RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-258529-25
raadkamernummer : 26-001257
datum : 28 april 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoekster] ,
geboren op [geboortedag] 1976 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. B.J. Tieman, advocaat te Utrecht (Amsterdamsestraatweg 107, 3513 AC Utrecht),
hierna te noemen: verzoekster.
1. De procedure
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het op 14 januari 2026 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van:
Namens verzoekster is verzocht de vergoeding van bovengenoemde kosten toe te wijzen.
Het Openbaar Ministerie heeft zich in een schriftelijke reactie op het standpunt gesteld dat het verzoek geheel kan worden toegewezen.
Verzoekster en de officier van justitie hebben ingestemd met een pro-formabehandeling van het verzoekschrift, waarbij verzoekster en de advocaat niet in raadkamer hoeven te verschijnen.
Op 14 april 2026 heeft het onderzoek door de openbare raadkamer plaatsgevonden. Hierbij was de officier van justitie, mr. M. Nieuwenhuis, aanwezig. Verzoekster en de advocaat zijn hierbij niet verschenen.
2. De beoordeling
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank zou worden vervolgd.
Op grond van artikel 530 Sv kan aan een gewezen verdachte een vergoeding voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd.
Artikel 534 lid 1 Sv bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.
Het Openbaar Ministerie is op 21 november 2025 overgegaan tot een beleidssepot (aandeel in het gebeuren is van betrekkelijk geringe aard/omvang geweest). In zo’n geval kunnen gronden van billijkheid voor toekenning van een vergoeding ontbreken als verzoeker de kosten aan zichzelf te wijten had.
De rechtbank is van oordeel dat op basis van het procesdossier niet zonder meer kan worden vastgesteld dat verzoekster de verdenking aan zichzelf te wijten heeft gehad en ziet gronden van billijkheid om een vergoeding voor de door haar gemaakte kosten van rechtsbijstand toe te kennen. Het verzochte bedrag ter hoogte van € 762,30 is in voldoende mate onderbouwd en komt de rechtbank billijk voor. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen.
Voor de kosten verbonden aan de indiening van het verzoekschrift wordt het forfaitaire bedrag van € 420,00 toegekend.
3. De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van
€ 1.182,30, bestaande uit:
- € 762,30 aan kosten van rechtsbijstand;
- € 420,00 de kosten verbonden aan de indiening van het verzoekschrift;
bepaalt dat een bedrag van € 1.182,30 zal worden overgemaakt op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van mr. B.J. Tieman, onder vermelding van “schadevergoeding OM/[verzoekster].
Deze beslissing is genomen door mr. P.E. van Althuis, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 28 april 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep.