RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-395050-24
v.i. nummer : 89-000147-51
raadkamernummer : 26-004141
datum : 10 april 2026
beslissing van de raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 6:6:8 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats] (Polen),
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. B. Çiçek, advocaat te Breda (Smederijstraat 2, 4814 DB Breda),
hierna te noemen: veroordeelde.
Feiten
Veroordeelde is op 31 juli 2025 door de meervoudige strafkamer van deze rechtbank veroordeeld voor het medeplegen van gijzeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden met aftrek van het voorarrest. Deze veroordeling is op 19 september 2025 onherroepelijk geworden.
Veroordeelde kwam op grond van de regeling inzake voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.) in beginsel in aanmerking voor v.i. met ingang van 18 maart 2026.
Het Openbaar Ministerie heeft op 27 januari 2026 besloten om de beslissing over de verlening van de v.i. uit te stellen met maximaal 90 dagen, te rekenen vanaf 18 maart 2026.
De veroordeelde heeft op 9 februari 2026 aan het Openbaar Ministerie verzocht om het besluit tot uitstel van v.i. te vernietigen en alsnog te beslissen dat veroordeelde op de oorspronkelijke v.i. datum voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld.
Procedure
Het bezwaar tegen de beslissing van het Openbaar Ministerie is op 11 februari 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand haar standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 31 maart 2026 het bezwaar in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de veroordeelde, zijn raadsman mr. B. Çiçek en de officier van justitie mr. P. Kuipers, in raadkamer gehoord.
Bezwaar
Veroordeelde kan zich niet verenigen met de beslissing van het Openbaar Ministerie om de beslissing over het verlenen van v.i. uit te stellen voor een periode van maximaal 90 dagen. Daartoe is het kortweg volgende aangevoerd.
Volgens de reclassering zou veroordeelde geen goedgekeurd verblijfsadres hebben, wat een voorwaarde is voor v.i.. Veroordeelde stelt dat hij een adres in [plaats] had opgegeven waar hij kon verblijven. Niemand had echter tegen hem gezegd dat dit geen goedgekeurd adres was. Na kennis te hebben genomen van de beslissing van het Openbaar Ministerie tot uitstel v.i. heeft veroordeelde direct een tweede adres doorgegeven waar hij terecht kan: [adres]. Dit adres is van een vriend die ook schriftelijk heeft verklaard dat veroordeelde op dat adres kan verblijven.
Veroordeelde stelt voorts dat hij zoveel mogelijk heeft meegedaan aan activiteiten binnen de P.I. en inmiddels ook een zorgverzekering heeft aangevraagd. Dat er tot op heden nog geen re-integratieplan is opgesteld en er dus nog geen stappen in de richting van zijn v.i. zijn gezet, is niet aan veroordeelde, maar aan de taalbarrière en het groot aantal opvolgende casemanagers te wijten.
De raadsman van veroordeelde heeft het bovenstaande in raadkamer herhaald. Veroordeelde had niet méér kunnen doen dan hij tot op heden heeft gedaan. Primair wordt dan ook verzocht om te beslissen dat veroordeelde alsnog in voorwaardelijke vrijheid wordt gesteld. Subsidiair wordt verzocht om de beslissing tot uitstel v.i. te matigen naar één maand. In die periode kan de huidige casemanager aan de slag gaan met het opstellen van een re-integratieplan. Veroordeelde heeft een kamer en een vangnet van vrienden en familie als hij vrijkomt.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft in raadkamer gepersisteerd bij de schriftelijke conclusie van het Openbaar Ministerie en zich in raadkamer op het standpunt gesteld dat het bezwaar ongegrond dient te worden verklaard, omdat het Openbaar Ministerie in redelijkheid tot de beslissing tot het niet verlenen van v.i. heeft kunnen komen.
Om in aanmerking te komen voor v.i. moet eerst worden voldaan aan een aantal voorwaarden. Een keiharde voorwaarde is een goedgekeurd verblijfadres. Hoewel veroordeelde een tweede adres heeft doorgegeven, dient dit adres eerst geverifieerd te worden. Vervolgens dient nog een onderzoek naar de aanvaardbaarheid van dat adres te worden uitgevoerd. Voorts heeft veroordeelde nog geen zorgverzekering, wat ook een voorwaarde is voor v.i.. Veroordeelde heeft bovendien nog niet deelgenomen aan detentiefasering, waardoor men nog onvoldoende een beeld heeft kunnen vormen van mogelijke recidiverisico’s en de omgang van veroordeelde met vrijheden. De uitstel-periode van drie maanden kan worden gebruikt om alles te regelen en de deelname aan zijn detentie- en re integratietraject te starten. De officier van justitie is van mening dat het subsidiaire voorstel van de raadsman om de uitstel v.i. te matigen naar één maand niet aan de orde kan zijn, nu deze periode te kort zal om alles te kunnen regelen.
Beoordeling
Het bezwaarschrift is tijdig conform artikel 6:6:8 lid 2 Sv binnen twee weken na de betekening van de kennisgeving ingediend bij de instantie (in eerste aanleg) die kennis heeft genomen van het strafbare feit waarvoor de sanctie is opgelegd waarop de beslissing ziet.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant is bevoegd voor de behandeling van het bezwaarschrift
Op grond van artikel 6:6:9, eerste lid, Sv dient de rechtbank te onderzoeken of het Openbaar Ministerie bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen. Daartoe wordt het volgende overwogen.
Uit de stukken in het dossier blijkt dat de reclassering heeft geadviseerd tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor een periode van 90 dagen.
De rechtbank is van oordeel dat het Openbaar Ministerie bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de beslissing heeft kunnen komen om de voorwaardelijke invrijheidstelling uit te stellen. Op het moment van besluitneming had veroordeelde nog niet deelgenomen aan detentiefasering, waardoor er nog onvoldoende een beeld kon worden gevormd van eventuele mogelijke recidiverisico's, evenals de omgang van veroordeelde met het toekennen van vrijheden. Ook was er op dat moment geen aanvaardbaar verblijfadres en was de zorgverzekering nog niet geregeld. Hoewel de aanloop naar de beslissing tot uitstel van v.i. niet geheel aan veroordeelde te wijten is, biedt dit naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende grond om het besluit tot uitstel van v.i. te vernietigen. Een veroordeelde moet eerst aan bepaalde voorwaarden voldoen, alvorens hij in aanmerking komt voor v.i.. De detentiefasering is bedoeld om een veroordeelde in stappen op weg te helpen, zodat hij na detentie niet zonder meer op straat wordt gezet zonder woning en verzekering. Daar is de maatschappij ook bij gebaat. De rechtbank ziet echter in hetgeen door en namens veroordeelde in raadkamer is aangevoerd aanleiding om uitstel van v.i. te matigen naar een periode van 45 dagen. Deze periode acht de rechtbank voldoende om aan voormelde voorwaarden invulling te geven. In zoverre is het bezwaar derhalve gegrond.
Beslissing
De rechtbank
- verklaart het bezwaar gegrond;
- bepaalt het tijdstip waarop de veroordeelde voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld op
1 mei 2026 al dan niet met daaraan door het Openbaar Ministerie te verbinden voorwaarden.
Deze beslissing is genomen door mr. P.E. van Althuis, rechter, in tegenwoordigheid van de griffier, mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.