RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-274577-25
raadkamernummer : 26-000406
datum : 31 maart 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedag] 1961 te [geboorteplaats] (Afghanistan),
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. M. Houweling advocaat te Roosendaal, (Bovendonk 11A, 4707 ZH Roosendaal),
hierna te noemen: verzoeker.
1. De procedure
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het op 6 januari 2026 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van:
Op 31 maart 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. P. Kuipers en mr. M. Houweling als gemachtigd advocaat van verzoeker, gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
Namens verzoeker is verzocht de vergoeding van bovengenoemde kosten toe te wijzen. Daartoe is in aanvulling op het verzoek aangevoerd dat de werkzaamheden die na datum sepot zijn verricht, zien op het laten opheffen van het door het Openbaar Ministerie op de woning gelegde conservatoire beslag. Een en ander is niet gemakkelijk verlopen. Verzoeker stelt dat deze werkzaamheden zo nauw verband houden met de verdenking, dat ook deze - beperkt gebleven - werkzaamheden voor vergoeding in aanmerking dienen te komen. Verzoeker meent dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat afgeweken moet worden van het algemene standpunt dat een tijdsbesteding van 30 minuten na sepot billijk is.
De officier van justitie heeft zich in afwijking van het schriftelijke standpunt van het Openbaar Ministerie op het standpunt gesteld dat er inderdaad sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat het verzoek integraal kan worden toegewezen. Het opheffen van het gelegde conservatoir beslag op de woning van verzoeker is niet eenvoudig geweest enhet is dan ook aannemelijk dat de advocaat extra werkzaamheden hierdoor heeft moeten verrichten.
2. De beoordeling
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen, omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank zou worden vervolgd.
Op grond van artikel 530 Sv kan aan een gewezen verdachte een vergoeding voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd.
Artikel 534 lid 1 Sv bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.
Verzoeker heeft een bedrag ter hoogte van € 4.086,36 verzocht voor kosten van rechtsbijstand. In raadkamer heeft de advocaat nog een nadere toelichting gegeven op het aantal uren dat na de datum van sepot is gedeclareerd. De rechtbank is van oordeel dat de advocaat het verzoek daarmee voldoende heeft toegelicht en acht het aantal uren dat aan rechtsbijstand is besteed begrijpelijk. Het verzochte bedrag aan kosten van rechtsbijstand acht zij in voldoende mate onderbouwd en komt de rechtbank ook billijk voor.
Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van € 825,00 toegekend.
3. De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van
€ 4.911,36, bestaande uit:
- € 4.086,36 aan kosten van rechtsbijstand;
- € 825,00 de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
bepaalt dat een bedrag van € 4.911.36 zal worden overgemaakt op [rekeningnummer]
ten name van [naam]
, onder vermelding van “ [vermelding] ”.
Deze beslissing is genomen door mr. P.E. van Althuis, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 31 maart 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.