RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-353711-24
raadkamernummer : 25-030615
datum : 28 april 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[kenmerk],
geboren op [geboortedag] 2009 te [geboorteplaats],
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. D. Marcus, advocaat te Goirle (Edisonstraat 6, 5051 DS Goirle),
hierna te noemen: verzoeker.
1. De procedure
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het op 25 november 2025 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van:
Op 14 april 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. M. Nieuwenhuis, verzoeker en mr. D. Marcus als advocaat van verzoeker, gehoord.
Namens verzoeker is verzocht een vergoeding van bovengenoemde schade toe te wijzen.
Daartoe is in aanvulling op het verzoekschrift ten aanzien van de verzochte vergoeding van de reiskosten aangevoerd dat deze zijn gemaakt ten behoeve van de strafzaak en voor vergoeding in aanmerking komen nu verzoeker is vrijgesproken. Ten aanzien van de parkeerkosten stelt de advocaat dat zij deze kosten niet kan onderbouwen, anders dan dat de ouders van verzoeker (verplicht) bij de zitting van hun minderjarige zoon aanwezig zijn geweest en er in de omgeving van de rechtbank alleen betaald kan worden geparkeerd. Ten aanzien van het tijdsverzuim heeft de advocaat aangevoerd dat de moeder van verzoeker parttime werkt en daadwerkelijk vrij heeft moeten nemen om bij de zitting van haar minderjarige zoon aanwezig te kunnen zijn, hetgeen ook door haar werkgever schriftelijk is bevestigd. Zij heeft die uren niet op andere wijze kunnen invullen. Er kan wel een matiging van het bedrag plaatsvinden nu de advocaat abusievelijk is uitgegaan van het bruto uurloon in plaats van het netto uurloon, zodat thans een vergoeding van bedrag van
€ 404,01 (11,7 uur * € 34,53) wegens gemiste inkomsten wordt verzocht.
Verzoeker meent dat ook de kosten voor de verleende rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking komen. Voor de zaak is een tweede verhoor gelast, hetgeen niet gebruikelijk is bij een minderjarige en waarvoor geen vergoeding door de Raad voor Rechtsbijstand is toegekend. Verzoeker heeft deze nota zelf moeten betalen.
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie en zich op het standpunt gesteld dat de reiskosten kunnen worden toegewezen tot een bedrag van € 64,90 en dat het verzoek voor het overige dient te worden afgewezen. Een vervolgverhoor valt onder de werkzaamheden van een advocaat in het kader van een jeugdstrafpiket, waar reeds een rechtsbijstandvergoeding tegenover staat. In de nadere toelichting van de advocaat in raadkamer ziet de officier van justitie geen aanleiding om de verzochte vergoeding wegens gemiste inkomsten alsnog toe te wijzen. Daartoe stelt hij dat de moeder van verzoeker haar werkzaamheden op een andere wijze had kunnen invullen, mede ook gelet op het aantal uren dat is berekend om bij de zitting van haar zoon aanwezig te zijn.
2. De beoordeling
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen, omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank is vervolgd.
Op grond van artikel 530 Sv wordt aan een gewezen verdachte een vergoeding toegekend van de reis- en verblijfskosten die voor het onderzoek en de behandeling van de zaak zijn gemaakt. Er kan ook een vergoeding worden toegekend voor de schade die hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling van de zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden. Tot slot kan ook een vergoeding voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd.
Artikel 534 lid 1 Sv bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.
Verzoeker heeft een bedrag ter hoogte van € 643,19 verzocht voor vergoeding van kosten voor rechtsbijstand in verband met het tweede verhoor van verzoeker als verdachte. Volgens de advocaat zijn deze kosten niet door de Raad voor Rechtsbijstand gedekt, nu er geen piketmelding ten aanzien van het tweede verhoor is uitgegaan en er geen sprake was van een aangehouden verdachte.
De rechtbank stelt op basis van de nadere toelichting van de advocaat in raadkamer en de door haar overgelegde vaststelling vergoeding toevoeging door de Raad voor Rechtsbijstand vast dat er voor het tweede verhoor van verzoeker op 24 september 2025 geen vergoeding door de Raad is toegekend. Volgens het huidige beleid van de Raad voor Rechtsbijstand krijgen advocaten die een minderjarige bijstaan tijdens verhoor in de piketfase ook een vergoeding voor vervolgverhoren. De Raad voor Rechtsbijstand betaalt de kosten van rechtsbijstand alleen als de minderjarige door de politie is aangehouden. In 2021 heeft de rechtbank Amsterdam een streep door het beleid van de Raad voor Rechtsbijstand getrokken, in die zin dat elke minderjarige verdachte die verhoord wordt door de politie, of die nu wel of niet is aangehouden voor verhoor, aanspraak kan maken op vergoeding van de kosten van rechtsbijstand door de Raad voor Rechtsbijstand. Op grond van deze jurisprudentie is de rechtbank van oordeel dat verzoeker de kosten van rechtsbijstand ten behoeve van het tweede verhoor dus wel via de Raad voor Rechtsbijstand vergoed had kunnen krijgen. Waarom deze vergoeding niet is verkregen, is niet nader toegelicht en de rechtbank onbekend gebleven. Gelet hierop acht de rechtbank het niet billijk dat deze kosten langs deze weg ten laste van de Staat komen en zij zal het verzochte bedrag aan kosten rechtsbijstand dan ook afwijzen.
Verzoeker heeft voorts een vergoeding van een bedrag ter hoogte van € 70,38 verzocht voor reiskosten. De rechtbank is van oordeel dat de reiskosten ad € 38,97 ten behoeve van de drie zittingen kunnen worden toegewezen. De verzochte reiskosten in verband met de verhoren op het politiebureau en het ophalen van de dagvaarding in Roosendaal vallen echter buiten het bereik van artikel 530 Sv, zodat de rechtbank deze kosten zal afwijzen.
De rechtbank zal de verzochte vergoeding van een bedrag van € 22,50 voor de parkeerkosten in verband met het bijwonen van de drie zittingen afwijzen, nu deze kosten niet zijn onderbouwd met stukken.
Verzoeker heeft - na herberekening in raadkamer - een bedrag ter hoogte van € 404,01 verzocht voor inkomstenderving. Verzoeker heeft ter onderbouwing hiervan stukken overgelegd. Gelet daarop acht de rechtbank het verzoek voldoende onderbouwd en acht zij gronden van billijkheid aanwezig om aan verzoeker een vergoeding hiervoor te kennen. De rechtbank zal - uitgaande van het netto salaris van de moeder van verzoeker - een bedrag van € 343,55 (€ 3.308,35: € 112,67 * 11,7 uur) toewijzen.
Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van € 680,00 toegekend.
3. De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van
€ 1.062,52, bestaande uit:
- € 38,97 aan reiskosten;
- € 343,55 aan kosten in verband met inkomstenderving en
- € 680,00 de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
wijst het verzoek voor het overige af;
bepaalt dat een bedrag van € 1.062,52 zal worden overgemaakt op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van Stichting Derdengelden Marcus Advocatuur, onder vermelding van dossiernummer [kenmerk]”.
Deze beslissing is genomen door mr. P.E. van Althuis, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 28 april 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.