ECLI:NL:RBZWB:2026:8177

ECLI:NL:RBZWB:2026:8177

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 30-07-2026
Datum publicatie 26-08-2026
Zaaknummer BRE 25/2817
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Herzieningsverzoek WIA is terecht afgewezen. Het beroep is ongegrond.

Uitspraak

[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. L.L. Ross),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers herzieningsverzoek in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA). Eiser is het niet eens met de afwijzing en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de afwijzing terecht is geweest.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het herzieningsverzoek terecht is afgewezen. Hoewel kan worden gesproken van een nieuw feit, heeft dit feit geen gevolgen voor eisers belastbaarheid. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Inleiding

2. Eiser is werkzaam geweest als opbouwer van dieselmotoren voor 40 uur in de week. Op 19 november 2009 heeft hij zich ziekgemeld vanwege al langer bestaande heupklachten. Deze klachten leverde problemen op met staan, lopen en tillen. Eiser heeft ook gemeld schouderklachten te hebben. Hij is aan zijn heup geopereerd, waarna hij moest revalideren.

Eiser heeft op 15 juli 2011 een aanvraag gedaan voor een WIA-uitkering. Het UWV heeft op 22 september 2011 beslist dat eiser per 18 oktober 2011 geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat eiser naar het oordeel van de verzekeringsarts niet meer dan 35% arbeidsongeschikt is. Op basis van de genoemde klachten werd eiser 32,78% arbeidsongeschikt geacht. Op 29 augustus 2024 heeft eiser een verzoek gedaan tot herziening van deze beslissing. Eiser is gediagnosticeerd met fybromyalgie en stelt dat dit een groot deel van de klachten verklaard die eiser destijds heeft benoemd. Deze klachten zijn door het UWV niet geobjectiveerd.

Het UWV heeft het verzoek tot herziening met het besluit van 28 oktober 2024 (primaire besluit) afgewezen. Uit de belastbaarheidsgegevens van het WIA-onderzoek in 2011 blijkt dat er al rekening gehouden is met een verminderde fysieke belastbaarheid, waarbij verondersteld kan worden dat de ervaren fysieke klachten en belemmeringen van destijds zijn meegewogen. De diagnose heeft daarom geen effect op de belastbaarheid, nu het niet de diagnose op zich is die de belastbaarheid bepaalt. Daar komt bij dat niet met zekerheid te zeggen is dat de gestelde diagnose in 2011 al aanwezig was.

Eiser maakt bezwaar tegen deze beslissing en voert aan recht te hebben op een WIA-uitkering dan wel een Ziektewetuitkering, omdat de diagnose fybromyalgie destijds niet is meegenomen in de beoordeling. Hierdoor zouden de klachten die uit deze diagnose voortvloeien onvoldoende zijn vertaald naar de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Dit had wel moeten gebeuren. In het primaire besluit wordt niet concreet ingegaan op de diagnose die alle door eiser geclaimde klachten verklaard. Er is enkel ingegaan op de heupklachten als fysieke klachten. De klachten dienen in het licht van de diagnose te worden bekeken.

Met het bestreden besluit van 24 april 2025 op het bezwaar van eiser is het UWV bij de afwijzing van het herzieningsverzoek gebleven. Het bezwaar is ongegrond verklaard. Het UWV ziet geen aanleiding de belastbaarheid die destijds is vastgesteld te wijzigen.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en drs. [persoon] namens het UWV.

Eerdere procedure

3. Op 8 augustus 2012 heeft eiser zich ziekgemeld vanwege toegenomen gewrichtsklachten. Eiser heeft toen een Ziektewetuitkering gekregen. Met het besluit van 10 juni 2013 is deze uitkering beëindigd, omdat eiser per die datum geschikt werd geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Dit bezwaar is met het besluit van 26 augustus 2013 ongegrond verklaard, waarna eiser beroep heeft ingesteld.

In dat beroep heeft eiser aangevoerd dat het onderzoek niet op zorgvuldige wijze had plaatsgevonden en dat hij meer beperkt zou moeten worden geacht. De rechtbank heeft dat beroep ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen bleek dat zij uitgebreid kennis hadden genomen van relevante medische informatie en deze in hun beoordeling hadden betrokken. De verzekeringsartsen waren dus op de hoogte van de door eiser gestelde klachten.

De Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad) heeft de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het UWV eiser op goede gronden geschikt heeft geacht voor zijn arbeid. De Raad vond het van belang dat in de FML van 8 september 2011 al beperkingen waren opgenomen op de onderdelen waarop eiser vond dat hij meer beperkt moest worden geacht.

Beoordeling door de rechtbank

4. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het UWV terecht heeft besloten dat de als nieuw gepresenteerde feiten niet maken dat van het eerdere besluit zou moeten worden teruggekomen.Beoordeling herzieningsverzoek

Eiser stelt dat hij in 2011 en 2013 fysieke klachten had die gerelateerd kunnen worden aan fybromyalgie, maar dat dit door het UWV nooit serieus werd genomen. De diagnose is niet meegenomen in de (beperking van de) belastbaarheid, omdat daar geen (toen bekende) medische objectiveerbare reden voor gevonden kon worden. Nu er een diagnose is, moet dat wel. In bezwaar is hier niet op ingegaan. Hetzelfde geldt voor andere gewrichtsklachten die eiser heeft geclaimd, maar die door het UWV niet zijn vertaald naar de FML, waarbij alleen het niet kunnen objectiveren van die klachten (doordat fibromyalgie geen erkende diagnose was) daarvoor de reden kan zijn.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep (hierna: verzekeringsarts b&b) heeft het dossier van eiser bekeken en heeft geen aanleiding gezien om terug te komen op de eerdere beslissing(en). In 2011 is rekening gehouden met schouderklachten, heupklachten en een verminderde belastbaarheid van de benen. Uit de aangeleverde stukken blijkt verder niet dat in 2011 of in 2013 al sprake is geweest van fibromyalgie. Dat de diagnose nu is gesteld wil niet zeggen dat deze destijds al aanwezig was. Als kan worden gesteld dat de diagnose in 2011 al aanwezig was, geeft dit echter ook geen aanleiding tot aanpassing van de FML. Er zijn namelijk geen afwijkende bevindingen waargenomen bij het lichamelijk onderzoek van de (overige) gewrichten. Eisers belastbaarheid is eerder in bezwaar, beroep en hoger beroep bevestigd. Het achteraf stellen van een diagnose maakt dat niet anders omdat bij het vaststellen van de belastbaarheid wordt uitgegaan van het functioneren op dat moment.

De rechtbank kan deze motivering van het UWV volgen. De verzekeringsarts b&b heeft inzichtelijk uiteengezet dat de door eiser ingebrachte informatie geen aanleiding geeft om terug te komen op de in de FML weergegeven belastbaarheid. Het UWV heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht geconcludeerd dat het nieuwe feit – de diagnose – niet maakt dat van het eerdere besluit zou moeten worden teruggekomen.

Het beroep slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de afwijzing van het herzieningsverzoek in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.S.S. Obispo, rechter, in aanwezigheid van mr.A.M.H. Meulensteen, griffier, op 30 juli 2026 en openbaar bekend gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. N.S.S. Obispo

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand