrag
Omzetbelasting
2016
[aanslagnummer] .F046210
€ 898
Omzetbelasting
2016
[aanslagnummer] .F046300
€ 10.241
Omzetbelasting
2016
[aanslagnummer] .F046501
€ 4.913
Omzetbelasting
2017
[aanslagnummer] .F047240
€ 3.388
Omzetbelasting
2017
[aanslagnummer] .F047270
€ 2.526
Omzetbelasting
2017
[aanslagnummer] .F047301
€ 1.266
Omzetbelasting
2018
[aanslagnummer] .F048240
€ 474
Omzetbelasting
2018
[aanslagnummer] .F048241
€ 1.552
Omzetbelasting
2018
[aanslagnummer] .F048370
€ 1.764
Omzetbelasting
2018
[aanslagnummer] .F048300
€ 515
De ontvanger heeft het bezwaar van belanghebbende kennelijk ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2026 op een (regie)zitting behandeld, gelijktijdig met de beroepen van belanghebbende met zaaknummers BRE 25/2870, 25/2872 t/m 25/2876, 25/2878, 25/2879, 25/3341, 25/3343 t/m 25/3349, 25/6412, 25/6584, 25/6586 en 25/6587, 24/7667 en 24/6610. Hieraan hebben deelgenomen:
Belanghebbende;
Namens de inspecteur: mr. drs. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] , mr. [inspecteur 3] , [inspecteur 4] en [inspecteur 5] ;
Namens de ontvanger: drs. [gemachtigde 1] , [gemachtigde 2] , mr. [gemachtigde 3] en [gemachtigde 4] .
De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2026 op een (nadere) zitting behandeld, gelijktijdig met de beroepen van belanghebbende met zaaknummers BRE 24/7667 en 24/6610. Hieraan hebben deelgenomen;
Belanghebbende;
Namens de inspecteur: mr. drs. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] , mr. [inspecteur 3] , [inspecteur 5] en A.A. van Rijswijk;
Namens de ontvanger: [gemachtigde 2] en [gemachtigde 4] .
De rechtbank heeft van beide zittingen een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift naar partijen is verzonden.
Feiten
2. Belanghebbende had in de jaren 2016 t/m 2018 een eenmanszaak. Over tijdvakken gelegen in de jaren 2016 t/m 2018 zijn naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd.
Belanghebbende is aangemerkt als een gedupeerde in de kinderopvangtoeslagaffaire en heeft om deze reden een herstelmaatregel ontvangen van minimaal € 30.000.
Met dagtekening 27 augustus 2024 heeft de ontvanger kwijtschelding verleend voor de openstaande belastingschulden op de onder 1.1 genoemde naheffingsaanslagen omzetbelasting over tijdvakken gelegen in de jaren 2016 t/m 2018 (het primaire besluit).
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt de juistheid van de kwijtscheldingsbeschikking. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep van belanghebbende ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Motivering
4. Ter zitting is vast komen te staan dat belanghebbende het ermee eens is dat belastingschulden die zien op de naheffingsaanslagen omzetbelasting bij het primaire besluit zijn kwijtgescholden. Belanghebbende stelt dat de bedragen van de naheffingsaanslagen en daardoor de belastingschulden die zijn kwijtgescholden niet tot de juiste hoogte zijn vastgesteld.
De rechtbank overweegt dat de verschuldigde bedragen aan omzetbelasting zijn vastgesteld bij naheffingsaanslagen over tijdvakken gelegen in de jaren 2016 t/m 2018. Na het opleggen van de naheffingsaanslagen had belanghebbende de mogelijkheid om door het instellen van bezwaar op te komen tegen de hoogte van de aanslagen. Inmiddels staan de naheffingsaanslagen echter vast. De ontvanger heeft deze vaststaande bedragen kwijtgescholden. Ter zitting heeft belanghebbende erkend dat de ontvanger ook niet meer had kunnen doen dan de bedragen van de aanslagen kwijt te schelden. Dat belanghebbende het niet eens is met kort gezegd hoe hoog de bedragen waren die zijn kwijtgescholden, kan belanghebbende in deze procedure niet baten: de integrale bedragen zijn immers kwijtgescholden. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep daarmee ongegrond.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het primaire besluit gehandhaafd blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, voorzitter, en mr. V.A. Burgers en mr. T.S.K.L. Tjon, leden, in aanwezigheid van R.M.P. Dees, griffier, op 20 augustus 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.