RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-283545-25
raadkamernummer : 25-025923
datum : 14 april 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klager] ,
geboren op [geboortedag] 1976 te [geboorteplaats] (Marokko),
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. G.J. Woodrow, advocaat te Tilburg (Tivolistraat 30, 5017 HR Tilburg),
hierna te noemen: klager.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
Op 31 maart 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. P. Kuipers en mr. G.J. Woodrow als gemachtigd advocaat van klager, (telefonisch) gehoord.
Klager is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan de klager.
Tijdens de raadkamerzitting van 24 februari 2026 heeft de officier van justitie beslist tot teruggave van de in beslag genomen witte IPhone aan klager en zich ten aanzien van het in beslag genomen geldbedrag op het standpunt gesteld dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het geldbedrag zal uitspreken. Hiertoe is door de officier van justitie aangevoerd dat uit het einddossier de verdenking van het medeplegen van voorbereidingshandelingen bij het vervaardigen van softdrugs volgt waarop de concept tenlastelegging is toegesneden en dat het in beslag genomen geldbedrag onderdeel uitmaakt van die tenlastelegging. De verdediging en de rechtbank beschikten niet over de concept tenlastelegging en de verdediging ook niet over het einddossier. De rechtbank heeft de zaak aangehouden, omdat het uitgangspunt moet zijn dat alle procesdeelnemers over hetzelfde dossier dienen te beschikken, alvorens een beslissing op het klaagschrift kan worden genomen. De rechter heeft naast de opdracht om alle relevante stukken aan de verdediging en de rechtbank te verstrekken, de officier van justitie ook verzocht om de teruggave van de witte IPhone aan klager te bewerkstelligen en na te gaan waar de blauwe Samsung telefoon is gebleven, waarover de officier van justitie al eerder tot teruggave had beslist.
De officier van justitie heeft in raadkamer aangevoerd dat de witte IPhone inmiddels is teruggegeven aan klager en dat nog wordt gezocht naar de blauwe Samsung. Voorts heeft hij gepersisteerd bij het eerder ingenomen standpunt dat het geldbedrag in relatie staat tot het tenlastegelegde feit en dat op basis daarvan het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het geldbedrag zal uitspreken.
De raadsman heeft aangevoerd dat er enkel een verdenking ligt van voorbereidingshandelingen bij de handel in softdrugs. Hij acht het hoogst onwaarschijnlijk dat de verbeurdverklaring van het geldbedrag zal volgen. Het treffen van voorbereidingshandelingen wil enkel zeggen dat iemand voornemens is iets te gaan doen. Volgens de oriëntatiepunten van het LOVS staan op dit feit ook geen geldboetes, zodat het geldbedrag niet in het kader van deze verdenking kan worden gezien. Klager heeft een verifieerbare verklaring afgelegd over het aangetroffen geldbedrag. Om die reden kan het beslag op het geldbedrag niet langer voortduren en wordt verzocht om teruggave van het geldbedrag aan klager. Voorts is voortduring van het beslag in strijd met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.
2. De beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend.
Voor zover het klaagschrift zich richt tegen het beslag op de witte IPhone en de blauwe Samsung stelt de rechtbank op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting van
24 februari 2026 vast dat het beslag op beide telefoons is geëindigd, omdat de witte IPhone reeds op 22 januari 2026 aan klager is teruggegeven en ten aanzien van de blauwe Samsung is besloten tot teruggave aan klager. De rechtbank zal klager voor dit onderdeel niet-ontvankelijk verklaren in zijn beklag.
Het klaagschrift ziet verder nog op het strafvorderlijke beslag dat is gelegd op een geldbedrag van € 4.490,00.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Het beslag op de voorwerpen blijft gehandhaafd als er een strafvorderlijk belang is op grond van artikel 94 Sv. Dat is het geval wanneer:
- de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
De aanwezigheid van een strafvorderlijk belang sluit niet uit dat de rechtbank onder omstandigheden bij de beoordeling van het klaagschrift ook onderzoekt of voortzetting van het beslag voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Uit het einddossier volgt dat bij een doorzoeking van de woning van klager bijna acht kilogram hennep en diverse drugs gerelateerde zaken zijn aangetroffen.
Uit het dossier volgt verder dat klager een contant geldbedrag van € 4.490,00 in zijn zak had zitten. Dit bedrag is op grond van artikel 94 Sv (aantonen wederrechtelijk verkregen voordeel) in beslag is genomen. Uit de concept tenlastelegging blijkt dat klager wordt verdacht van voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet en dat hij dit geldbedrag in dit kader voorhanden had. Klager heeft tijdens zijn verhoor als verdachte verklaard dat het geldbedrag afkomstig is van zijn bewindvoerder en voor het overige afkomstig is van behaalde winst in het " [casino] " aan de [adres] in [plaats] . Uit een verklaring van een medewerkster van het betreffende casino (proces-verbaal van bevindingen PL2000-2025031199-30) volgt dat de heer [klager] inderdaad meerdere dagen per week in het casino komt om te gokken.
Gelet op deze omstandigheden - uitgaande van de stand van zaken ten tijde van de behandeling van het klaagschrift en de summiere toetsing - acht de rechtbank dat het niet hoogst waarschijnlijk is dat de rechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het geldbedrag zal bevelen. Immers zou dit geldbedrag dan zijn verkregen door strafbaar handelen, maar niet valt in te zien hoe het voorbereiden van een Opiumwetdelict kan hebben geleid tot het geldelijk gewin van dit bedrag. De rechtbank is van oordeel dat het geldbedrag moet worden terug gegeven aan klager.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het klaagschrift tegen het artikel 94 Sv beslag gegrond verklaren.
3. De beslissing
De rechtbank:
- verklaart klager niet-ontvankelijk in het beklag voor zover het is gericht tegen het op grond van artikel 94 Sv gelegde beslag op de blauwe Samsung en witte IPhone;
- verklaart het klaagschrift voor het overige gegrond en gelast de teruggave van het inbeslaggenomen geldbedrag aan klager.
Deze beslissing is genomen door mr. P.E. van Althuis, rechter, in tegenwoordigheid van
Mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 14 april 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).