RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer / rekestnummer: 12248292 \ AZ VERZ 26-41
Beschikking van 19 augustus 2026
in de zaak van
[werknemer] ,
te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. J.A. de Waard,
tegen
[werkgever] B.V.,
te [plaats 1] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [werkgever] .
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- de wijziging/aanvulling van het verzoek met overlegging van een productie.
Op 12 augustus 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Door de griffier zijn aantekeningen gemaakt. Na het sluiten van de mondelinge behandeling is beschikking bepaald op vandaag.
2. De feiten
[werknemer] is per [datum] 2023 in dienst getreden van [werkgever] in de functie van Tandartsassistente. Het loon bedroeg laatstelijk € 1.591,31 bruto per maand exclusief vakantietoeslag tegen een arbeidsomvang van 25,5 uur per week.
Per 1 maart 2026 is de arbeidsovereenkomst van rechtswege geëindigd.
3. Het verzoek
[werknemer] verzoekt, na wijziging van haar verzoek, de kantonrechter om [werkgever] te veroordelen tot betaling van:
€ 1.137,90 bruto aan achterstallig loon over februari 2026 en € 568,95 bruto aan wettelijke verhoging hierover,
€ 1.424,00 bruto aan transitievergoeding,
€ 1.689,15 bruto aan wettelijke vakantie-uren en € 924,08 bruto aan bovenwettelijke vakantie-uren en € 1.306,62 bruto aan wettelijke verhoging over deze bedragen,
€ 947,48 bruto vakantiegeld en € 473,74 bruto aan wettelijke verhoging hierover,
de wettelijke rente over de voorgaande bedragen vanaf 1 maart 2026.
[werknemer] stelt dat [werkgever] het loon over februari 2026 niet heeft betaald. Dit bedraagt € 1.137,90 bruto (70% van het gebruikelijke loon in verband met arbeidsongeschiktheid). Ook heeft [werkgever] bij de eindafrekening de vakantietoeslag en de openstaande vakantie-uren en de transitievergoeding niet betaald. Aangezien [werkgever] niet (tijdig) heeft betaald, maakt [werknemer] aanspraak op de maximale wettelijke verhoging.
4. De beoordeling
[werkgever] heeft op 11 augustus 2026 verzocht de mondelinge behandeling te verzetten. [werknemer] heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Het verzoek tot aanhouding is afgewezen, omdat [werkgever] tijdig op de hoogte is gesteld van de datum van de mondelinge behandeling en [werkgever] niet eerder haar bezwaar hiertegen kenbaar heeft gemaakt. [werkgever] is vervolgens niet op de mondelinge behandeling verschenen.
Het verzoek tot betaling van het achterstallige loon, de wettelijke en de bovenwettelijke vakantie-uren en het vakantiegeld is door [werkgever] niet weersproken. Ook het verzoek tot betaling van de wettelijke verhoging hierover is niet weersproken. De kantonrechter zal dit dan ook toewijzen. De verzochte wettelijke rente over het loon, de vakantie-uren en het vakantiegeld wordt toegewezen vanaf 1 maart 2026. De verzochte wettelijke rente over de wettelijke verhoging wordt toegewezen vanaf 21 april 2026, de dag volgend op de dag waarop [werkgever] de maximale wettelijke verhoging wegens verlate betaling van het loon verschuldigd is geworden.
Het verzoek om [werkgever] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt toegewezen, aangezien de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever niet is verlengd. [werkgever] wordt veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding, die € 1.424,00 bedraagt. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 2 april 2026.
De proceskosten komen voor rekening van [werkgever] omdat zij ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [werknemer] worden vastgesteld op € 986,00 (€ 265,00 aan griffierecht, € 577,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen € 1.137,90 bruto aan achterstallig loon over februari 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 maart 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen € 1.689,15 bruto aan wettelijke vakantie-uren en € 924,08 bruto aan bovenwettelijke vakantie-uren, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 1 maart 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen € 947,48 bruto aan vakantiegeld, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 maart 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen € 2.349,31 aan wettelijke verhoging over het achterstallig loon over februari 2026, de wettelijke vakantie-uren, de bovenwettelijke vakantie-uren en het vakantiegeld, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 21 april 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een transitievergoeding te betalen van € 1.424,00, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 2 april 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,
veroordeelt [werkgever] in de proceskosten, aan de zijde van [werknemer] tot vandaag vastgesteld op € 986,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Kool en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026.