[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: [gemachtigde] , verbonden aan Meesterboete.nl),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Breda (P1), de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 6 mei 2024.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer] opgelegd (de naheffingsaanslag).
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard en de naheffingsaanslag vernietigd. De heffingsambtenaar heeft het verzoek om een kostenvergoeding afgewezen.
De rechtbank heeft de beroepen op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Partijen waren niet aanwezig.
Belanghebbende en zijn gemachtigde zijn, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. De gemachtigde van belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 11 mei 2026 aan het op het beroepschrift vermelde adres [adres], onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 15 mei 2026 is afgehaald bij een PostNL-punt. De rechtbank is van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden.
Namens de heffingsambtenaar is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niemand verschenen. De heffingsambtenaar is via het systeem Digitale Toegang op 11 mei 2026 om 13.35 uur, onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd de zitting bij te wonen. De rechtbank stelt daarmee vast dat de heffingsambtenaar correct en op juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd.
Feiten
2. De auto met kenteken [kenteken] stond op 24 november 2023 omstreeks 15:17 uur stil aan de Mauritsstraat te Breda. Tijdens een controle op voornoemde datum en tijdstip is door middel van een scanauto geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan.
Naar aanleiding van de constatering dat geen parkeerbelasting was voldaan, is aan belanghebbende een naheffingsaanslag opgelegd van € 55,05 bestaande uit een bedrag aan belasting van € 2,30 en € 52,75 aan kosten van de naheffingsaanslag.
Bij uitspraak op bezwaar van 6 mei 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar tegen de naheffingsaanslag gegrond verklaard en de naheffingsaanslag vernietigd. Omdat de naheffingsaanslag volgens de heffingsambtenaar niet wordt herroepen vanwege een aan hem te wijten onrechtmatigheid, is het verzoek om een kostenvergoeding afgewezen.
Op 7 mei 2024 stuurt de heffingsambtenaar een aanvullend schrijven. Daarin is onder andere opgenomen: “ Voor wat betreft de dwangsom. Op 13 februari 2024 heb ik u gebeld om een afspraak in te plannen voor een hoorzitting en heb daarbij een voicemail bericht ingesproken. Hierop heb ik geen reactie van u ontvangen. Op 24 april heb ik u nogmaals gebeld een een hoorzitting ingepland op 1 mei 2024 waarna er een besluit genomen is op 6 mei 2024. De brief die u in de tussentijd op 18 maart 2024 verstuurd heeft, had als onderwerp: aanvullende gronden. Hierdoor is de brief door de administratie aan het dossier gekoppeld zonder een melding naar ons toe dat het in feite om een ingebrekstelling ging.”
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar terecht geen kostenvergoeding voor de bezwaarfase aan belanghebbende heeft toegekend. Tevens beoordeelt de rechtbank of belanghebbende recht heeft op een dwangsom wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar ten onrechte geen kostenvergoeding toegekend en heeft de heffingsambtenaar wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar een dwangsom verbeurd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Schending van artikel 8:42 Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Op grond van artikel 8:42 van de Awb dient de heffingsambtenaar de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen binnen vier weken na de dag van verzending van de gronden van het beroepschrift aan de heffingsambtenaar. Binnen deze termijn kan de heffingsambtenaar ook een verweerschrift indienen. Indien de rechter om een verweerschrift heeft verzocht, is de heffingsambtenaar gehouden binnen vier weken een verweerschrift in te dienen.
De rechtbank heeft de heffingsambtenaar bij brief van 8 januari 2025 verzocht om uiterlijk 5 februari 2025 een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen. Bij rappelbrief van 10 februari 2025 heeft de rechtbank de heffingsambtenaar opnieuw verzocht om uiterlijk 10 maart 2025 op het verzoek van de rechtbank te reageren. De heffingsambtenaar heeft niet op deze verzoeken gereageerd.
Uit voorgaande volgt dat de heffingsambtenaar heeft verzuimd de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen. Dit levert een schending van artikel 8:42 van de Awb op. Op grond van artikel 8:31 van de Awb zal de rechtbank hieraan de gevolgen verbinden die haar geraden voorkomen.
Kostenvergoeding bezwaarfase
De rechtbank stelt vast dat het voor de rechtbank niet mogelijk is om de zaak op een juiste wijze inhoudelijk te beoordelen nu het dossier in verregaande mate incompleet is. Daarnaast heeft de heffingsambtenaar zich desgevraagd niet verweerd en is niet ter zitting verschenen. Dit komt voor rekening van de heffingsambtenaar. De rechtbank zal haar oordeel baseren op de door belanghebbende overgelegde stukken. Nu de heffingsambtenaar niet nader heeft toegelicht en geen stukken heeft ingediend die de gestelde toegepaste coulance kunnen onderbouwen of verklaren, volgt de rechtbank het onweersproken standpunt van belanghebbende dat de naheffingsaanslag is vernietigd vanwege een aan de heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid. Gelet op voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar ten onrechte geen kostenvergoeding heeft toegekend. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en de uitspraak op bezwaar vernietigen voor zover de heffingsambtenaar heeft geweigerd de proceskosten in bezwaar te vergoeden. De rechtbank stelt conform het Besluit proceskostenvergoeding bestuursrecht de kostenvergoeding voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase vast op € 666 (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen bij de hoorzitting, met een waarde per punt van € 666 en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een lichte zaak en kent daarom een wegingsfactor 0,5 toe.
Dwangsom
Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een dwangsom wegens het niet-tijdig doen van uitspraak op bezwaar. De rechtbank merkt op dat zij, nu de heffingsambtenaar geen gedingstukken heeft overgelegd, uitgaat van de door belanghebbende overgelegde stukken en de data zoals deze in de stukken door belanghebbende zijn gepresenteerd.
Belanghebbende heeft op 27 december 2023 bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. De heffingsambtenaar moet in dit geval binnen zes weken na indiening op het bezwaarschrift beslissen. De termijn waarbinnen de heffingsambtenaar moet beslissen eindigde op 7 februari 2024. De heffingsambtenaar is op 18 maart 2024 in gebreke gesteld en heeft uiteindelijk op 6 mei 2024 uitspraak op bezwaar gedaan. Dit betekent dat het besluit niet op tijd is genomen.
De heffingsambtenaar betwist bij brief van 7 mei 2025 dat de brief van 18 maart 2024 kan worden aangemerkt als ingebrekestelling. De rechtbank is, gelet op de vereiste die aan een ingebrekestelling worden gesteld zoals bepaald in het arrest van de Hoge Raad van 14 oktober 2016, van oordeel dat de brief van 18 maart 2024 kan worden aangemerkt als ingebrekestelling. Het geschrift maakt, middels een verwijzing naar de kenmerknummers, voldoende duidelijk op welke aanvraag het betrekking heeft. Daarnaast stelt belanghebbende zich expliciet op het standpunt dat de heffingsambtenaar niet tijdig heeft beslist en dringt belanghebbende erop aan dat de heffingsambtenaar alsnog binnen twee weken een beslissing neemt. Het enkele gegeven dat de gemachtigde het onderwerp van de brief niet de naam ingebrekestelling heeft gegeven, maakt niet dat die brief geen ingebrekestelling is. Dat door die benaming de ingebrekestelling niet als dusdanig is erkend door de administratie van de heffingsambtenaar, dient voor rekening van de heffingsambtenaar te komen.
Nu de heffingsambtenaar de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom niet heeft vastgesteld, ook niet in de uitspraak op bezwaar, doet de rechtbank dit op grond van artikel 8:55c van de Awb alsnog.
Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. De heffingsambtenaar is over elke dag na 1 april 2024 tot de beslissing op 6 mei 2025 een dwangsom verschuldigd. Dit betekent dat een dwangsom van € 1.127 (14 x € 23 + 14 x € 35 + 7 x € 45) verschuldigd is.
Conclusie en gevolgen
4. De beroepen zijn gegrond. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar voor wat betreft de kostenvergoeding wordt vernietigd.
Omdat de beroepen gegrond zijn moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. Belanghebbende heeft recht op een kostenvergoeding in de bezwaarfase van € 666 en op een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase. De rechtbank stelt conform het Besluit proceskosten bestuursrecht de kosten, voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de beroepsfase, vast op € 467 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een lichte zaak en kent daarom een wegingsfactor 0,5 toe. Verder zijn er geen kosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. De vergoeding bedraagt in totaal € 1.133.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van mr. F. de Jong, griffier.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.