RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-065517-20
raadkamernummers : 26-001469 en 26-001468
datum : 28 april 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 533 en 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedag] 1985 te [geboorteplaats],
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. V. Poelmeijer, advocaat te Amsterdam (Falckstraat 14, 1017 VW Amsterdam),
hierna te noemen: verzoeker.
1. De procedure
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het op 15 januari 2026 bij de griffie ingediende verzoek dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 533 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van:
het op 15 januari 2026 bij de griffie ingediende verzoek dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van:
- € 420,00 € 420,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 825,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
Het verzoek is behandeld op 14 april 2026. Hierbij zijn de officier van justitie
mr. M. Nieuwenhuis en mr. G. van Oort als gemachtigd waarnemend advocaat van verzoeker gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
Namens verzoeker is verzocht een vergoeding van bovengenoemde schade toe te wijzen. Desgevraagd heeft de advocaat in raadkamer aangevoerd dat de beperkingen er op enig moment zijn afgegaan, zodat de verzochte vergoeding wegens ondergane in verzekeringstelling en voorlopige hechtenis gematigd kan worden. Ten aanzien van de verzochte vergoeding wegens tijdverzuim heeft de advocaat verzocht om daar een inflatiecorrectie op toe te passen via de rekentool van het CBS en heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 maart 2021.
De officier van justitie heeft zich - in afwijking van het schriftelijke standpunt van het Openbaar Ministerie - in raadkamer op het standpunt gesteld dat de verzochte vergoeding wegens ondergane detentie gematigd dient te worden, nu verzoeker minder dagen in beperkingen in het huis van bewaring heeft doorgebracht dan in het verzoek wordt gesteld.
Voorts acht de officier van justitie - gelet op de nadere toelichting van de advocaat in raadkamer - gronden van billijkheid aanwezig om aan verzoeker een vergoeding toe te kennen voor de gederfde inkomsten als gevolg van de detentie. Hij ziet echter geen ruimte voor een toepassing van een inflatiecorrectie en verwijst daarbij naar een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 juni 2024. Volgens de officier van justitie is er ook geen sprake van uitzonderlijke omstandigheden die nopen tot een inflatiecorrectie.
2. De beoordeling
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen, omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank zou worden vervolgd.
Op grond van artikel 533 Sv kan aan een gewezen verdachte een vergoeding van de schade die hij ten gevolge van ondergane verzekering, klinische observatie of voorlopige hechtenis heeft geleden worden toegekend. Voorwaarde hierbij is dat de zaak van de gewezen verdachte is geseponeerd of dat die verdachte niet is veroordeeld.
Artikel 534 lid 1 Sv bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.
De rechtbank acht gronden van billijkheid aanwezig om aan verzoeker een vergoeding toe te kennen voor de dagen die hij onterecht in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Bij het bepalen van het aantal dagen dat de verzoeker in een politiecel of huis van bewaring heeft doorgebracht, wordt zowel de dag waarop de inverzekeringstelling is aangevangen als de dag van de invrijheidstelling als een volledige dag vergoed.
Volgens de berekening van de rechtbank heeft verzoeker heeft in totaal 66 dagen in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 3 dagen op het politiebureau en 63 dagen in het Huis van Bewaring waarvan 12 dagen met beperkingen. De LOVS-uitgangspunten gaan uit van een forfaitaire vergoeding van € 160,00 per dag voor het verblijf op het politiebureau en € 155,00 in het Huis van Bewaring met beperkingen of in een extra beveiligde inrichting (EBI) en € 120,00 in de overige gevallen.
Een dag die begint op basis van een vergoedingsmaatstaf van € 160,00, maar die overgaat in een dag met een vergoedingsmaatstaf van € 120,00 wordt aangemerkt als één dag tegen een vergoedingsmaatstaf van € 120,00.
De rechtbank zal naar billijkheid een bedrag toekennen van € 8.460,00.
Ten aanzien van de verzochte vergoeding wegens gederfde inkomsten is de rechtbank van oordeel dat sprake is van vermogensschade die op grond van artikel 533 Sv vergoed kan worden. De rechtbank is van oordeel dat de schade voldoende is onderbouwd en dat toewijzing van deze schade billijk is. De advocaat heeft in raadkamer verzocht om een inflatiecorrectie toe te passen en daarmee de vordering te vermeerderen. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval de ouderdom van het feit een specifieke en bijzondere omstandigheid is die gronden van billijkheid met zich mee brengt om een inflatiecorrectie toe te passen. Het betreft hier namelijk geleden loonderving over 2020. De rechtbank zal op grond van de door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde inflatiecijfers en aan de hand van de inflatiecalculator de gederfde inkomsten corrigeren naar maart 2025 en vaststellen op een bedrag van € 4.949,42 (2 x € 2.474,71).
Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van de verzoekschriften in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van € 825,00 toegekend.
3. De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 533 Sv toe tot een bedrag van € 13.409,42, bestaande uit:
- € 8.460,00, voor schade wegens ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis;
- € 4.949,42, voor vergoeding van vermogensschade;
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van
€ 825,00, zijnde de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
wijst de verzoeken voor het overige af;
bepaalt dat een bedrag van € 14.234,42 zal worden overgemaakt op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van Stichting Beheer Derdengelden Kuijpers & Nillesen Advocaten te Amsterdam, onder vermelding van “[kenmerk]”.
Deze beslissing is genomen door mr. P.E. van Althuis, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 28 april 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.