ECLI:NL:RBZWB:2026:8024

ECLI:NL:RBZWB:2026:8024

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 20-08-2026
Datum publicatie 21-08-2026
Zaaknummer BRE 24/6610
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Artikel 26a, vijfde lid, Invorderingswet 1990. Kwijtschelding zakelijke belastingschulden. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de belastingschulden die zien op de naheffingsaanslagen omzetbelasting terecht niet kwijtgescholden door de ontvanger. Belanghebbende heeft door het opzettelijk niet betalen van de belasting die op de aangiften omzetbelasting moest worden voldaan ernstig verwijtbaar gehandeld. Dat op het moment van het nemen van de afwijzende kwijtscheldingsbeschikking het Hof het OM niet-ontvankelijk had verklaard, maakte ook niet dat de ontvanger de schulden moest kwijtschelden.

Uitspraak

de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de ontvanger van 13 augustus 2024.

De ontvanger heeft met dagtekening 1 december 2023 op grond van artikel 26a Invorderingswet 1990 een afwijzende beschikking genomen voor de kwijtschelding van zakelijke belastingschulden over de belastingjaren 2016 t/m 2018 (het primaire besluit).

De ontvanger heeft het bezwaar van belanghebbende gedeeltelijk gegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2026 op een (regie)zitting behandeld, gelijktijdig met de beroepen van belanghebbende met zaaknummers BRE 25/2870, 25/2872 t/m 25/2876, 25/2878, 25/2879, 25/3341, 25/3343 t/m 25/3349, 25/6412, 25/6584, 25/6586 en 25/6587, 24/7667 en 25/704. Hieraan hebben deelgenomen:

Belanghebbende;

Namens de inspecteur: mr. drs. [inspecteur 1], mr. [inspecteur 2], mr. [inspecteur 3], [inspecteur 4] en [inspecteur 5];

Namens de ontvanger: drs. [gemachtigde 1], [gemachtigde 2], mr. [gemachtigde 3] en [gemachtigde 4].

De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2026 op een (nadere) zitting behandeld, gelijktijdig met de beroepen van belanghebbende met zaaknummers BRE 24/7667 en 25/704. Hieraan hebben deelgenomen:

Belanghebbende;

Namens de inspecteur: mr. drs. [inspecteur 1], mr. [inspecteur 2], mr. [inspecteur 3], [inspecteur 5] en [inspecteur 6];

Namens de ontvanger: [gemachtigde 2] en [gemachtigde 4].

De rechtbank heeft van beide zittingen een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift naar partijen is verzonden.

Feiten

2. Belanghebbende had in de jaren 2016 t/m 2018 een eenmanszaak. Over tijdvakken gelegen in de jaren 2016 t/m 2018 zijn naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd.

Belanghebbende is aangemerkt als een gedupeerde in de kinderopvangtoeslagaffaire en heeft om deze reden een herstelmaatregel ontvangen van minimaal € 30.000.

Op 4 oktober 2018 is belanghebbende door de politierechter veroordeeld voor het ‘opzettelijk de belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet of gedeeltelijk niet betalen’. Belanghebbende is tegen deze veroordeling in hoger beroep gegaan. Het Hof heeft in het vonnis van 13 april 2021 het O-M niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging verklaard. In cassatie is dit vonnis vernietigd en is de zaak verwezen naar het Hof. Het Hof heeft in het vonnis van 22 april 2024 bewezen verklaard dat belanghebbende meermalen opzettelijk de belasting welke op aangifte moet worden voldaan niet heeft betaald. Het Hof heeft het bewezenverklaarde strafbaar verklaard en bepaald dat ter zake daarvan geen straf of maatregel wordt opgelegd. Tegen deze uitspraak van het Hof is cassatie ingesteld.

Vanuit proceseconomische redenen heeft de officier van justitie per jaar één aangifte omzetbelasting geselecteerd voor de strafrechtelijke vervolging. De strafrechtelijke veroordelingen zien op de belasting met betrekking tot de aangiften omzetbelasting over het derde kwartaal van 2016, het eerste kwartaal van 2017 en het eerste kwartaal van 2018.

De naheffingsaanslag omzetbelasting over het derde kwartaal van 2016, aanslagnummer [aanslagnummer].F.04.6270, is door de inspecteur bij uitspraak op bezwaar van 2 november 2018 verminderd tot nihil.

De ontvanger heeft met dagtekening 1 december 2023 het primaire besluit genomen en daarbij geen kwijtschelding verleend omdat naar zijn mening sprake is van ernstig verwijtbaar handelen. De ontvanger heeft daarbij vermeld dat belanghebbende door de politierechter strafrechtelijk is veroordeeld voor de omzetbelasting over de belastingjaren 2016 t/m 2018. De beschikking ziet op de volgende zakelijke belastingschulden:

Belastingmiddel

Jaar/tijdvak

Aanslagnummer

Openstaand bedrag

Omzetbelasting

2016

[aanslagnummer].F046210

€ 898

Omzetbelasting

2016

[aanslagnummer].F046300

€ 10.241

Omzetbelasting

2016

[aanslagnummer].F046501

€ 4.913

Omzetbelasting

2017

[aanslagnummer].F047210

€ 5.206

Omzetbelasting

2017

[aanslagnummer].F047240

€ 3.388

Omzetbelasting

2017

[aanslagnummer].F047270

€ 2.526

Omzetbelasting

2017

[aanslagnummer].F047301

€ 1.266

Omzetbelasting

2018

[aanslagnummer].F048210

€ 6.051

Omzetbelasting

2018

[aanslagnummer].F048240

€ 474

Omzetbelasting

2018

[aanslagnummer].F048241

€ 1.552

Omzetbelasting

2018

[aanslagnummer].F048370

€ 1.764

Omzetbelasting

2018

[aanslagnummer].F048300

€ 515

Belanghebbende heeft met dagtekening 7 december 2023 een bezwaarschrift ingediend tegen het primaire besluit van de ontvanger.

De ontvanger heeft met dagtekening 13 augustus 2024 uitspraak op bezwaar gedaan. Daarbij is de ontvanger gedeeltelijk tegemoetgekomen aan het bezwaar van belanghebbende omdat niet voor alle naheffingsaanslagen over de belastingjaren 2016 t/m 2018 een strafrechtelijke veroordeling is uitgesproken. Er is alsnog kwijtschelding verleend voor de tijdvakken waarop de strafrechtelijke veroordeling van het Hof van 22 april 2024 geen betrekking heeft. Alleen de belastingschulden die zien op de naheffingsaanslagen omzetbelasting over de tijdvakken 1 januari 2017 tot en met 31 maart 2017, aanslagnummer [aanslagnummer].F047210, en 1 januari 2018 tot en met 31 maart 2018, aanslagnummer [aanslagnummer].F048210, zijn niet kwijtgescholden (de naheffingsaanslagen).

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de ontvanger terecht de belastingschulden die zien op de naheffingsaanslagen omzetbelasting over het eerste kwartaal van 2017 en het eerste kwartaal van 2018 niet heeft kwijtgescholden. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de ontvanger de belastingschulden die zien op de naheffingsaanslagen omzetbelasting over het eerste kwartaal van 2017 en het eerste kwartaal van 2018 terecht niet kwijtgescholden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Motivering

4. De ontvanger verleent bij voor bezwaar vatbare beschikking ambtshalve kwijtschelding van het nog op 31 december 2020 openstaande bedrag van een belastingaanslag van een persoon als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen. Geen kwijtschelding wordt verleend indien het ontstaan of niet voldoen van de belastingaanslag het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de belastingschuldige.

De ontvanger stelt dat geen kwijtschelding mogelijk is van de belastingschulden op de naheffingsaanslagen omdat belanghebbende ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. De ontvanger wijst er daarbij op dat naar aanleiding van het ontstaan of onbetaald blijven van de belastingschuld vervolging is ingesteld en belanghebbende strafrechtelijk is veroordeeld voor het opzettelijk niet voldoen van de omzetbelasting. Naar zijn mening is de straftoemeting en de herroepelijkheid van het vonnis niet relevant. Belanghebbende voert aan dat hij op het moment van het nemen van het primaire besluit was vrijgesproken van de in 2.2 genoemde feiten en bovendien nog steeds geen sprake is van een onherroepelijke veroordeling en dat daarom ten onrechte geen kwijtschelding is verleend voor de belastingschulden die zien op naheffingsaanslagen.

Uit de totstandkoming van artikel 26a Invorderingswet 1990 volgt:

‘Onder bepaalde omstandigheden wordt het niet wenselijk geacht om kwijtschelding te verlenen. Het gaat hierbij om schulden die het gevolg zijn van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de belasting schuldige. Hiervan is bijvoorbeeld sprake wanneer het ontstaan of onbetaald blijven van de openstaande belastingschuld aantoonbaar te wijten is aan het opzettelijk handelen of nalaten van de ouder of de partner en in verband hiermee een vergrijpboete is opgelegd van 50% of meer van het wettelijk maximum, of had kunnen worden opgelegd, maar de financiële omstandigheden van de belastingplichtige tot een matiging van de vergrijpboete noopten. Een ander voorbeeld waarin kwijtschelding van belastingschuld evenmin plaats zal vinden is wanneer naar aanleiding van het ontstaan of onbetaald blijven hiervan vervolging is ingesteld op grond van het fiscale strafrecht. Er zijn nog meer voorbeelden denkbaar. De genoemde voorbeelden geven een sterke aanwijzing om geen kwijtschelding te verlenen maar zijn geen vereiste. Hierdoor wordt er ruimte gelaten om in het beleid ook andere gevallen op te nemen waarbij schulden, die het gevolg zijn van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten, niet kwijt te schelden.’ (…) ‘Kwijtschelding van de belastingschuld vindt evenmin plaats als naar aanleiding van het ontstaan of onbetaald blijven hiervan strafrechtelijke vervolging is ingesteld.’

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de belastingschulden die zien op de naheffingsaanslagen terecht niet kwijtgescholden door de ontvanger. Belanghebbende is strafrechtelijk veroordeeld met betrekking tot het niet betalen van elementen opgenomen in de naheffingsaanslagen. Het Hof heeft op 22 april 2024 bewezenverklaard dat belanghebbende dit opzettelijk niet heeft gedaan. Dat belanghebbende geen straf opgelegd heeft gekregen voor de in 2.2 genoemde feiten en het vonnis nog niet onherroepelijk is, doet daar niet aan af. De rechtbank overweegt hiertoe dat de wetgever met de invoering van artikel 26a, vijfde lid, Invorderingswet 1990 heeft willen voorkomen dat publieke belastingschulden worden kwijtgescholden als deze zijn ontstaan door het verwijtbaar handelen van een belastingplichtige. Belanghebbende is strafrechtelijk veroordeeld in dit kader en het opzettelijk niet betalen van de belasting die op de aangiften omzetbelasting over de onderhavige tijdvakken moest worden voldaan is dus naar het oordeel van de rechtbank verwijtbaar. Dat op het moment van het nemen van het primaire besluit de stand van zaken was dat het Hof op 13 april 2021 het OM niet-ontvankelijk had verklaard, maakte ook niet dat de ontvanger de schulden moest kwijtschelden. De veroordeling stond niet onherroepelijk vast en de ontvanger kon nog steeds het standpunt innemen dat sprake was van ernstig verwijtbaar handelen. Daarom was de ontvanger niet verplicht om de belastingschulden die zien op de naheffingsaanslagen kwijt te schelden en is het beroep ongegrond.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de belastingschulden die zien op de naheffingsaanslagen terecht niet zijn kwijtgescholden en daarom gehandhaafd blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, voorzitter, en mr. V.A. Burgers en mr. T.S.K.L. Tjon, leden, in aanwezigheid van R.M.P. Dees, griffier, op

20 augustus 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026082802 NLF 2026/1775 V-N Vandaag 2026/1779
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand