RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-205911-25
raadkamernummers : 25-033745 en 25-033744
datum : 31 maart 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 164, negende lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW1994) en 530 Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [woonadres] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. M. Broere, advocaat te Roosendaal (Molenstraat 10, 4701 JS Roosendaal),
hierna te noemen: verzoeker.
1. De procedure
De procedure blijkt uit de volgende stukken:
het op 30 december 2025 bij de griffie ingediende verzoek dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 164 lid 9 WVW94 ten laste van de Staat voor een bedrag van:
- € 270,00, voor schade wegens de invordering van het rijbewijs;
het op 30 december 2025 bij de griffie ingediende verzoek dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van:
Namens verzoeker is verzocht een vergoeding van bovengenoemde schade toe te wijzen.
Het Openbaar Ministerie heeft zich in een schriftelijke reactie op het standpunt gesteld dat het verzoek geheel kan worden toegewezen.
Verzoeker en officier van justitie hebben ingestemd met een pro-formabehandeling van het verzoekschrift, waarbij verzoeker en de advocaat niet in raadkamer hoeven te verschijnen.
Op 31 maart 2026 heeft het onderzoek door de openbare raadkamer plaatsgevonden. Hierbij waren de officier van justitie mr. P. Kuipers en mr. M. Broere, aanwezig. Verzoeker is hierbij niet verschenen.
2. De beoordeling
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank zou worden vervolgd.
Op grond van artikel 164 lid 9 WVW wordt aan de gewezen verdachte een vergoeding toegekend voor de schade die hij ten gevolge van de invordering van het rijbewijs heeft geleden. De LOVS-uitgangspunten gaan sinds 7 juni 2024 uit van een forfaitaire vergoeding van € 15,00 per dag bij een ingevorderd rijbewijs.
Op grond van artikel 530 Sv kan aan een gewezen verdachte een vergoeding voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd.
Artikel 534 lid 1 Sv bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats heeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.
Het rijbewijs van verzoeker is op 2 juni 2025 ingevorderd ingevolge artikel 164 lid 9 WVW. Hoewel de beslissing tot teruggave van het rijbewijs in het raadkamerdossier ontbreekt, begrijpt de rechtbank uit het verzoekschrift dat verzoeker 18 dagen geen beschikking heeft gehad over zijn rijbewijs. Het Openbaar Ministerie heeft dit in haar schriftelijke reactie niet weersproken. De rechtbank zal daarom naar billijkheid een bedrag toekennen van (18 x
€ 15,00) € 270,00.
Het verzochte bedrag aan kosten van rechtsbijstand ter hoogte van € 1.259,09 is in voldoende mate onderbouwd en komt de rechtbank billijk voor. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen.
Voor de kosten verbonden aan de indiening van het verzoekschrift wordt het forfaitaire bedrag van € 340,00 toegekend. De rechtbank merkt daarbij op dat - gelet op het standpunt van het Openbaar Ministerie - de advocaat op voorhand al had ingestemd met een pro-formabehandeling van het verzoekschrift. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het niet billijk is een extra forfaitaire vergoeding voor de verschijning in raadkamer toe te kennen.
3. De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 164 lid 9 WVW94 toe tot een bedrag van € 270,00, voor schade wegens de invordering van het rijbewijs;
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van € 1.599,09, bestaande uit:
- € 1.259,09, aan kosten van rechtsbijstand;
- € 340,00, de kosten verbonden aan de indiening van het verzoekschrift in raadkamer;
bepaalt dat een bedrag van € 1.869,09 zal worden overgemaakt op [rekeningnummer] ten name van [naam] onder vermelding van “ [vermelding] ”.
Deze beslissing is genomen door mr. P.E. van Althuis, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 31 maart 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.