2. De verdere beoordeling
In de beschikking van 23 december 2025 heeft de rechtbank aan de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) verzocht om een onderzoek in te stellen voor de beantwoording van een aantal vragen over de omgang tussen de man en [minderjarige] . De behandeling van de zaak is aangehouden tot 22 september 2026 in afwachting van de rapportage van de Raad. Daarnaast is het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van [minderjarige] aangehouden en verwezen naar cluster familie van deze rechtbank. De rechtbank heeft zich iedere verdere beslissing voorgehouden.
Op 30 april 2026 heeft de rechtbank het raadsrapport ontvangen. Hieruit blijkt het volgende. De Raad heeft als grootste zorg dat [minderjarige] geen onbelast contact heeft met beide ouders. Sinds eind juni 2011 is er geen enkele vorm van contact tussen [minderjarige] en haar vader. De Raad heeft zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling en identiteitsontwikkeling van [minderjarige] . Kinderen stammen af van beide ouders en hebben behoefte om te weten waar ze vandaan komen, welke kenmerken en gelijkenissen zij hebben met die van hun ouders en op welke manier hun ouders betrokken zijn (geweest) in hun leven. [minderjarige] heeft tot op heden onvoldoende zelfstandig een beeld kunnen vormen van haar vader. Daarnaast is een zorg dat er een groot verschil is van visie tussen ouders over de gebeurtenissen uit het verleden. Dit zorgt ervoor dat zij niet op een lijn zitten over wat er nu nodig is voor [minderjarige] en het contact tussen haar en haar vader. De Raad vindt het belangrijk dat er meer zicht komt of er bij [minderjarige] sprake is van angst of spanning rondom haar vader (en/of mannen). Als dit het geval is, dan moet er zicht komen waar deze spanning vandaan komt en wat er voor nodig is om die weg te nemen. Daarnaast moet worden onderzocht of er mogelijkheden zijn om tot contactherstel met haar vader te komen, waarbij het belangrijk is dat dit contact op een veilige en onbelaste manier kan plaatsvinden. Indien er mogelijkheden voor contactherstel worden gezien, dan is het belangrijk dat goed wordt gekeken naar hoe dit contact er uit moet gaan zien, hoe [minderjarige] hierop voorbereid gaat worden en wat hierin van ouders wordt verwacht. Ten aanzien van de vrouw is het belangrijk dat zij [minderjarige] kan ondersteunen bij de hulpverlening. De Raad gunt het de vrouw ook om persoonlijke hulp aan te gaan om gebeurtenissen uit het verleden te verwerken, maar ook om te kijken naar de manier waarop haar eigen draagkracht- en draaglastverhouding goed in balans kan blijven. De Raad geeft aan dat het gehele traject veel geduld zal vragen van de man en dat dit moeilijk voor hem kan zijn. Het is daarom belangrijk dat de man iemand heeft, waarmee hij kan praten over hoe het met hem gaat en waarmee hij worstelt. De Raad heeft gezien dat beide ouders open staan voor hulpverlening en dat zij beiden willen dat het goed gaat met [minderjarige] . Op grond van het onderzoek adviseert de Raad om het vaststellen van een definitieve omgangsregeling aan te houden in afwachting van de uitkomsten van een nog in te zetten hulpverleningstraject in het kader van het Uniform Hulpaanbod. Op dit moment kan de Raad nog geen definitief advies uitbrengen over de omgangsregeling, omdat eerst hulp moet worden opgestart voor [minderjarige] .
Beide partijen hebben richting de Raad aangegeven dat zij kunnen instemmen met het advies van de Raad. Ook hebben zij dit schriftelijk aan de rechtbank bevestigd.
Op basis van de inhoud van het raadsrapport is de rechtbank met partijen van oordeel dat hulpverlening geboden is. De rechtbank zal partijen, met hun schriftelijke instemming en dus zonder zitting, en [minderjarige] dan ook doorverwijzen voor (jeugd)hulpverlening naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West. Het loket stuurt het verwijzingsformulier met de resultatenlijst naar de gemeentelijke toegang. De toegang maakt samen met partijen een afspraak voor een zorgaanbieder. Met de zorgaanbieder gaan partijen werken aan de volgende resultaten:
- ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor [minderjarige] ;
- [minderjarige] heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.
De rechtbank is van oordeel dat ook moet worden gewerkt aan het volgende resultaat:
- [minderjarige] en de ouders hebben onbelast contact met elkaar.
Bij dit laatste resultaat overweegt de rechtbank dat zij met de Raad van oordeel is dat eerst meer zicht komt of er bij [minderjarige] sprake is van angst of spanning rondom haar vader (en/of mannen) en zo ja, waar deze spanningen vandaan komen en wat er voor nodig is om die weg te nemen. Daarna zal moeten worden onderzocht of er mogelijkheden zijn om tot contactherstel met haar vader te komen. Binnen de hulpverlening moet ook worden ingezet op de verbetering van de oudercommunicatie.
De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is bij deze beschikking gevoegd.
Na afloop van het hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapport op over het verloop en het resultaat van het traject. Ook de toegang maakt een rapport met als bijlage het door de zorgaanbieder opgestelde rapport. De rechtbank verzoekt het loket/de toegang om het volledige rapport uiterlijk op 26 januari 2027, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen.
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank partijen in de gelegenheid binnen twee weken na ontvangst van het rapport aan te geven of een nadere mondelinge behandeling nodig is. Verder maken partijen in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de verzoeken met betrekking tot de
kinderen.
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket/de toegang het volledige rapport ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie nodig is. De Raad informeert de rechtbank hierover binnen twee weken na ontvangst van het rapport.
Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van het rapport direct een advies kan geven, stelt de rechtbank partijen in de gelegenheid zich over dit advies en het verdere procesverloop uit te laten.
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen voor de beantwoording van de volgende vragen:
- welke omgangsregeling komt het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige] en hoe moet de eventuele omgangsregeling er qua aard, duur en frequentie uit zien?
- zijn er contra-indicaties voor omgang met de vader en zo ja, welke?
- in het geval er contra-indicaties zijn, in hoeverre zijn deze op te heffen: hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?
- in hoeverre moet de eventuele omgangsregeling met de vader worden opgebouwd?
- in hoeverre moet de eventuele omgangsregeling met de vader worden begeleid?
- welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in bovenstaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?
Na een onderzoek of interventie van de Raad zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen op het rapport van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.
Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank de verdere behandeling van het verzoek aanhouden.
3. De beslissing
De rechtbank:
verwijst partijen en [minderjarige] voor een (jeugd)hulpverleningstraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West;
verzoekt het loket/de toegang om uiterlijk 26 januari 2027 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, het volledige rapport over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, het rapport ook direct toe te sturen aan de Raad;
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van het rapport de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
verzoekt de Raad om, wanneer het (jeugd)hulpverleningstraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 2.10. vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat hij de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen;
houdt de verdere behandeling aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. Toekoen, kinderrechter en, in tegenwoordigheid van mr. Hurkmans, griffier, in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.