ECLI:NL:RBZWB:2026:8162

ECLI:NL:RBZWB:2026:8162

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 25-08-2026
Datum publicatie 25-08-2026
Zaaknummer 02-811160-13
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Na veroordeling door de rechtbank op 25 oktober 2018 t.z.v. o.a. witwassen, wordt het door veroordeelde genoten wederrechtelijk verkregen voordeel berekend middels de uitgebreide kasopstelling en wordt vastgesteld op een bedrag van € 1.611.139,07. Na aftrek van € 5.000,= i.v.m. de overschrijding van de redelijke termijn, moet veroordeelde nog € 1.606.139,07 betalen aan de staat, subsidiair 1080 dagen gijzeling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-811160-13

vonnis van de rechtbank d.d. 25 augustus 2026

in de ontnemingszaak tegen

[betrokkene]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967

wonende te [adres]

raadsman mr. N. Hendriksen, advocaat te Purmerend

1. De voorafgaande veroordeling

Bij vonnis van deze rechtbank van 25 oktober 2018 is [betrokkene] (hierna telkens: [betrokkene] ) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest wegens -kort weergegeven-:

3. het in de jaren 2007 tot en met 2016 witwassen van ruim 1,7 miljoen euro door middel van onder meer leningen en auto’s;

4. het vervalsen van nota’s met betrekking tot zeven auto’s in 2009-2011;

5. afpersing en/of mishandeling van [slachtoffer 1] in 2013-2015;

6. afpersing van [slachtoffer 2] in 2014-2015;

7. primair: zware mishandeling van [slachtoffer 2] in september 2014;

8. bedreiging van [slachtoffer 2] in 2014-2015.

[betrokkene] heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld, zodat het vonnis niet onherroepelijk is.

2. Het onderzoek van de zaak.

In chronologische volgorde heeft zich in de ontnemingsprocedure van [betrokkene] het volgende afgespeeld:

op 4 september 2020 is door het openbaar ministerie de ontnemingsvordering ingesteld;

op 16 oktober 2020 heeft de eerste (regie)zitting plaatsgevonden en werd het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd geschorst;

het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel is afgesloten op 7 december 2020;

op 1 juni 2021 heeft de rechtbank beslist op de door de verdediging ingediende onderzoekswensen. Het onderzoek in de ontnemingszaak is voor onbepaalde tijd geschorst en de zaak werd verwezen naar de rechter-commissaris voor het horen van [betrokkene] ;

ÁG302125756997PÈ

G302125756997

op de zitting van 11 oktober 2022 werd het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd geschorst en werd door de rechtbank een schriftelijke procedure bevolen;

op 21 november 2022 heeft de officier van justitie haar conclusie van eis ingediend;

na herhaalde verzoeken van de verdediging tot uitstel is er door de rechtbank een datum voor de inhoudelijke behandeling bepaald;

op de zitting van 12 december 2024 werd het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd geschorst en werd de zaak verwezen naar de rechter-commissaris voor regievoering;

op 15 januari 2025 zijn door de verdediging bij de rechter-commissaris onderzoekswensen ingediend. Op deze onderzoekswensen is op 23 januari 2025 door het openbaar ministerie gereageerd en is op 30 januari 2025 ook een reactie gegeven door de officier van justitie van het parket Limburg;

op 14 februari 2025 heeft de rechter-commissaris haar beslissing gegeven op de onderzoekswensen;

op 8 september 2025 heeft de verdediging een conclusie van antwoord ingediend;

bij conclusie van 6 oktober 2025 heeft de officier van justitie gerepliceerd;

op 2 december 2025 heeft de verdediging, na verleend uitstel, een conclusie van dupliek ingediend;

op de zitting van 5 maart 2026 is een herhaald getuigenverzoek afgewezen en is de inhoudelijke behandeling op verzoek van de verdediging in verband met een ziekenhuisopname van [betrokkene] uitgesteld tot 31 maart 2026. Op de zitting van 5 maart 2026 heeft de verdediging ook een wrakingsverzoek ingediend, welk verzoek die dag door de wrakingskamer is afgewezen;

op 21 maart 2026 is door de verdediging een verzoek gericht aan de voorzitter van de meervoudige strafkamer tot verschoning. De voorzitter heeft op dit verzoek op 23 maart 2026 afwijzend gereageerd;

op 24 maart 2026 is door de verdediging wederom een wrakingsverzoek ingediend;

op 26 maart 2026 heeft de wrakingskamer geoordeeld dat er sprake is van een kennelijk ongegrond wrakingsverzoek en heeft de wrakingskamer aanleiding gezien te bepalen dat een volgend wrakingsverzoek van [betrokkene] niet in behandeling wordt genomen;

op de zitting van 31 maart 2026 hebben de raadslieden van [betrokkene] de verdediging neergelegd en is de inhoudelijke behandeling op verzoek van [betrokkene] opnieuw aangehouden, tot 14 juli 2026;

de inhoudelijke behandeling heeft, na afwijzing van een nieuw aanhoudingsverzoek, plaatsgevonden op 14 juli 2026 en op die datum is het onderzoek ter terechtzitting ook gesloten.

3. Het standpunt van de officieren van justitie

De vordering

Op 4 september 2020 heeft de officier van justitie een vordering ingediend die strekt tot het vaststellen van een, nader te bepalen, bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, lid 5, Sr wordt geschat. Uit het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 7 december 2020 volgt een wederrechtelijk verkregen voordeel van € 1.989.914,68. Bij conclusie van eis van 21 november 2022 heeft de officier van justitie gevorderd het wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen op

€ 1.937.635,14. Na enkele correcties bij conclusie van repliek, heeft de officier van justitie uiteindelijk ter zitting van 14 juli 2026 gevorderd het wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen op € 1.872.891,14 en [betrokkene] te verplichten tot betaling van dat geldbedrag aan de Staat ter ontneming van dat geschatte voordeel.

De berekening en de door het openbaar ministerie gehanteerde uitgangspunten

De vordering van de officier van justitie is gebaseerd op het strafrechtelijk financieel onderzoek dat met betrekking tot [betrokkene] is ingesteld over de periode 1 januari 2007 tot 30 september 2016. Dit onderzoek heeft geleid tot het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel ex artikel 36e lid 3 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), in het onderzoek Apollo/205A13009 (hierna telkens: het rapport). In het strafrechtelijk financieel onderzoek is geen zicht verkregen op alle individuele transacties / strafrechtelijke activiteiten en de daarmee samenhangende opbrengsten. Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is om die reden gebruik gemaakt van een kasopstelling en wel een uitgebreide kasopstelling, waarbij naast de contante uitgaven en ontvangsten ook het girale betalingsverkeer is opgenomen. Uit die kasopstelling volgt volgens het openbaar ministerie welke uitgaven [betrokkene] heeft verricht zonder dat deze via legale ontvangsten kunnen worden verantwoord, wat tot de conclusie moet leiden dat er sprake is van een illegale geldstroom.

Daarnaast is in het rapport berekend dat [betrokkene] ook vervolgprofijt heeft verkregen uit het wederrechtelijk verkregen voordeel, waarbij het dan gaat om verkoopwinsten en verhuuropbrengsten uit de autohandel en autoverhuur, die op zichzelf legaal zijn. [betrokkene] is deze bedrijfsactiviteiten op 1 januari 2007 gestart met een beginsaldo van € 20.595,- en op 2 januari 2007 zijn deze bedrijfsactiviteiten vervolgd met een contant ontvangen lening van € 140.000,-. Betreffende deze lening heeft de rechtbank in haar vonnis van 25 oktober 2018 geoordeeld dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geldbedrag een legale herkomst heeft. Hieruit volgt dat de bedrijfsactiviteiten op 2 januari 2007 zijn gestart/vervolgd met criminele gelden. De vervolgens daarmee gegenereerde legale activiteiten en daarmee behaalde winsten (vervolgprofijt) zijn middellijk afkomstig uit dit criminele kapitaal.

De officier van justitie heeft voorts gesteld dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, maar dat de vertraging in de behandeling van de zaak mede te wijten is aan de verdediging. Gelet op vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, is een aftrek van maximaal € 5.000,- op de betalingsverplichting voldoende.

4. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verweer gevoerd ten aanzien van het gebruik van de kasopstelling voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel en voorts op onderdelen van de door het openbaar ministerie gemaakte berekening. Voor zover nodig gaat de rechtbank daar hierna bij haar beoordeling van de ontnemingsvordering nader op in.

De verdediging is tot de eindconclusie gekomen dat er geen sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel, zodat de tegen [betrokkene] ingestelde ontnemingsvordering moet worden afgewezen dan wel dat het te ontnemen bedrag moet worden verminderd en dat de aan [betrokkene] op te leggen betalingsverplichting, mede gelet op de aanzienlijke schending van de redelijke termijn, moet worden gematigd (tot nihil), althans tot een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag.

5. Het oordeel van de rechtbank

Het wettelijk kader

De rechtbank neemt in aanmerking dat de misdrijven waarvoor [betrokkene] is veroordeeld deels zijn begaan vóór 1 juli 2011. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank op grond van artikel 1 lid 1 Sr mee dat artikel 36e lid 3 (oud) Sr van toepassing is. Tot 1 juli 2011 was ontneming op grond van artikel 36e lid 3 (oud) Sr slechts mogelijk indien er sprake was van een veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, er een strafrechtelijk financieel onderzoek (SFO) was ingesteld en indien, gelet op dat SFO, aannemelijk was dat het feit waarvoor de betrokkene was veroordeeld of andere strafbare feiten ertoe hadden geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel had verkregen. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat voor feiten gepleegd ná 1 juli 2011 geldt dat het moet gaan om een veroordeling wegens een misdrijf dat naar wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, zonder eventuele bijzondere strafverhogende omstandigheden in aanmerking te nemen (HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1182, r.o. 2.4).

Het derde lid van artikel 36e Sr stelt niet de eis dat die ‘andere strafbare feiten’ door de betrokkene zijn begaan; voldoende is dat aannemelijk wordt dat de betrokkene uit die strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn als uit een kasopstelling blijkt dat de betrokkene in een bepaalde periode uitgaven heeft gedaan die niet met zijn legale inkomsten kunnen worden verklaard en het mede in het licht daarvan aannemelijk is dat het bewezenverklaarde misdrijf of “andere strafbare feiten” hebben geleid tot wederrechtelijk voordeel. De rechter is in dat geval niet gehouden te concretiseren welke “andere strafbare feiten” op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de betrokkene het op basis van de kasopstelling geschatte wederrechtelijk voordeel heeft verkregen (HR 11 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1680, r.o. 2.6.2).

De rechtbank stelt vast dat jegens [betrokkene] een SFO is ingesteld en ook dat hij is veroordeeld voor meerdere misdrijven die naar de wettelijke omschrijving worden bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie. Uit de uitgebreide kasopstelling volgt dat [betrokkene] veel meer uitgaven heeft gedaan dan uit zijn legale inkomsten kunnen worden verklaard.

De algemene uitgangspunten

Zoals hiervoor reeds overwogen, heeft de rechtbank in de zaak van [betrokkene] op 25 oktober 2018 vonnis gewezen en is [betrokkene] veroordeeld voor onder andere gewoontewitwassen, afpersing en valsheid in geschrift.

Door de verdediging is aangevoerd dat de partiële bewezenverklaring door de rechtbank van de witwashandelingen een van de onjuiste uitgangspunten is voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Betreffende de bewezenverklaarde witwashandelingen heeft de verdediging aangevoerd dat in hoger beroep een groot aantal getuigen is gehoord en een grote hoeveelheid nieuwe informatie aan het dossier is toegevoegd. De verdediging heeft op grond daarvan aangevoerd dat niet verwacht kan worden dat de bewezenverklaring van het witwassen in hoger beroep in stand zal blijven. Volgens de verdediging zou dit door het openbaar ministerie tijdens onderhandelingen over mogelijke procesafspraken ook zijn erkend. De verdediging heeft meer specifiek op een aantal onderdelen aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte tot een bewezenverklaring van witwassen is gekomen.

De rechtbank stelt voorop dat het vonnis in de zaak van [betrokkene] van 25 oktober 2018 in de hoofdzaak nog niet onherroepelijk is. Na het instellen van hoger beroep door [betrokkene] loopt de procedure bij het gerechtshof al geruime tijd. Nu er nog geen uitspraak in hoger beroep is,

gaat de rechtbank er in de ontnemingsprocedure in dit stadium vanuit dat het bewezenverklaarde door de veroordeelde is begaan. De rechtbank is gebonden aan de beslissing in de hoofdzaak en kan niet vooruitlopen op de beslissingen in hoger beroep. Dit betekent dat de rechtbank voorbij gaat aan de verweren van de verdediging waarin de verdediging stelt dat de rechtbank in de hoofdzaak ten onrechte tot een veroordeling van het witwassen is gekomen.

Daarbij merkt de rechtbank op dat zij, net als het gerechtshof in hoger beroep, niet gebonden is aan door de advocaat generaal gedane uitlatingen, gedaan tijdens onderhandelingen over mogelijke procesafspraken, inhoudende dat de bewezenverklaring door de rechtbank van witwashandelingen (op onderdelen) niet in stand zou kunnen blijven. De rechtbank zal dan ook niet de correcties overnemen die door het openbaar ministerie in de conclusie van repliek zijn opgenomen met het oog op het standpunt van de advocaat generaal in hoger beroep.

Met betrekking tot de berekening van het geschatte voordeel wordt voorts nog het volgende overwogen. Zoals de rechtbank hiervoor reeds heeft overwogen, heeft de financieel rapporteur in het rapport bij de berekening van het geschatte wederrechtelijk voordeel de berekeningsmethode van de uitgebreide kasopstelling gehanteerd en zal de rechtbank de rapporteur in deze berekeningsmethode volgen. Het rapport vermeldt ook de wettige bewijsmiddelen waarop de berekening berust. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 26 maart 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BV9087), zal de rechtbank deze bewijsmiddelen niet nader uitwerken of weergeven en volstaan met het hierna vermelden van de conclusies en onderdelen van het rapport.

De inhoudelijke beoordeling

De onderzoeksperiode

Op grond van het rapport stelt de rechtbank vast dat de financiële gegevens waarop de kasopstelling is gebaseerd, zien op de periode van 1 januari 2007 tot en met 30 september 2016.

Begindatum 1 januari 2007

[betrokkene] neemt op 2 januari 2007 de contante ontvangst van een lening van € 140.000,- op in het kasboek van zijn onderneming. De lening zou zijn verstrekt door [persoon 1] .

Einddatum 30 september 2016

Op 12 september 2016 werd door [persoon 2] , de partner van [betrokkene] , een onderneming opgericht. Op 15 oktober 2016 werd door [persoon 2] een “zakelijke” bankrekening geopend en op deze datum vond ook de eerste transactie plaats, te weten een bijschrijving van € 4.000,-met omschrijving “spoedoverboeking voor mijn schoondochter het starten van haar bedrijf”. Aannemelijk is dat [persoon 2] vanaf dat moment of kort hiervoor inkomsten kon genereren en betalingen kon verrichten.

Met betrekking tot de verkrijging en de besteding van (crimineel) vermogen wordt er van uitgegaan dat [betrokkene] een economische eenheid vormde met [persoon 2] en dat zij in ieder geval vanaf 1 januari 2007 (met hun kinderen) een gezamenlijke huishouding voerden. [persoon 2] genoot gedurende de onderzoeksperiode geen zelfstandige inkomsten.

Gedurende de onderzoeksperiode was [betrokkene] eigenaar van drie eenmanszaken en enig aandeelhouder/bestuurder van een besloten vennootschap, te weten:• [bedrijf 1] [plaats 1] van 01-01-2007 tot en met 31-05-2011• [bedrijf 2] BV van 01-06-2011 tot en met 31-12-2012• [bedrijf 3] van 01-01-2013 tot en met 23-12-2013• [bedrijf 4] van 02-01-2015 tot en met 31-12-2015.

Met betrekking tot de herkomst van de contante lening van [persoon 1] heeft de verdediging verweer gevoerd, namelijk dat in hoger beroep bij de raadsheer-commissaris twee getuigen zijn gehoord over de herkomst van de verstrekte lening van € 140.000,-, die hebben verklaard dat het geld afkomstig was van een door [persoon 1] ontvangen erfenis van een oma uit Engeland.

De rechtbank verwerpt dit verweer en verwijst daarvoor naar hetgeen omtrent die geldlening van € 140.000,- is overwogen in het vonnis van de rechtbank in de hoofdzaak van 25 oktober 2018 (overweging 4.4.3.3). Volgens de rechtbank ontbreekt een deugdelijke verklaring voor een legale herkomst van het geldbedrag en kan daarom met voldoende mate van zekerheid worden uitgesloten dat het geld een legale herkomst heeft. Daarnaast verwijst de rechtbank ook naar hetgeen zij hiervoor onder 5.2. als algemeen uitgangspunt heeft overwogen, namelijk dat de rechtbank -kort gezegd- niet kan vooruitlopen op hetgeen tot nu toe in hoger beroep heeft plaatsgevonden en gebonden is aan het vonnis in de hoofdzaak van 25 oktober 2018.

Begin- en eindsaldo

Door de verdediging is geen verweer gevoerd met betrekking tot het in het rapport vastgestelde begin- en eindsaldo.

In het rapport is voor de bepaling van het (maximaal) beginsaldo op 1 januari 2007 gebruik gemaakt van de gegevens van de Belastingdienst, de maximale fiscale vrijstelling uit “sparen en beleggen”, de banksaldi en het kasboek van de aan [betrokkene] toebehorende eenmanszaak. Op grond van de daaruit verkregen gegevens wordt in het rapport het beginsaldo gesteld op € 65.793,-. Bij het kassaldo in de eenmanszaak van € 20.595,- op 1 januari 2007 wordt ervan uitgegaan dat dit legaal verkregen is.

Op 11 mei 2016 is bij [betrokkene] aan contant geld een bedrag aangetroffen van € 2.500,- en had [betrokkene] de beschikking over een bankrekening [rekeningnummer 1] met een saldo op 11 mei 2016 van € 123.698,82. Dit is in beslag genomen en daar kon [betrokkene] daarna niet meer over beschikken.Op 30 september 2016, bedroeg het saldo op deze rekening € 622,98.Het saldo op de bij [persoon 2] in gebruik zijnde bankrekening [rekeningnummer 2] bedroeg op 30 september 2016 € 277,40.Het eindsaldo wordt derhalve gesteld op € 127.099,20.

Legale inkomsten/ontvangsten

In het rapport worden de legale contante inkomsten uit onderneming in totaal begroot op € 6.001.332,30.

Het gaat dan om de inkomsten van [bedrijf 1] " [plaats 1] van 2007 tot en met 31 mei 2011, van [bedrijf 2] BV van 1 juni 2011 tot en met 31 december 2012, van [bedrijf 3] in 2013 en van [bedrijf 4] in 2015.

De totale legale ontvangsten op de aan [betrokkene] ter beschikking staande bankrekeningen bedroegen in de periode van 1 januari 2007 tot en met 30 september 2016 € 840.078,50, bestaande uit:

[rekeningnummer 3] € 378.782,36,

[rekeningnummer 1] € 390.303,74,

[rekeningnummer 2] € 5.460,- en

[rekeningnummer 4] € 65.532,40.

Correcties op legale contante ontvangsten uit ondernemingen

Boekhoudkundige correcties

Door de verdediging is aangevoerd dat in het rapport ten onrechte boekhoudkundige correcties zijn toegepast.

Het gaat dan in de eerste plaats om de correctie ontvangsten met beginsaldo. De verdediging is van mening dat het onjuist is dat in elk jaar van de onderzoeksperiode de totale ontvangsten worden gecorrigeerd met het vermelde beginsaldo in kas. Datzelfde geldt voor de inbreng van de balans van de eenmanszaak in de besloten vennootschap in 2011.

De rechtbank verwerpt het door de verdediging gevoerde verweer en neemt daarbij het rapport als uitgangspunt. In dat rapport wordt aangegeven dat voor de berekening van de legale inkomsten uit ondernemingen telkens is uitgegaan van de door [betrokkene] gepresenteerde kasboeken en dat die kasboeken ten behoeve van de op te maken kasopstelling op een aantal specifieke punten zijn gecorrigeerd. Daarbij is in alle gevallen het jaarlijkse beginsaldo van de kasboeken gecorrigeerd omdat dit saldo was opgenomen in de kolom ontvangsten terwijl het beginsaldo geen ontvangsten betreft, maar slechts de vermelding van het eindsaldo van het voorafgaande jaar. Dat geldt op dezelfde wijze voor de inbreng van de balans van de eenmanszaak in de bv.

Ook het verweer dat ten onrechte de contante stortingen niet als ontvangsten aangemerkt zijn, wordt verworpen. Gelet op de gebruikte uitgebreide kasopstelling, worden contante stortingen op bankrekeningen niet als inkomsten/ontvangsten aangemerkt, omdat het hier slechts gaat om een op een andere wijze aanhouden van vermogen, niet om een toename van het vermogen.

Als deze (boekhoudkundige) correcties niet zouden worden toegepast, zou dat leiden tot een dubbeltelling van de desbetreffende bedragen.

Kascorrectie 2012

De verdediging heeft voorts gesteld dat zij zich niet kan verenigen met de kascorrectie 2012 (€ 43.900,-) waarmee de ontvangsten in 2012 in het rapport zijn gecorrigeerd. Volgens de verdediging wordt deze correctie in het rapport slechts onderbouwd met de stelling dat onbekend is uit welke legale bron dit geld afkomstig is, maar wordt geenszins aannemelijk gemaakt dat sprake zou zijn van door [betrokkene] wederrechtelijk verkregen voordeel.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer en is van oordeel dat alleen [betrokkene] in de positie verkeert om aan te geven (en ook te onderbouwen) uit welke legale bron dat geld afkomstig zou zijn. Dit geldt te meer nu een kascorrectie een boekhoudkundig instrument is om het werkelijke contante geld in de kas gelijk te trekken met het berekende saldo van de verrichte contante (legale) transacties. Het is aan de verantwoordelijke voor deze boekhouding, in dit geval dus [betrokkene] , om deze correctie te verantwoorden. Omdat [betrokkene] geen toelichting en onderbouwing heeft gegeven, is de rechtbank van oordeel dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare herkomst kan gelden.

Onjuiste bewezenverklaringen

Ten aanzien van de volgende correcties: rente en aflossing verstrekte leningen aan [persoon 3] , lening [persoon 1] , lening [bedrijf 5] , lening [persoon 4] , lening [bedrijf 6] B.V., autoverkopen [bedrijf 7] B.V., [bedrijf 8] VOF, [bedrijf 9] B.V., verhuur aan [persoon 4] , autoaankoop van [persoon 4] , verkoop/verhuur [bedrijf 10] B.V., € 43.034,40 [bedrijf 11] BVBA heeft de verdediging (uitsluitend) aangevoerd dat de veroordeling in het vonnis van de rechtbank onjuist is.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging. De rechtbank verwijst daarvoor naar hetgeen is overwogen met betrekking tot het witwassen in het vonnis van de rechtbank in de hoofdzaak van 25 oktober 2018 (vanaf overweging 4.4.3.1) en naar het hiervoor onder 5.2 geformuleerde algemene uitgangspunt, namelijk dat de rechtbank gebonden is aan de uitspraak die op 25 oktober 2018 in de hoofdzaak van [betrokkene] door de rechtbank is gedaan.

Correctie autoverkopen [bedrijf 12] B.V.

Ten aanzien van de correctie voor de autoverkopen aan [bedrijf 12] B.V. van € 224.308,36 heeft de rechtbank geconstateerd dat deze autoverkopen niet terugkomen in het vonnis van de rechtbank in de hoofdzaak van 25 oktober 2018. De verdediging heeft aangevoerd dat [persoon 5] weliswaar heeft verklaard dat hij geen voertuigen van [betrokkene] zou hebben gekocht, maar ook heeft hij verklaard dat een en ander door [slachtoffer 1] zou zijn gearrangeerd. Uit het dossier blijkt echter niet dat door [persoon 5] enige nadere informatie is verstrekt, bijvoorbeeld relevante administratieve gegevens.

Mede gelet op de omstandigheid dat uit het dossier blijkt dat de voertuigen wel op naam van [bedrijf 12] B.V. hebben gestaan, is de rechtbank dan ook van oordeel dat hier niet aangenomen kan worden dat sprake is van door [betrokkene] verkregen wederrechtelijk voordeel voor een bedrag van € 224.308,36.

De correctie voor dit bedrag is dus ten onrechte toegepast in het rapport en dient teruggedraaid te worden.

Legale inkomsten uit werkzaamheden door [betrokkene] voor de overheid

De verdediging heeft aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met legale inkomsten van [betrokkene] van een paar honderdduizend euro, voor zijn werkzaamheden voor de Amerikaanse en Nederlandse overheid.

De rechtbank stelt vast dat [betrokkene] voor het eerst op de zitting van 12 december 2024 – achter gesloten deuren – heeft verklaard over werkzaamheden die hij voor de overheid zou hebben verricht en betalingen die hij daarvoor zou hebben ontvangen.

Op de zitting van 5 maart 2026 werd door de raadslieden – wederom achter gesloten deuren – een toelichting gegeven over deze werkzaamheden en inkomsten.

De rechtbank is van oordeel dat de door [betrokkene] en zijn raadslieden ingebrachte informatie omtrent de gestelde legale werkzaamheden voor de overheid onduidelijk, wisselend, deels tegenstrijdig en onvoldoende concreet is. Nu deze informatie (grotendeels) achter gesloten deuren is gegeven, zal de rechtbank dit oordeel in dit vonnis niet nader met details toelichten. De informatie die door [betrokkene] en zijn raadslieden is gegeven, wordt ook deels weersproken door de informatie die door de officier van justitie van het parket Limburg is ontvangen. Daar komt bij dat [betrokkene] sinds de aanvang van deze procedure tot aan de zitting van 12 december 2024 nimmer heeft gesproken over deze werkzaamheden en inkomsten en tot 15 januari 2025 door hem of door zijn verdediging ook nooit is gevraagd om onderzoek te doen naar deze legale inkomsten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de door de verdediging gestelde legale inkomsten van “een paar honderdduizend euro” niet aannemelijk zijn geworden. Daarmee zal de rechtbank dan ook geen rekening houden.

De totale legale contante en girale ontvangsten worden daarmee vastgesteld op € 6.841.410,80 + € 224.308,36 = € 7.065.719,16.

De feitelijke uitgaven

De werkelijke uitgaven zijn in het rapport uitgewerkt in de volgende onderdelen:

werkelijke contante uitgaven ondernemingen

uitgaven vanaf bankrekeningen

contante uitgaven ten behoeve van levensonderhoud

overige contante uitgaven

Deze onderverdeling wordt in het vonnis aangehouden.

5.3.6.1 De werkelijke contante uitgaven ondernemingen

Hierop zijn in het rapport de volgende posten gecorrigeerd:

Privé-opnamen. Dit betreft een verschuiving van vermogen binnen de economische eenheid van onderneming naar natuurlijk persoon;

Stortingen vanuit de kas op een bij [betrokkene] in gebruik zijnde bankrekening;

Betaalde rente + aflossing van leningen waarvan de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van oordeel is dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. Omdat de leningen waarop deze uitgaven betrekking hebben op basis van het vonnis van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op de ontvangsten in mindering zijn gebracht, worden deze uitgaven, in het voordeel van [betrokkene] , in mindering gebracht op de uitgaven.

Contante uitgaven onderneming 2007Uit het kasboek van 2007 van [bedrijf 1] ” [plaats 1] , blijkt dat de totale uitgaven € 1.080.203,58 bedroegen.Na toepassing van de hiervoor genoemde correcties bedroegen de werkelijke contante uitgaven € 1.080.203,58 -/- € 247.500,- = € 832.703,58.

Contante uitgaven onderneming 2008Uit het kasboek van 2008 van [bedrijf 1] ” [plaats 1] , blijkt dat de totale uitgaven € 878.028,41 bedroegen.Na toepassing van de hiervoor genoemde correcties bedroegen de werkelijke contante uitgaven € 878.028,41 -/- € 366.525,- = € 511.503,41.

Contante uitgaven onderneming 2009Uit het kasboek van 2009 van [bedrijf 1] ” [plaats 1] , blijkt dat de totale uitgaven € 789.589,18 bedroegen.

Na toepassing van de hiervoor genoemde correcties bedroegen de werkelijke contante uitgaven € 789.589,18 -/- € 78.400,- = € 711.189,18.

Contante uitgaven onderneming 2010Uit het kasboek van 2010 van [bedrijf 1] ” [plaats 1] , blijkt dat de totale uitgaven € 1.105.463,02 bedroegen.Na toepassing van de hiervoor genoemde correcties bedroegen de werkelijke contante uitgaven € 1.105.463,02 -/- € 297.950,- = € 807.513,02.

Contante uitgaven onderneming 2011Uit het kasboek van 201 1 van [bedrijf 1] ” [plaats 1] , blijkt dat de totale uitgaven € 769.031,35 bedroegen.

Na toepassing van de hiervoor genoemde correcties bedroegen de werkelijke contante uitgaven € 769.031,35 -/- € 132.640,- = € 636.391,35.

Contante uitgaven onderneming 2011Uit het kasboek van 2011 van [bedrijf 2] BV, blijkt dat de totale uitgaven € 977.382,81 bedroegen.

Na toepassing van de hiervoor genoemde correcties bedroegen de werkelijke contante uitgaven € 977.382,81 -/- € 75.900,- = € 901.482,81.

Contante uitgaven onderneming 2012Uit het kasboek van 2012 van [bedrijf 2] BV, blijkt dat de totale uitgaven € 1.128.398,73 bedroegen.

Na toepassing van de hiervoor genoemde correcties bedroegen de werkelijke contante uitgaven € 1.128.398,73 -/- € 412.000,- = € 716.398,73.

Contante uitgaven onderneming 2013Uit het kasboek van 2013 van [bedrijf 3] , blijkt dat de totale uitgaven € 512.541,23 bedroegen.

Na toepassing van de hiervoor genoemde correcties bedroegen de werkelijke contante uitgaven € 512.541 ,23 -/- € 126.500,- = € 386.041,23.

Deze bedragen zijn door de verdediging niet betwist en ook ambtshalve heeft de rechtbank geen reden om hierop correcties aan te brengen.

Gezien bovenstaande bedroegen de totale contante uitgaven uit de ondernemingen in de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2015: € 5.503.223,31.

5.3.6.2 De uitgaven vanaf bankrekeningen

[betrokkene] en zijn partner [persoon 2] hadden in de periode van 1 januari 2007 tot en met 30 september 2016 de beschikking over de bankrekeningen:

[rekeningnummer 3] , t.n.v. achtereenvolgens [betrokkene] , [bedrijf 1] en [bedrijf 2] BV;

[rekeningnummer 1] t.n.v. [betrokkene] ;

[rekeningnummer 2] t.n.v. [persoon 2] ;

[rekeningnummer 4] t.n.v. [bedrijf 11] .

Ten behoeve van deze uitgebreide kasopstelling zijn de uitgaven, welke door opnamen/afschrijvingen vanaf deze rekeningen hebben plaatsgevonden gecorrigeerd met:

 Contante opnamen;

Overboekingen naar/van bankrekeningen welke eveneens bij verdachte in gebruik zijn (geweest). Deze transacties zijn geen uitgaven. Zij hebben namelijk geen gevolgen voor de omvang van het totale vermogen, het vermogen wordt alleen op een andere wijze aangehouden.

[rekeningnummer 3] Gedurende de onderzoeksperiode bedroegen de totale uitgaven op deze rekening € 1.190.076,36. Hiervan bestond een bedrag van € 115.020,- uit contante opnamen en een bedrag van € 94.064,72 uit interne overboekingen. Deze bedragen zijn in mindering gebracht op de totale uitgaven.De werkelijke totale uitgaven vanaf bankrekening [rekeningnummer 3] bedroegen tussen 1 januari 2007 en 31 december 2013 derhalve

€ 1.190.076,36 -/-€ 115.020,- -/-€ 94.064,72 = € 980.991,64.

[rekeningnummer 1] Gedurende de onderzoeksperiode bedroegen de totale uitgaven op deze rekening € 647.426,51. Hiervan bestond een bedrag van € 95.150,- uit contante opnamen en een bedrag van € 41.000,- uit interne overboekingen. Deze bedragen zijn in mindering gebracht op de totale uitgaven.De werkelijke totale uitgaven vanaf bankrekening [rekeningnummer 1] bedroegen tussen 1 januari 2007 en 31 december 2013 derhalve

€ 647.426,51 -/- € 95.150,- -/- € 41.000,- = € 511.276,51.

[rekeningnummer 2] Gedurende de onderzoeksperiode bedroegen de totale uitgaven op deze rekening € 40.513,27. Hiervan bestond een bedrag van € 520,- uit contante opnamen en een bedrag van € 1.000,- uit interne overboekingen. Deze bedragen zijn in mindering gebracht op de totale uitgaven.De werkelijke totale uitgaven vanaf bankrekening [rekeningnummer 2] bedroegen tussen 1 januari 2007 en 31 december 2013 derhalve

€ 40.513,27 -/- € 520,- -/- € 1.000,- = € 38.993,27.

[rekeningnummer 4] Gedurende de onderzoeksperiode bedroegen de totale uitgaven op deze rekening € 251.800,60. Hiervan bestond een bedrag van € 58.711,48 uit interne overboekingen. Dit bedrag is in mindering gebracht op de totale uitgaven. Er vonden geen contante opnamen plaats.De werkelijke totale uitgaven vanaf bankrekening [rekeningnummer 4] bedroegen tussen 1 januari 2007 en 31 december 2013 derhalve

€ 251.800,60 -/- € 58.711,48 = € 193.089,12.

Deze bedragen zijn door de verdediging niet betwist en ook ambtshalve heeft de rechtbank geen reden om hierop correcties aan te brengen.

De werkelijke totale uitgaven vanaf de aan [betrokkene] ter beschikking staande bankrekeningen bedroeg in de periode van 1 januari 2007 tot en met 30 september 2016: € 1.724.350,54 .

5.3.6.3 De uitgaven ten behoeve van levensonderhoud

In het rapport worden de totale contante uitgaven ten behoeve van levensonderhoud berekend op € 293.798,80. Dit is gebaseerd op de budgethandboeken van het NIBUD, waarbij is aangesloten bij bedragen behorend bij een kostbare levensstijl.

Door de verdediging is aangevoerd dat de stelling dat [betrokkene] er een kostbare levensstijl op nahield onvoldoende in het rapport is onderbouwd en geenszins vast is komen te staan. Ten onrechte is dan ook aangesloten bij de hoogste categorie uit de budgethandboeken van het NIBUD voor levensonderhoud. Dat hij in dure personenauto’s rijdt, heeft volgens de verdediging te maken met het feit dat [betrokkene] handelde in personenauto’s. Hij kocht dure personenauto’s, reed daar een korte tijd in en verkocht die na enige tijd ook weer. Volgens de verdediging zegt dit niets over zijn levensstijl. Het feit dat [betrokkene] er voor kiest om zijn geld te besteden aan kleding en restaurants sluit volgens de verdediging niet uit dat hij op andere vlakken zuinig leeft.

De rechtbank is van oordeel dat het niet onredelijk is dat voor de berekening van de uitgaven voor levensonderhoud ervan wordt uitgegaan dat [betrokkene] er een kostbare levensstijl op nahield. Dit blijkt naar het oordeel van de rechtbank allereerst uit de in het rapport genoemde factoren, te weten:

• Het kopen en dragen van kostbare merkkleding,• Het gebruik maken van personenauto’s uit de duurdere klasse,• Het veelvuldig bezoeken van restaurants.Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier ook andere aanknopingspunten blijken om aan te nemen dat er sprake was van een hogere levensstandaard, zoals de uitgaven voor vakanties, en zijn terecht de totale uitgaven volgens de NIBUD handboeken gehanteerd die betrekking hebben op de gezinssamenstelling en de daarbij behorende hoogste categorie. Vervolgens zijn daarop, zo blijkt uit het rapport, de girale betalingen in mindering gebracht.

Op grond van het rapport betroffen de totale contante uitgaven ten behoeve van levensonderhoud in de periode van 1 januari 2007 tot en met 30 september 2016 € 293.798,80 .

5.3.6.4 Overige contante uitgaven

De overige contante uitgaven zien blijkens het rapport op:

geboekte reizen

verbouwing woonwagen

aankoop woonwagen

aankoop auto’s

5.3.6.4.1 Contante uitgaven ten behoeve van geboekte reizen

Uit de aangeleverde gegevens van [vliegmaatschappij] blijkt dat [betrokkene] 38 maal passagier is geweest op een vlucht van [vliegmaatschappij] . In 9 gevallen zijn de tickets geheel contant aan [vliegmaatschappij] betaald. Uit deze gegevens en het aan de hand hiervan samengestelde overzicht blijkt dat er voor een totaalbedrag van € 5.956,44 contant is betaald. Uit de aangeleverde gegevens van [bedrijf 13] blijkt dat er voor deze reizen een totaalbedrag van € 28.728,22 contant aan [bedrijf 13] is betaald. Uit de aangeleverde gegevens blijkt dat er in genoemde periode van 14 april 2014 tot en met 9 juni 2015 7 reizen geboekt en betaald zijn door [persoon 6] c.q. “ [bedrijf 13] ”.Het totaalbedrag van deze reizen bedraagt € 4.790,-. Gezien de eerder door “ [bedrijf 13] ” verstrekte gegevens is het zeer aannemelijk dat ook deze reizen contant aan “ [bedrijf 13] ” zijn betaald.

De verdediging heeft aangevoerd dat de opgevoerde kosten voor gemaakte (vlieg)reizen ten onrechte volledig aan [betrokkene] worden toegerekend. Daartoe is aangevoerd dat [betrokkene] voor zijn eigen tickets betaalde en dat het niet aan hem is om ook voor anderen te betalen. Daarom kunnen volgens de verdediging de contante uitgaven voor geboekte reizen worden beperkt tot één ticket per boeking.

Met de officier van justitie heeft de rechtbank geconstateerd dat [betrokkene] op 25 juli 2016 heeft verklaard: “Als ik alleen vloog betaalde ik voor mijzelf, als ik met mijn gezin vloog betaalde ik ook. Als ik met vrienden of kennissen vloog dan betaalde ieder voor zich”.

Op grond van deze verklaring is de rechtbank van oordeel dat de contante uitgaven voor geboekte reizen dienen te worden beperkt tot de betaalde tickets voor zichzelf en voor de passagiers genaamd [betrokkene] en [persoon 2] . De rechtbank komt daarmee tot een volgend overzicht van passagiers voor wie [betrokkene] niet de vliegtickets heeft betaald.

Datum passagier totaal aantal passagiers betaald bedrag correctie

[persoon 7] 2 412,- 206,-

[persoon 7] 2 993,06 496,53

[persoon 8] 2 189,56 94,78

[persoon 9] 2 288,- 144,-

[persoon 10] 2 299,42 149,71

[persoon 10] 2 375,14 187,57

[persoon 11] 2 114,66 57,33

[persoon 11] 2 335,14 167,57

[persoon 12] 2 292,- 146,-

[persoon 13] 1 284,- 284,-

[persoon 14] 2 1.030,- 515,-

[persoon 14] 2 840,- 420,-

[persoon 4] 682,50 455,-

[persoon 15]

2 620,- 310,-

[persoon 16] 4 1.260,- 945,-

[persoon 17]

[persoon 15]

3 1.545,- 515,-

[persoon 18] 4 1.085,- 271,25

[persoon 19] 2 1.105,- 552,50

- - - - - -- - - +

Totaal 5.917,24

De totale contante uitgaven ten behoeve van de aankoop van (vlieg)reizen bedraagt naar het oordeel van de rechtbank derhalve € 39.474,66 -/- € 5.917,24 = € 33.557,42.

5.3.6.4.2 Contante uitgaven ten behoeve van verbouwing woonwagen [betrokkene]

Uit het rapport is gebleken dat de woonwagen van [betrokkene] tussen 18 april 2013 en 2 april 2014 is verbouwd. [persoon 20] en [persoon 21] zouden die verbouwing hebben uitgevoerd en de totale kosten bedroegen tussen de € 15.000,- en € 20.000,-. In het voordeel van [betrokkene] zijn de verbouwingskosten gesteld op € 15.000,-.

heeft verklaard dat hij de factuur voor die verbouwing niet heeft betaald, omdat er schade zou zijn ontstaan door lekkages. De verdediging stelt zich daarom op het standpunt dat de verbouwingskosten in de kasopstelling ten onrechte zijn meegenomen als uitgaven.

De rechtbank leest in de verklaring van [persoon 21] dat de verbouwingswerkzaamheden bij [betrokkene] min of meer in fasen werden uitgevoerd en dat [betrokkene] de laatste factuur nog zou moeten betalen. De rechtbank maakt hieruit op dat het aannemelijk is dat de verbouwingskosten in verschillende termijnen aan [betrokkene] in rekening zijn gebracht. Door het openbaar ministerie is in haar conclusie van eis gewezen op de termijn- en betalingsregeling nieuwbouw van [brancheorganisatie] . Uit het in die regeling opgenomen standaard tijdschema volgt dat een laatste termijn, te declareren bij de oplevering, 10% bedraagt. Op grond van dit alles is de rechtbank van oordeel dat het niet onaannemelijk is dat [betrokkene] die laatste termijn van 10% heeft geweigerd te betalen en dat het openbaar ministerie daarom terecht een bedrag van € 1.500,- in mindering heeft gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel.

De rechtbank stelt deze uitgaven dan ook vast op € 13.500,-.

5.3.6.4.3 Contante uitgaven ten behoeve van aankoop woonwagen [dochter betrokkene] (dochter)

Op basis van het rapport stelt het openbaar ministerie dat er in juni 2013 een nieuwe woonwagen op de door [dochter betrokkene] verkregen standplaats is geplaatst en dat uit het verhoor van [persoon 21] blijkt dat hij en zijn ex-schoonzoon [persoon 20] , de levering van de woonwagen en bouwkundige aanpassingen daaraan hebben verzorgd.De woonwagen zou zijn betaald door [dochter betrokkene] . [persoon 20] heeft in 2013 verklaard in opdracht van [dochter betrokkene] een woonwagen voor de dochter van hem te hebben gebouwd. De uiteindelijke koopsom bedroeg tussen de € 60.000,- en € 70.000,-. Het bedrag werd door [dochter betrokkene] contant betaald.

De verdediging heeft aangevoerd dat [dochter betrokkene] wel betrokken is geweest bij de aankoop van de woonwagen voor zijn dochter, maar dat hij die woonwagen niet heeft betaald. De verdediging heeft daar nog aan toegevoegd dat pogingen van de verdediging tot het horen van getuigen om het standpunt van [dochter betrokkene] nader te onderbouwen ten onrechte door de rechtbank zijn afgewezen.

De rechtbank verwerpt het door de verdediging gevoerde verweer en is van oordeel dat op grond van de verklaringen van [persoon 21] en [persoon 20] vast is komen te staan dat de aanschaf- en aanpassingskosten voor de woonwagen van [dochter betrokkene] door [dochter betrokkene] zijn betaald. De rechtbank is van oordeel dat door de verdediging te weinig tegenover deze verklaringen is gesteld. Die aanschaf- en aanpassingskosten stelt de rechtbank dan ook vast op € 60.000,-, terwijl niet is gebleken dat deze kosten via een van de bankrekeningen zijn betaald.

Het verweer van de verdediging dat er eerder is gevraagd om getuigen te horen en dat die verzoeken door de rechtbank zijn afgewezen, doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af nu het door de verdediging gedane verzoek om getuigen te horen onvoldoende werd onderbouwd.

5.3.6.4.4 Contante uitgaven aan [slachtoffer 1] t.b.v. aankoop personenauto

In het rapport is geverbaliseerd dat uit de door de Belgische autoriteiten ter beschikking gestelde processen-verbaal blijkt dat [slachtoffer 1] (hierna telkens: [slachtoffer 1] ) voor € 62.000,- opgelicht is. Deze € 62.000,- is door [dochter betrokkene] contant aan [slachtoffer 1] betaald om hiermee een Mercedes uit Denemarken te bekostigen. [slachtoffer 1] moest dit bedrag overmaken naar een rekening van een bedrijf, maar op enig moment is gebleken dat dit bedrijf niet bestond en dat [slachtoffer 1] naar het geld en naar de Mercedes kon fluiten. [dochter betrokkene] stelde [slachtoffer 1] hiervoor verantwoordelijk en eiste dan ook volledige terugbetaling van het bedrag.Gezien bovenstaande wordt de contante betaling aan [slachtoffer 1] gesteld op € 62.000,-. Niet is gebleken dat deze betaling via een van de bankrekeningen is gegaan.

In de conclusie van eis heeft het openbaar ministerie zich op het standpunt gesteld dat op zich de geconstateerde (contante) uitgave van € 62.000,= op basis van de verklaring van [slachtoffer 1] en van [dochter betrokkene] vast staat. [slachtoffer 1] heeft echter ook verklaard dat hij ongeveer € 47.000,- contant aan [dochter betrokkene] heeft terugbetaald. Ondanks dat zij vraagtekens zet bij de legaliteit van de terugbetaling door [slachtoffer 1] , heeft het openbaar ministerie de uitgebreide kasopstelling met € 47.000,- verminderd.

De verdediging is van mening dat de uitgave van € 62.000,- in het geheel niet dient te worden meegenomen in de uitgebreide kasopstelling omdat die uitgave alleen blijkt uit de verklaring van [slachtoffer 1] en daarmee onvoldoende is onderbouwd. Indien de uitgave wel wordt meegenomen zou volgens de verdediging tevens rekening moeten worden gehouden met de verkoopopbrengst van de Mercedes.

De rechtbank is op grond van de bewijsmiddelen van oordeel dat vast is komen te staan dat het bedrag van € 62.000,- door [dochter betrokkene] aan [slachtoffer 1] contant is betaald en dat dat bedrag vervolgens door [slachtoffer 1] is uitgegeven voor de aanschaf van een Mercedes uit Denemarken. [slachtoffer 1] is daarbij opgelicht en is vervolgens door [dochter betrokkene] gedwongen om het bedrag terug te betalen. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij een bedrag van € 47.000,- cash heeft terugbetaald en dat hij nog een openstaande schuld heeft bij [dochter betrokkene] van € 15.000,-. In tegenstelling tot het openbaar ministerie en de verdediging ziet de rechtbank geen reden om de uitgebreide kasopstelling met het bedrag van € 47.000,- te verminderen. [dochter betrokkene] is door de rechtbank veroordeeld voor de afpersing van [slachtoffer 1] , waarbij het ging om dit bedrag van € 47.000,-. De rechtbank is op grond daarvan van oordeel dat de wijze waarop [slachtoffer 1] is afgeperst en is gedwongen om dat bedrag aan [dochter betrokkene] terug te betalen in strijd is met de goede rechtsorde. Alleen al daarom kan dat bedrag niet in mindering worden gebracht op de contante uitgaven.

Dat er, zoals de verdediging stelt, rekening moet worden gehouden met de verkoopopbrengst van de Mercedes die [slachtoffer 1] zou gaan kopen, verwerpt de rechtbank. [slachtoffer 1] heeft immers verklaard dat bij het ophalen van de auto in Denemarken het bedrijf niet bleek te bestaan en dat er ook geen auto was. Van een verkoopopbrengst kan daarom naar het oordeel van de rechtbank geen sprake zijn.

De contante uitgaven ten behoeve van de aankoop van een Mercedes door [slachtoffer 1] bedragen naar het oordeel van de rechtbank derhalve € 62.000,-.

5.3.6.4.5 Contante uitgave t.b.v. aankoop [kenteken 1]

In het rapport wordt verwezen naar de administratie van [persoon 22] (hierna telkens: [persoon 22] ), waaruit blijkt dat op 19 december 2013 voor € 28.500,- een Mercedes met kenteken [kenteken 1] is verkocht aan [dochter betrokkene] .

De verdediging is van mening dat deze uitgave onvoldoende aannemelijk te achten is. Daartoe is aangevoerd dat [persoon 22] niet altijd nauwkeurig was in administratieve aangelegenheden, terwijl [dochter betrokkene] er juist altijd voor heeft gezorgd dat zijn administratie op orde was.

De rechtbank overweegt omtrent de Mercedes [kenteken 1] het volgende.

Uit de administratie van [bedrijf 14] VOF blijkt dat [persoon 22] op 19 december 2013 een personenauto, merk Mercedes, kenteken [kenteken 1] heeft verkocht aan [dochter betrokkene] voor de prijs van € 28.500,-. Deze aankoop is niet gevonden in de administratie van [bedrijf 3] . Volgens [persoon 22] is het aankoopbedrag contant door [dochter betrokkene] betaald. Dit is ook zo vastgelegd in de kasadministratie van [bedrijf 14] VOF.Uit het register RDW blijkt dat de auto vanaf 07-10-2013 tot 17-12-2013 op naam stond van een bedrijf met de naam [bedrijf 15] . Op 17-12-2013 is de tenaamstelling overgeschreven naar de natuurlijke persoon [dochter betrokkene] . De auto is niet teruggevonden in de administratie van [dochter betrokkene] .

Gelet op het vorenstaande en gelet ook op het feit dat de Mercedes [kenteken 1] volgens het RDW ook op naam van [dochter betrokkene] heeft gestaan, lijkt dit voldoende ondersteuning voor de door [persoon 22] boekhouding en de verklaring van [persoon 22] . De rechtbank is daarom van oordeel dat het lijkt dat de contante uitgave van € 28.500,- terecht is opgenomen in de kasopstelling. Echter de administratie van [persoon 22] bevat ook een factuur voor de inkoop van diezelfde auto op 09-05-2014 van [dochter betrokkene] voor hetzelfde bedrag van € 28.500,- en die betaling zit ook in de mutaties van de kas van [persoon 22] . Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat die contante ontvangst in de kasopstelling weggestreept kan worden tegen de contante uitgave en zal de rechtbank het bedrag van € 28.500,- niet meenemen in de kasopstelling.

5.3.6.4.6 Contante uitgave ten behoeve van aankoop [kenteken 2]

[persoon 23] verklaarde op 31 maart 2015 een personenauto, merk Mercedes, kenteken [kenteken 2] voor een bedrag van € 37.500,- te hebben verkocht aan de hem bekende [betrokkene] . Het aankoopbedrag is door [betrokkene] contant afgerekend en [persoon 23] heeft van deze contante betaling ook een MOT-melding gemaakt. De contante uitgave voor de aanschaf van genoemd voertuig bedroeg volgens het rapport derhalve € 37.500,-.

De verdediging heeft aangevoerd dat [betrokkene] niet betwist dat hij de Mercedes met het kenteken [kenteken 2] heeft aangeschaft, maar dat hij die auto ook weer heeft verkocht voor minimaal hetzelfde bedrag. Met de opbrengst van die verkoop is volgens de verdediging ten onrechte geen rekening gehouden in de kasopstelling.

De rechtbank is van oordeel dat het verweer van de verdediging moet worden verworpen reeds omdat de gestelde verkoop door [betrokkene] van de Mercedes [kenteken 2] niet terugkomt in de door [betrokkene] gevoerde administratie. De stelling van de verdediging wordt verder niet met stukken of met getuigenverklaringen onderbouwd, zodat uit niets blijkt dat, wanneer en voor hoeveel die auto zou zijn verkocht en of dit heeft geleid tot contante inkomsten die zouden moeten leiden tot vermindering van het te ontnemen bedrag.

De rechtbank zal het bedrag van € 37.500,- dan ook meenemen in de kasopstelling.

5.3.6.4.7 Contante uitgave ten behoeve van aankoop [kenteken 3] / [kenteken 4] / [kenteken 5]

Ten aanzien van genoemde kentekens blijkt uit het rapport het volgende.

Tussen 22 november 2015 en 19 februari 2016 was [betrokkene] de tenaamgestelde van een Rolls Royce met kenteken [kenteken 3] . Uit een aangetroffen handgeschreven factuur blijkt dat [betrokkene] genoemd voertuig voor een bedrag van € 50.000,- heeft gekocht. Uit de transactiegegevens van de aan [betrokkene] ter beschikking staande bankrekeningen is niet gebleken van enige betaling in verband met deze verkrijging. Gezien bovenstaande is het aannemelijk dat [betrokkene] voor de aankoop van de Rolls Royce, kenteken [kenteken 3] , een bedrag van € 50.000,- contant aan de verkoper heeft betaald.Uit de administratie van de door [betrokkene] gedreven ondernemingen blijkt dat [bedrijf 3] auto’s kocht van en verkocht aan [bedrijf 16] BV te [plaats 4] . Uit de verklaring van [persoon 24] , enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 16] BV, en uit nader onderzoek blijkt dat er naast de mogelijke inruil van andere personenauto’s contante (bij)betalingen, verricht door [betrokkene] , hebben plaatsgevonden.[betrokkene] heeft op 18 februari 2016 een Maserati , voorzien van het kenteken [kenteken 4] gekocht voor een bedrag van € 51.500,-. Hiervan heeft [betrokkene] een bedrag van € 15.500,- per bank betaald. Bij de transactie is vermeld: “spoedoverboeking bijbetaling Mercedes [kenteken 6] op Maserati ”. Het restant van € 36.000,- is kennelijk voldaan door inruil van genoemde Mercedes. Het is aannemelijk dat bij de verkrijging van de Maserati geen contante betaling heeft plaatsgevonden. Deze Mercedes, kenteken [kenteken 6] , is door middel van inruil verkregen bij de verkoop van de Rolls Royce, kenteken [kenteken 3] aan [bedrijf 14] VOF.Tussen 1 april 2015 en 17 juni 2016 was [betrokkene] de tenaamgestelde van het kenteken [kenteken 5] . Dit betrof een personenauto, merk Mercedes. De voorafgaande tenaamgestelde van dit kenteken was [persoon 24] . [persoon 24] verklaart eigenaar te zijn geweest van dit voertuig en dit voertuig voor € 30.000,- te hebben verkocht aan [betrokkene] . Uit de transactiegegevens van de aan [betrokkene] ter beschikking staande bankrekeningen is niet gebleken van enige betaling in verband met deze verkrijging.Gezien bovenstaande is het zeer aannemelijk dat [betrokkene] een bedrag van € 30.000,- contant aan [persoon 24] heeft betaald.

De verdediging heeft ook ten aanzien van de Rolls Royce met kenteken [kenteken 3] aangevoerd dat [betrokkene] ook die auto weer heeft verkocht en dat ook met die opbrengst ten onrechte geen rekening is gehouden. Datzelfde geldt volgens de verdediging ook voor de Maserati met kenteken [kenteken 4] .

De rechtbank volgt dit standpunt van de verdediging niet. Ten aanzien van de Rolls Royce met kenteken [kenteken 3] volgt weliswaar uit het dossier dat deze auto is ingeruild, maar daaruit blijkt niet dat dit heeft geleid tot contante inkomsten die zouden moeten leiden tot vermindering van het te ontnemen bedrag. Dit geldt eveneens voor de Maserati met kenteken [kenteken 4] .

5.3.6.4.8 Conclusie overige contante uitgaven

De overige contante uitgaven bedragen:

Geboekte reizen € 33.557,42

Verbouwing woonwagen € 13.500,-

Aankoop woonwagen € 60.000,-

Aankoop auto’s € 62.000,-

€ 37.500,-

€ 50.000.-

€ 30.000,-

-------------+

€ 179.500,-

-------------- +

Het totaalbedrag aan overige contante uitgaven bedraagt: € 286.557,42

5.3.6.4.9 Conclusie totale uitgaven

Werkelijke totale contante en girale uitgaven bedragen: € 5.503.223,31 +/+ € 1.724.350,54 +/+ € 293.798,80 +/+ € 286.557,42 = € 7.807.930,07.

Het vervolgprofijt

Op grond van hetgeen is opgenomen in het rapport is naar het oordeel van de rechtbank vast komen te staan dat [betrokkene] , naast de legale inkomsten uit zijn ondernemingen, ook vervolgprofijt heeft verkregen uit het door hem verkregen wederrechtelijk voordeel. Uit onderzoek van de kasboeken van de ondernemingen is gebleken dat [betrokkene] deze legale inkomsten niet had kunnen verwezenlijken zonder de (periodieke) inbreng van (een deel van) zijn wederrechtelijk verkregen voordeel.

De verdediging stelt zich ten aanzien van het vervolgprofijt primair op het standpunt dat de bedrijfsactiviteiten niet met criminele gelden zijn gestart en/of uitgevoerd en dat daarom van vervolgprofijt geen sprake kan zijn. De verdediging heeft gesteld dat de opbrengsten van de legale handelsactiviteiten van [betrokkene] niet kunnen worden gelijkgesteld met ‘revenuen van uit illegale bron verkregen gelden’, zoals in de wetsgeschiedenis wordt bedoeld.

Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat geen sprake kan zijn van vervolgprofijt wegens ontbreken van voldoende causaal verband. Onvoldoende is aannemelijk geworden dat [betrokkene] het vervolgprofijt heeft verkregen.

De rechtbank verwerpt het door de verdediging gevoerde verweer. Het kasboek van de onderneming van [betrokkene] , [bedrijf 1] ” [plaats 1] , vermeldt op

1 januari 2007 een beginsaldo van € 20.595,-. Daarvan wordt aangenomen dat dit legaal verkregen is.

Op 2 januari 2007 werd de contante ontvangst van een lening van [persoon 25] ter grootte van € 140.000,- ingeboekt. In het kader van het witwasdossier is onderzoek gedaan naar deze lening en op basis van die resultaten heeft de rechtbank in haar vonnis van 25 oktober 2018 geoordeeld dat het bedrag van € 140.000,- geen legale herkomst heeft.

De inbreng van gelden, waarvan een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring

kan gelden heeft tot gevolg dat alle hiervan gerealiseerde verkoop- en verhuuropbrengsten

als vervolgprofijt kunnen worden aangemerkt.

Ter bepaling van de hoogte van dit vervolgprofijt is onderzoek gedaan naar de inkoop, verkoop en verhuur van diverse personenauto’s, bestelauto’s en lichte vrachtauto’s.

Ter voorkoming van dubbeltelling zijn niet de opbrengsten van de transacties opgenomen, die ook zijn opgenomen in het vonnis van de rechtbank.

Omdat naar het oordeel van de rechtbank van een deel van het startkapitaal (het startkapitaal van € 20.595,-) niet gezegd kan worden dat dit een illegale herkomst had, zal de rechtbank op het door het onderzoeksteam berekende vervolgprofijt telkens het legale gedeelte in verhouding in mindering brengen. Het gaat dan om de verhouding tussen het totale startkapitaal en het legale deel van het startkapitaal. Van het totale startkapitaal van € 160.595,- was € 20.595,- legaal, zodat de rechtbank in die verhouding (20.595/160.595 = 0,128) een correctie op het totale vervolgprofijt zal toepassen.

Vervolgprofijt 2007 In 2007 bedroeg het vervolgprofijt uit de in- en verkoop van personenauto’s, bestelauto’s en lichte vrachtauto’s € 95.090,36.Het vervolgprofijt uit de verhuur van dergelijke voertuigen bedroeg € 23.205,-.In totaal bedroeg het vervolgprofijt in 2007 € 95.090,36 + € 23.205,- = € 118.295,36.

Vervolgprofijt 2008

In 2008 bedroeg het vervolgprofijt uit de in- en verkoop van personenauto’s, bestelauto’s en lichte vrachtauto’s € 76.611 ,-.Het vervolgprofijt uit de verhuur van dergelijke voertuigen bedroeg € 34.510,-.In totaal bedroeg het vervolgprofijt in 2008 € 76.611,- + € 34.510,- = € 111.121,-.

Vervolgprofijt 2009 In 2009 bedroeg het vervolgprofijt uit de in- en verkoop van personenauto’s, bestelauto’s en lichte vrachtauto’s € 102.659,-.Het vervolgprofijt uit de verhuur van dergelijke voertuigen bedroeg € 32.600,-.In totaal bedroeg het vervolg profijt in 2009 € 102.659,- + € 32.600,- = € 135.259,-.

Vervolgprofijt 2010 In 2010 bedroeg het vervolg profijt uit de in- en verkoop van personenauto’s, bestelauto’s en lichte vrachtauto’s € 87.900,-.Het vervolg profijt uit de verhuur van dergelijke voertuigen bedroeg € 67.450,-.In totaal bedroeg het vervolgprofijt in 2010 € 87.900,- + € 67.450,- = € 155.350,-.

Vervolgprofijt 2011 In de periode van 1 januari tot en met 31 mei 2011 bedroeg het vervolgprofijt uit de in- en verkoop van personenauto’s, bestelauto’s en lichte vrachtauto's € 40.700,-.Het vervolgprofijt uit de verhuur van dergelijke voertuigen bedroeg in deze periode € 14.230,-.

In de periode van 1 juni tot en met 31 december bedroeg het vervolgprofijt uit de in- en verkoop van personenauto’s, bestelauto’s en lichte vrachtauto’s € 37.100,-.

Het vervolgprofijt uit de verhuur van dergelijke voertuigen bedroeg in deze periode € 45.050,-.

In totaal bedroeg het vervolgprofijt in 2011

€ 40.700,- + € 14.230,- + € 37.100,- + € 45.050,- = € 137.080,-.

Vervolgprofijt 2012 In 2012 bedroeg het vervolgprofijt uit de in- en verkoop van personenauto’s, bestelauto’s en lichte vrachtauto’s € - 2.323,89.Het vervolgprofijt uit de verhuur van dergelijke voertuigen bedroeg € 75.700,-.In totaal bedroeg het vervolgprofijt in 2012 € - 2.073,89 + € 175.700,- = € 173.626,11.

Vervolgprofijt 2013 In 2013 bedroeg het vervolgprofijt uit de in- en verkoop van personenauto’s, bestelauto’s en lichte vrachtauto’s € 18.140,50.Het vervolgprofijt uit de verhuur van dergelijke voertuigen bedroeg € 37.000,-.In totaal bedroeg het vervolgprofijt in 2010 € 18.140,50 + € 37.000,- = € 55.140,50.

In aanvulling op bovenstaande kan op basis van aangetroffen inkoopfacturen van een aantal verkopen in 2012 en 2013 de inkoopprijs worden vastgesteld. Hierdoor kan een aanvullend vervolgprofijt van € 40.300,- worden vastgesteld.

Het totale vervolgprofijt bedraagt: € 118.295,36 + € 111.121,- + € 135.259,- + € 155.350,- + € 137.080,- + € 173.626,11 + € 55.140,50 + € 40.300,- = € 926.171,97.

Correctie in verband met legaal gedeelte van het startkapitaal

Zoals hiervoor overwogen zal de rechtbank op dit totaalbedrag een correctie toepassen in verband met het legale deel van het startkapitaal. Op grond daarvan zal de hoogte van het vervolgprofijt worden vastgesteld op:

€ 926.171,97 - € 118.550,01 (0,128 x € 926.171,97) = € 807.621,96.

Conclusie

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de uitgebreide kasopstelling als volgt:

Beginsaldo € 65.793,--

+/+ Legale contante ontvangsten € 7.065.719,16

-/- Eindsaldo € 127.099,20

Beschikbaar voor het doen van uitgaven € 7.004.412,96

-/- Werkelijke uitgaven € 7.807.930,07

Verschil € 803.517,11

+/+ Vervolgprofijt € 807.621,96

Het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 1.611.139,07.

Vaststelling betalingsverplichting

De redelijke termijn

De rechtbank overweegt met betrekking tot de aanvang van de redelijke termijn en het procesverloop in deze zaak het volgende.

Op 4 september 2020 is door het openbaar ministerie de ontnemingsvordering tegen [betrokkene] ingesteld en op de zitting van 11 oktober 2022 heeft de rechtbank een schriftelijke procedure bevolen. Hierop heeft op 21 november 2022 de officier van justitie haar conclusie van eis ingediend. De verdediging heeft meerdere malen om uitstel voor het nemen van een conclusie van antwoord verzocht. Vervolgens heeft het tot 12 december 2024 geduurd alvorens de behandeling van het onderzoek ter terechtzitting weer werd hervat. De gehele ontnemingsprocedure heeft uiteindelijk bijna zes jaar geduurd.

De rechtbank is van oordeel dat het in deze weliswaar gaat om een forse ontnemingsvordering waaraan een omvangrijk dossier ten grondslag ligt en dat ook nader onderzoek in deze ontnemingsprocedure noodzakelijk was. Mede gelet op het feit dat de procedure na 21 november 2022 ruim twee jaar onnodig heeft stilgelegen, is de redelijke termijn echter in ernstige mate overschreden en moet deze overschrijding matiging van het hierna te vermelden vast te stellen ontnemingsbedrag tot gevolg hebben.

De rechtbank zal de betalingsverplichting matigen, nu zij heeft geoordeeld dat de redelijke termijn is geschonden. Hiermee rekening houdende zal de rechtbank de verplichting tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet opleggen gelijk aan het hiervoor vermelde bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel is geschat, maar dat bedrag verminderen, in die zin dat de vermindering – conform de jurisprudentie van de Hoge Raad – wordt gemaximeerd op € 5.000,-.

De aan de benadeelde partij toegewezen schadevergoeding

De rechtbank ziet geen aanleiding om de in het veroordelend vonnis aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] toegewezen schadevergoeding in mindering te brengen op de betalingsverplichting, alleen al omdat die veroordeling nog niet onherroepelijk is.

Conclusie

De rechtbank zal daarom het terug te betalen bedrag vaststellen op € 1.606.139,07 en de vordering van de officier van justitie voor het overige afwijzen.

6. Het voorwaardelijk verzoek tot het horen van getuigen

Het verzoek

Indien de rechtbank tot het oordeel zou komen dat [betrokkene] wederrechtelijk voordeel heeft genoten, heeft de verdediging een voorwaardelijk verzoek gedaan om getuigen te horen. Het zou dan gaan om de heer [getuige 1] , van [bedrijf 19] B.V. te [plaats 2] , en [persoon 26] te [plaats 3] . Dit betreft de [boekhouder] van [persoon 4] . Verder heeft de verdediging verzoeken van eerdere raadslieden herhaald. Het ging dan om het horen van de getuigen [getuige 2] , de heer [getuige 3] , (voormalig) teamleider TCI, [getuige 4] (voormalig) medewerker TCI, [persoon 27] (voormalig) medewerker TCI, [persoon 28] , (voormalig) medewerker TCI, [persoon 29] (voormalig) medewerker TCI, [persoon 30] (voormalig) medewerker TCI, [persoon 31] (voormalig) medewerker TCI, [persoon 32] en [persoon 33] .

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 14 juli 2026 aangevoerd dat het openbaar ministerie met betrekking tot de eerder gevraagde getuigen ook al eerder een schriftelijk standpunt heeft ingenomen en dat het openbaar ministerie persisteert bij dat standpunt, inhoudende dat het verzoek tot het horen van die getuigen moet worden afgewezen. Tevens is de officier van justitie van mening dat voor wat betreft het verzoek van de verdediging om de boekhouders te horen het noodzaakscriterium van toepassing is en dat hij geen argumenten heeft gehoord die het horen van die boekhouders noodzakelijk maakt en dat daarom het verzoek moet worden afgewezen. De officier van justitie heeft daar nog aan toegevoegd dat boekhouders slechts doen wat aan hen door hun cliënten wordt opgedragen op basis van de stukken die de opdrachtgevers ter beschikking stellen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat op eerder gedane verzoeken van de verdediging om [getuige 2] en medewerkers van de TCI te horen, al is beslist door de rechter-commissaris en later ook op 5 maart 2026 nog door de rechtbank waar het om [getuige 2] gaat. Op grond daarvan is naar het oordeel van de rechtbank het noodzaakscriterium van toepassing. De rechtbank stelt voorts vast dat in het herhaalde verzoek van de verdediging om deze getuigen te horen geen nieuwe argumenten naar voren zijn gebracht waardoor de rechtbank tot een andere beslissing zou komen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat zij zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht acht en haar dus de noodzakelijkheid van de gevraagde verhoren niet is gebleken.

Betreffende het verzoek om de boekhouders [getuige 1] en [persoon 26] te horen dient de rechtbank te beoordelen of het horen van deze getuigen noodzakelijk is met het oog op de volledigheid van het onderzoek. De verdediging heeft aangevoerd dat [getuige 1] een onvermijdelijke getuige is en daarom ook moet worden gehoord, maar gaat daarbij geheel voorbij aan het feit dat [getuige 1] al eerder in het onderzoek Apollo door de politie is gehoord (pagina 1875 proces-verbaal Apollo).

Met deze verklaring komt de rechtbank tot het oordeel dat zij zich voldoende ingelicht acht en dat zij ook het verzoek om [getuige 1] als getuige te horen afwijst.

Hetzelfde geldt tot slot ook voor het verzoek om de getuige [persoon 26] te horen. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het moment waarop het verzoek wordt gedaan, ook voor dit verzoek het noodzakelijkheidscriterium geldt. De rechtbank begrijpt uit de onderbouwing van het verzoek dat de getuige [persoon 26] de boekhouder zou zijn van [persoon 4] en dat de verklaring van [persoon 26] de ontnemingsvordering raakt. De verdediging stelt dat de verklaring van [persoon 26] een vermeende lening (van [persoon 4] aan [betrokkene] ) van crimineel cash geld zou veranderen in een lening van cash geld.

De rechtbank heeft hiervoor al meerdere keren opgemerkt dat zij gebonden is aan de uitspraak die in de zaak van [betrokkene] op 25 oktober 2018 in de hoofdzaak door de rechtbank is gedaan. Dat is ook nu aan de orde. In de hoofdzaak heeft de rechtbank namelijk beslist dat wat de door [persoon 4] aan [betrokkene] verstrekte lening betreft een legale herkomst van het geldbedrag ontbreekt en de rechtbank heeft in de hoofdzaak daarom wettig en overtuigend bewezen verklaard dat [betrokkene] een geldbedrag van € 200.000,= heeft witgewassen.

Dit maakt dat de rechtbank zich ook op dit punt voldoende ingelicht acht en dat zij het horen van [persoon 26] als getuige niet noodzakelijk vindt.

7. Gijzeling

Met ingang van 1 januari 2020 is het nieuwe elfde lid van artikel 36e Sr direct van toepassing geworden. De rechtbank zal daarom bij het opleggen van de maatregel ook de duur van de gijzeling bepalen die, met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering, in dit geval te hoogste kan worden gevorderd.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 36e (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank:

- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 1.611.139,07;

- legt betrokkene de verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van € 1.606.139,07, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

- bepaalt de duur van de gijzeling, die bij niet betaling van het ontnemingsbedrag kan worden gevorderd, op 1080 dagen;

- wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.J. Kok, voorzitter, mr. M.A.E. Dekker en mr. M.H.M. Collombon, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier F.J.M. Nouws en is uitgesproken ter openbare zitting op 25 augustus 2026.

Mr. M.A.E. Dekker is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. G.M.J. Kok
  • mr. M.A.E. Dekker
  • mr. M.H.M. Collombon

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand