ECLI:NL:RBZWB:2026:8144

ECLI:NL:RBZWB:2026:8144

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 24-08-2026
Datum publicatie 24-08-2026
Zaaknummer BRE 25/4662
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Beëinding, intrekking en terugvordering bijstand. Einduitspraak na bestuurlijke lus. De belangenafweging in het kader van dringende redenen om al dan niet geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering blijft ontoereikend. Rechtbank voorziet zelf in de zaak en halveert de terugvordering.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres

het Dagelijks Bestuur van Orionis Walcheren (Orionis).

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 25/4662

(gemachtigde: mr. V.M.C. Verhaegen),

en

Procesverloop

1. In het besluit van 17 april 2025 (primair besluit) heeft Orionis met betrekking tot de uitkering van eiseres op grond van de Participatiewet (PW) besloten tot:

In het besluit van 15 augustus 2025 (bestreden besluit) heeft Orionis het bezwaar van eiseres hiertegen ongegrond verklaard. De uitkering is daarbij beëindigd per 7 april 2025 en ingetrokken over de periode van 11 mei 2022 tot en met 6 april 2025.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Orionis heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2026 op zitting behandeld, tegelijk met een ander beroep van eiseres met zaaknummer 25/4663. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Orionis heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.M. Feijtel, [persoon 1] en [persoon 2].

In de tussenuitspraak van 19 maart 2026 heeft de rechtbank Orionis in de gelegenheid gesteld om, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, een geconstateerd gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Orionis heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend. Eiseres heeft hier schriftelijk op gereageerd, waarna Orionis nogmaals heeft gereageerd.

De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek op 14 juli 2026 gesloten.

Overwegingen

2. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen.

Beëindiging en intrekking

3. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geconcludeerd dat het bestreden besluit ten aanzien van de beëindiging en intrekking de rechterlijke toetsing kan doorstaan. Het beroep voor zover dat over de beëindiging en intrekking gaat, slaagt dan ook niet. Voor de motivering hiervan verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.

Terugvordering

4. In de tussenuitspraak is verder overwogen dat het bestreden besluit ten aanzien van de terugvordering lijdt aan een motiveringsgebrek, omdat Orionis bij de belangenafweging of sprake is van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de ernstige psychische gevolgen voor eiseres van de terugvordering.

De rechtbank heeft Orionis in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen, door een nieuwe belangenafweging te maken waarbij ook de psychische gevolgen van de besluiten voor eiseres worden betrokken, om te bezien of alsnog (gedeeltelijk) moet worden afgezien van terugvordering.

Orionis heeft hiervan gebruik gemaakt en een aanvullende motivering ingebracht waarin – kort samengevat – wordt gesteld dat, hoe ingrijpend en ernstig de psychische gevolgen voor eiseres ook zijn, deze niet het uitzonderlijke en uitzichtloze karakter hebben dat volgens de geldende rechtspraak vereist is om dringende redenen aan te nemen die nopen tot het geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering. Orionis handhaaft daarom het besluit tot terugvordering, met dien verstande dat bij de daadwerkelijke invordering maatwerk zal worden geleverd binnen de kaders van de beslagvrije voet en het geldende beleid.

Eiseres heeft hierop gereageerd en onder andere gesteld dat de psychische problematiek het rechtstreekse gevolg is van de terugvordering. Daarbij is aanvullende medische informatie ingebracht, te weten (een deel van) het dossier van eiseres bij [organisatie].

In reactie hierop heeft Orionis laten weten te blijven bij zijn standpunt dat geen sprake is van een uitzonderlijke en uitzichtloze situatie die vereist is om op grond van dringende redenen geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. De overgelegde nadere medische informatie leidt niet tot een ander oordeel.

Toetsingskader

5. Op grond van het achtste lid van artikel 58 van de PW kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

In vier uitspraken van 10 december 2024 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) geoordeeld dat voortaan een ruimere invulling moet worden geven aan het begrip ‘dringende redenen’ om geheel of gedeeltelijk van terugvordering te kunnen afzien. Een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken moet zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald. Verder moet rekening worden gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De bestuursrechter moet deze afweging toetsen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en met name aan het evenredigheidsbeginsel.

Het oordeel van de rechtbank

6. In de tussenuitspraak is overwogen dat Orionis bij de belangenafweging ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de ernstige psychische gevolgen voor eiseres van de terugvordering. Naar het oordeel van de rechtbank is dit gebrek door Orionis niet hersteld, bezien in het licht van de genoemde rechtspraak van de CRvB. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Niet in geschil is dat bij eiseres sprake van ernstige psychische problematiek. Met Orionis stelt de rechtbank vast dat sprake is van een complex en langdurig bestaand psychiatrisch beeld. Anders dan eiseres stelt, kan uit de beschikbare medische informatie niet worden opgemaakt dat deze psychische problematiek het rechtstreekse gevolg is van de terugvordering. Maar uit die medische informatie blijkt wel dat het terugvorderingsbesluit een sterk ontregelende werking heeft gehad en al meerdere keren heeft geleid tot een ernstige terugval. Uit de verklaring van 1 juli 2025 van de verpleegkundig specialist van [organisatie] blijkt dat de besluiten van Orionis hebben geleid tot psychische decompensatie. In april 2026 was wederom sprake van een terugval in alcoholgebruik met ernstige suïcidale uitlatingen, wat heeft geleid tot een crisisopname. Tegen het einde van deze opname heeft eiseres zich weer suïcidaal geuit. Eén van de doelen van de behandeling is dan ook het verminderen van het risico op suïcide. Uit de medische informatie komt ook duidelijk naar voren dat de terugvordering hierbij een grote rol speelt. De rechtbank concludeert dat de psychische problemen van eiseres weliswaar niet direct voortkomen uit het terugvorderingsbesluit, maar daar wel door worden verergerd en in stand gehouden.

Bij de belangenafweging spelen ook het aandeel van Orionis en het eigen aandeel van eiseres bij het ontstaan van de terugvordering een rol. Orionis stelt dat hem geen verwijt kan worden gemaakt en benadrukt dat sprake is van een schending van de inlichtingenverplichting. De rechtbank is het daar op zich mee eens, zoals blijkt uit de tussenuitspraak. Dit behoeft echter wel enige nuancering. Zoals de CRvB heeft overwogen, is hierbij namelijk ook van belang of sprake is van een bewuste schending van de inlichtingenverplichting, een onoplettendheid, of een situatie waarin een betrokkene geen (vol) verwijt gemaakt kan worden, maar wel heeft moeten begrijpen dat zij te veel aan uitkering ontving. De rechtbank is van oordeel dat eiseres wel een verwijt kan worden gemaakt – in die zin dat zij had kunnen en moeten weten dat de niet verstrekte informatie van belang was voor haar recht op uitkering – maar een bewuste schending van de inlichtingenverplichting kan niet worden vastgesteld.

Naar het oordeel van de rechtbank getuigt het standpunt van Orionis om geen dringende redenen aan te nemen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien van een onevenwichtige afweging van de betrokken belangen. Het bestreden besluit kan op dit onderdeel dan ook geen stand houden en het beroep is dus gegrond.

Nu Orionis er ook na de geboden herstelmogelijkheid niet in is geslaagd een belangenafweging te maken die de rechterlijke toetsing kan doorstaan, valt niet te verwachten dat Orionis alsnog hierin zal slagen. Daarom ziet de rechtbank aanleiding zelf in de zaak te voorzien. Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende reden is om volledig af te zien van terugvordering, maar doet een halvering van de terugvordering recht aan alle betrokken belangen. Zij zal het bedrag van de terugvordering daarom verminderen met 50%.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep voor zover dat ziet op de beëindiging en intrekking slaagt niet. Deze blijven dan ook in stand.

Gelet op het geconstateerde gebrek ten aanzien van de terugvordering, is het beroep wel gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij de terugvordering geheel in stand is gelaten en voorziet zelf in de zaak door het bedrag van de terugvordering te verminderen met 50%.

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet Orionis aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden. Eiseres krijgt ook een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Orionis moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 4,5 punten op (1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting, beide met een waarde per punt van € 666,-, 1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, telkens met een waarde per punt van € 934,-), met wegingsfactor 1. De totale proceskostenvergoeding bedraagt € 3.667,-.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 24 augustus 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M. Breeman

Griffier

  • mr. A.J.M. van Hees

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand