RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
Lurisnummer : [nummer]
raadkamernummer : 26-004767
datum : 28 april 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 552a juncto artikel 5.4.10 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klaagster],
geboren op [geboortedag] 1991,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. R. el Bellaj, advocaat te Tilburg (Kraaivenstraat 36-18, 5048 AB Tilburg),
hierna te noemen: klaagster.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
volgende goederen onder klaagster in beslag zijn genomen: een Iphone 17 Pro Silver; een
Ipad Pro; een Ipad mini 4 en een Samsung A25s (hierna: de gegevensdragers);
Op 14 april 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. M. Nieuwenhuis, klaagster en mr. R. el Bellaj als raadsman van klaagster, gehoord.
De belanghebbende [belanghebbende] is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan klaagster. Gesteld wordt dat klaagster evident eigenaar is van de in beslag genomen gegevensdragers. Deze lagen ook allemaal in haar slaapkamer op het moment dat de woning werd doorzocht. Klaagster ondervindt hinder bij voortduring van het beslag, met name omdat het haar primaire communicatiemiddelen betreft waar ook privacygevoelige informatie op staat. In aanvulling op het klaagschrift is nog aangevoerd dat er naast de in het klaagschrift genoemde gegevensdragers ook een IPhone15 in beslag is genomen en dat ook om teruggave van deze gegevensdrager wordt verzocht. Deze telefoon was van de overleden partner van klaagster en behoort nu toe aan klaagster. Het Europees Onderzoeksbevel (EOB) is uitsluitend gericht op onderzoek naar de broer van klaagster. Klaagster is zelf geen verdachte in dat onderzoek. Voor zover bij klaagster bekend betreft het EOB geen onderzoek dat ziet op haar persoonlijke eigendommen. De inbeslaggenomen gegevensdragers vallen derhalve niet onder de reikwijdte van het EOB en zijn niet noodzakelijk voor het Belgische onderzoek. Op basis hiervan ontbreekt een rechtsgrond voor voortzetting van het beslag en is opheffing met last tot teruggave aan klaagster gerechtvaardigd. De raadsman heeft hierbij verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank van 5 december 2022 waarin een vergelijkbare situatie speelde. De inhoud van het aanvullend EOB maakt dit niet anders, nu de gegevensdragers van klaagster reeds tijdens de doorzoeking in beslag zijn genomen en het eerder uitgevaardigde EOB enkel zag op de inbeslagname van gegevensdragers die door de broer van klaagster werden gebruikt. Klaagster voelt zich voorts in haar beklag gesterkt door het feit dat uit correspondentie met de advocaat van de moeder van klaagster blijkt dat het Openbaar Ministerie heeft besloten om de gegevensdragers die tijdens de doorzoeking onder de moeder van klaagster in beslag zijn genomen, wel aan haar moeder terug te geven.
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij het schriftelijke standpunt van het Openbaar Ministerie en zich op het standpunt gesteld dat het beslag gehandhaafd dient te blijven. In het EOB van 30 januari 2026 is verzocht om inbeslagneming van alle voorwerpen die nuttig kunnen zijn voor de waarheidsvinding in het kader van de verdenking jegens
[belanghebbende], waaronder documenten en gegevensdragers. In het aanvullend EOB van 11 februari 2026 is schriftelijk bevestigd dat het verzoek tot inbeslagneming zich ook uitstrekt tot de gegevensdragers die bij klaagster zijn aangetroffen. Tegen verdachte [belanghebbende] bestaat een verdenking van strafbare harddrugsfeiten. Verdachte is de broer van klaagster. Kenmerkend voor de inbeslaggenomen gegevensdragers is dat zij naar hun aard makkelijk te gebruiken zijn door huisgenoten van degene die stelt eigenaar en/of (enige) gebruiker daarvan te zijn. Er was aldus een rechtsgrond om de goederen in beslag te nemen en er zijn geen weigeringsgronden van toepassing.
2. De beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klaagster is ontvankelijk in haar beklag.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd ter uitvoering van een EOB als volgt.
De rechtbank doet geen onderzoek naar de gronden voor het uitvaardigen van het EOB. Gelet op artikel 5.4.7 eerste lid Sv toetst zij evenmin de proportionaliteit van de inbeslagneming en van de daarop volgende overdracht van de inbeslaggenomen goederen. Bij de beoordeling van een klaagschrift dat betrekking heeft op inbeslagneming op grond van een EOB is niet de vraag aan de orde of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Aan het systeem van het EOB ligt immers ten grondslag dat het belang van strafvordering in de uitvaardigende staat wordt verondersteld aanwezig te zijn.
Het staat wel ter beoordeling of zich een grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het EOB, dan wel voor uitstel van de erkenning of de uitvoering van het EOB. Zo moet op grond van artikel 5.4.4 tweede lid Sv in beginsel worden voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid. Daarnaast kan de rechtbank in voorkomende gevallen ook beoordelen of de bevoegdheid waarmee uitvoering is gegeven aan het EOB, rechtmatig is toegepast. De rechtbank moet zich daarbij beperken tot een onderzoek naar de formaliteiten waaraan de inbeslagneming moet voldoen. Gelet op het beginsel van wederzijdse erkenning, moeten verweren die raken aan de rechtmatigheid van het voortduren van het beslag buiten beschouwing worden gelaten.
De rechtbank overweegt dat verder in deze klaagschriftprocedure ter beoordeling staat of de inbeslaggenomen voorwerpen ook voorwerpen zijn waarop het EOB betrekking heeft. Daarbij is van belang dat de uitvaardigende staat het te verkrijgen bewijsmateriaal in het EOB globaal mag omschrijven, omdat het voor de uitvaardigende staat niet steeds op voorhand vaststaat welk bewijsmateriaal precies aanwezig is in de uitvoerende staat.
De rechtbank stelt vast dat de Belgische autoriteiten een EOB hebben uitgevaardigd, in het kader van een lopend strafrechtelijk onderzoek naar de broer van klaagster, [belanghebbende], en een aantal andere verdachten in verband met - kort gezegd - illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Dit EOB is door de officier van justitie erkend en tenuitvoergelegd. De rechter-commissaris heeft gebruik gemaakt van haar bevoegdheid tot het leggen van beslag ex artikel 104 Sv. De inzet van de bevoegdheden is naar Nederlands recht rechtmatig geschied en er doen zich geen weigeringsgronden als bedoeld in artikel 5.4.4 Sv voor.
De inbeslaggenomen goederen betreffen het bewijsmateriaal waarop het (aanvullend) EOB betrekking heeft en dat bewijsmateriaal beogen de Belgische autoriteiten met dit EOB te verkrijgen. Deze goederen zijn dus in beslag genomen met het oog op de waarheidsvinding in het genoemde Belgische strafrechtelijke onderzoek. Zoals hiervoor overwogen wordt met de uitvaardiging van een EOB het belang van strafvordering in de uitvaardigende verondersteld aanwezig te zijn. Het is niet aan de rechtbank om te beoordelen of en in hoeverre de in beslag genomen goederen daadwerkelijk aan de waarheidsvinding kunnen bijdragen en evenmin of het beslag tot dat doel in een redelijke verhouding staat. Dat staat ter beoordeling van de Belgische autoriteiten. De rechtbank maakt hierbij geen belangenafweging. Het gestelde persoonlijke belang bij teruggave van deze goederen kan daarom door de Nederlandse rechter niet worden meegewogen.
Gelet op het voorgaande zal het beklag tegen het beslag ter uitvoering van het EOB ongegrond worden verklaard.
3. De beslissing
De rechtbank
- verklaart het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. P.E. van Althuis, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 28 april 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).