[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Breda (P1), de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 13 februari 2025.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer] opgelegd (de naheffingsaanslag).
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft belanghebbende deelgenomen. De heffingsambtenaar heeft zich bij brief van 7 juli 2026 afgemeld voor de zitting.
Feiten
2. Belanghebbende heeft op 12 november 2024 een auto met kenteken [kenteken] geparkeerd aan de Academiesingel te Breda. Tijdens een controle omstreeks 19:36 uur is door middel van een scanauto geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan.
Naar aanleiding van de constatering dat geen parkeerbelasting was voldaan, is aan belanghebbende een naheffingsaanslag opgelegd van € 63,95 bestaande uit een bedrag aan belasting van € 2,30 en € 61,65 aan kosten van de naheffingsaanslag.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende heeft opgelegd. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is de naheffingsaanslag terecht opgelegd?
Niet in geschil is dat de auto van belanghebbende op 12 november 2024 omstreeks 19:36 uur geparkeerd stond aan de Academiesingel te Breda en dat deze locatie door het college van burgemeester en wethouders is aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd. Ook is niet in geschil dat op het moment van het opleggen van de naheffingsaanslag geen parkeerbelasting was voldaan.
Belanghebbende voert aan dat hij heeft geprobeerd de parkeerbelasting te voldoen bij de parkeerautomaat, maar dat dit niet mogelijk was omdat zijn betaalpas werd geweigerd. Ter zitting heeft belanghebbende toegelicht dat hij zijn betaalpas in de dagen voor het parkeren meermaals heeft gebruikt en er daardoor zeker van was dat zijn betaalpas naar behoren werkte. Daarnaast was de parkeerautomaat beklad en hierdoor moeilijk leesbaar, aldus belanghebbende.
De heffingsambtenaar stelt dat de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. De stelling dat de parkeerautomaat niet goed leesbaar was en dat de betaalpas van belanghebbende werd geweigerd, ontslaat belanghebbende niet van de verplichting om parkeerbelasting te voldoen. Het komt voor rekening en risico van belanghebbende dat hij geen actie heeft ondernomen om zich naar een andere parkeerautomaat te begeven of om de parkeerbelasting middels een alternatieve betaalmethode te voldoen. Daarbij heeft belanghebbende niet onderbouwd dat het voor hem niet mogelijk was om zich te verplaatsen naar een nabijgelegen parkeerautomaat of gebruik te maken van een alternatieve betaalmethode, aldus de heffingsambtenaar.
De rechtbank overweegt als volgt. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van een parkeerder om ervoor te zorgen dat de verschuldigde parkeerbelasting tijdig, bij de aanvang van het parkeren en zolang er wordt geparkeerd, wordt voldaan. Volgens vaste jurisprudentie dient een parkeerder zich in te spannen om de parkeerbelasting te voldoen. Een defecte of onleesbare parkeerautomaat leidt er niet toe dat de parkeerder niet hoeft te betalen of dat de heffingsambtenaar moet afzien van het opleggen van een naheffingsaanslag. Belanghebbende had, zoals de heffingsambtenaar aangeeft, de mogelijkheid alsnog parkeerbelasting te voldoen bij een andere parkeerautomaat in dezelfde straat of omliggende straten. Uit hetgeen op zitting is besproken blijkt ook dat belanghebbende bekend was met nabijgelegen parkeerautomaten.
Ook is het is vaste rechtspraak dat in het geval de parkeerder niet beschikt over de juiste middelen om ter plekke de parkeerbelasting te voldoen, de parkeerbelasting onverwijld op andere wijze moet worden betaald. Dat belanghebbende op het moment van parkeren enkel beschikte over een V-pay kaart, welke volgens belanghebbende niet werd geaccepteerd bij de desbetreffende parkeerautomaat, en geen andere mogelijkheid had om de parkeerbelasting te voldoen, komt voor zijn eigen risico.
Hoewel de rechtbank er niet aan twijfelt dat belanghebbende de intentie heeft gehad om de parkeerbelasting te betalen, kan dit niet tot vernietiging van de naheffingsaanslag leiden. Opzet of schuld zijn bij de niet-voldoening van parkeerbelasting geen vereiste voor de bevoegdheid om een naheffingsaanslag op te leggen. Het enkele feit dat geen of te weinig parkeerbelasting is betaald is voldoende om tot oplegging van een naheffingsaanslag over te gaan. Nu belanghebbende geen parkeerbelasting heeft betaald, is de naheffingsaanslag terecht opgelegd.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag in stand blijft. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt belanghebbende zijn griffierecht niet vergoed. Belanghebbende krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van mr. F. de Jong, griffier.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.