Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-141733-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 27 augustus 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( België ) op [geboortedag] 2002,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] ,
raadsman mr. M. Rasterhoff, advocaat te Amsterdam.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 13 augustus 2026, waarbij de officier van justitie mr. J. Verschuren en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, dan wel dat hij gevaar of hinder op de weg heeft veroorzaakt.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het aan hem primair ten laste gelegde feit heeft begaan, waarbij hij uitgaat van zeer onvoorzichtig rijgedrag. Hij vordert verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde deel dat ziet op het verrichten van handelingen op een telefoon tijdens het rijden.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het aan verdachte primair en subsidiair ten laste gelegde feit en verzoekt hem daarvan vrij te spreken.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feiten en omstandigheden
Op basis van de bewijsmiddelen en de overige stukken in het dossier stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 20 april 2025 heeft er binnen de bebouwde kom op de Eikenlaan op de kruising met de Molenweg en de Korte Akkers te Koewacht een verkeersongeval plaatsgevonden. Verdachte reed als bestuurder van een personenauto over de Eikenlaan, een weg waar verdachte bekend is doordat hij daar bijna dagelijks rijdt. Naast verdachte was ook voetganger [slachtoffer] bij het verkeersongeval betrokken. [slachtoffer] liep over de Molenweg richting de Korte Akkers. Vanuit de rijrichting van verdachte gezien, was dit aan de rechterzijde, waar zich hoge bosjes bevonden. Als gevolg van de aanwezigheid van die bosjes is er sprake van een onoverzichtelijke situatie voor weggebruikers. Verdachte is op het kruisingsvlak met de voorzijde van zijn auto tegen de linkerzijde van het lichaam van [slachtoffer] gebotst op het moment dat zij overstak. Na deze botsing is verdachte uit zijn auto gestapt om aan [slachtoffer] eerste hulp te verlenen en heeft hij vervolgens het alarmnummer 112 gebeld.
Ten tijde van het verkeersongeval was het buiten donker, aan het regenen en was het wegdek nat.
Als gevolg van het verkeersongeval heeft [slachtoffer] letsel opgelopen, zoals blijkt uit de medische informatie van het [ziekenhuis] . Het letsel bestond uit hoofdletsel, een bloeding in de hersenvliezen, schouderletsel, een gebroken sleutelbeen, een gescheurde milt, heupletsel, een gebroken enkel en een gebroken kuitbeen. [slachtoffer] heeft twee operaties moeten ondergaan, een aantal weken in het ziekenhuis moeten verblijven en na de ziekenhuisopname nog een aantal weken moeten revalideren in een revalidatiecentrum. Bijna één jaar na het verkeersongeval was er nog geen sprake van volledig herstel en het is onduidelijk of er nog kans is op volledig herstel.
Snelheid
Op de Eikenlaan geldt een wettelijk toegestane maximum snelheid van 30 kilometer per uur.
Uit het forensisch onderzoek volgt dat de personenauto waarmee verdachte reed, was voorzien van een voetgangersbeschermingssysteem (actieve motorkap) en dat dit systeem niet in werking was getreden. Er waren met betrekking tot dit systeem geen storingsmeldingen op het dashboard aanwezig en er werd geconcludeerd dat het systeem had kunnen functioneren tijdens het verkeersongeval. Uit technische documentatie van het systeem bleek dat het systeem functioneert bij een voertuigsnelheid die ligt tussen de 25 en 55 kilometer per uur. Omdat het systeem niet in werking was getreden, is het volgens de politie aannemelijk dat de snelheid van de personenauto tijdens het verkeersongeval buiten het snelheidsbereik van dit systeem had gelegen.
Door de politie is aan de hand van camerabeelden een berekening gemaakt van de snelheid die verdachte zou hebben gereden. Uit die berekening bleek dat verdachte had gereden met een indicatieve gemiddelde snelheid van 62 kilometer per uur.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat voldoende vaststaat dat verdachte harder dan 55 kilometer per uur moet hebben gereden. De suggestie van de verdediging dat het voetgangersbeschermingssysteem mogelijk niet in werking is getreden door de botsing, omdat er geen schade is geconstateerd aan de bumper en deze dus mogelijk te weinig is ingedeukt om het voetgangersbeschermingssysteem te activeren, is niet aannemelijk geworden. Daarvoor biedt het dossier geen aanknopingspunten. Bij dat oordeel heeft de rechtbank ook de aard van de botsing en de impact daarvan op de auto en [slachtoffer] betrokken. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan het door de politie verrichte onderzoek.
De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat verdachte reed met een snelheid die hoger lag dan de wettelijk toegestane maximum snelheid.
Telefoongebruik
De politie heeft onderzoek verricht naar het gebruik van de telefoon door verdachte. Uit dit onderzoek volgt dat er op de datum van het verkeersongeval om 22:23:48 uur gebruik is gemaakt van de applicatie Instagram, waarbij ook is geregistreerd dat de applicatie ‘on screen’ is. Om 22:24:44 uur is er meerdere keren een call log geregistreerd naar het nummer 112. Gelet op het korte tijdsverloop tussen het gebruik van de applicatie Instagram en het bellen naar het nummer 112 en gelet op de vaststelling dat verdachte voordat hij 112 heeft gebeld, uit zijn auto is gestapt om eerste hulp te verlenen aan [slachtoffer] , kan de rechtbank niet met voldoende zekerheid vaststellen dat verdachte tijdens het rijden gebruik heeft gemaakt van zijn telefoon. De rechtbank zal verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.
Artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (WVW)
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de primair ten laste gelegde overtreding van artikel 6 WVW wettig en overtuigend kan worden bewezen. Daarvoor is vereist dat het verkeersongeval aan de schuld van verdachte is te wijten. Voor het oordeel dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW moet in ieder geval sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid, onachtzaamheid en/of onoplettendheid van verdachte. Voor schuld is meer nodig dan het veronachtzamen van de voorzichtigheid en de onoplettendheid die van een normaal oplettende bestuurder mag worden verwacht. Verder kan niet al uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat er sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Bij de bepaling van de mate van schuld komt het aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. De rechtbank overweegt daarover als volgt.
Roekeloos, zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam rijgedrag?
De rechtbank stelt voorop dat het besturen van een auto in zijn algemeenheid een voortdurende plicht tot voorzichtigheid en oplettendheid van de bestuurder vereist. In de onderhavige verkeerssituatie die onoverzichtelijk was, mocht van verdachte extra voorzichtigheid worden verwacht, omdat het ten tijde van het verkeersongeval donker was, aan het regenen was – met als gevolg dat een natte autoruit ook nog eens tot zichtbeperking kan leiden – en het wegdek nat was, maar bovenal omdat hij een beginnend bestuurder was. Daarbij maakte de aanwezigheid van genoemde bosjes de situatie ter plaatse voor weggebruikers extra onoverzichtelijk.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte niet alleen de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom in ernstige mate overschreden, maar heeft hij daarnaast zijn snelheid niet aangepast aan de voor hem bekende verkeerssituatie ter plaatse.
Verdachte had, gelet op de omstandigheden ter plaatse, zijn snelheid moeten aanpassen en moeten anticiperen op de verkeerssituatie, waarin het mogelijk was dat er vanuit rechts komend verkeer zou zijn, dat vanwege de bosjes op een laat moment zichtbaar kon worden.
Gelet op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst van de door verdachte gemaakte verkeersfouten en de omstandigheden waaronder die hebben plaatsgevonden, is de rechtbank van oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden en dat het aldus aan verdachtes schuld – in de zin van aanmerkelijke schuld – te wijten is dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft niet de voorzichtigheid betracht die hij als bestuurder van een personenauto had behoren te betrachten en heeft als gevolg van zijn handelen de auto niet tijdig voor het overstekende slachtoffer tot stilstand kunnen brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien.
De gedragingen van verdachte hebben geleid tot een aanrijding met [slachtoffer] en daarmee tot letsel van [slachtoffer] . Aan het vereiste van dubbele causaliteit is aldus voldaan, omdat zowel tussen de gedragingen van verdachte en het verkeersongeval als tussen het verkeersongeval en het letsel van [slachtoffer] causaal verband bestaat.
Letsel
De rechtbank gaat uit van de letsels, zoals hiervoor bij de feiten en omstandigheden zijn genoemd, en niet ook nog van één of meer gebroken rib(ben), nu dit niet uit de medische informatie blijkt.
Naar het oordeel van de rechtbank moet het letsel van [slachtoffer] , gelet op de aard en de ernst ervan, de operaties en de te verwachten blijvende beperkingen, worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.
Conclusie
Op basis van het voorgaande acht de rechtbank het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 20 april 2025 te Koewacht, gemeente Terneuzen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Eikenlaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig, terwijl het donker was en aan het regenen was en het wegdek nat was te rijden met een snelheid die hoger lag dan de wettelijk toegestane maximum snelheid en zonder zich er voldoende van te vergewissen dat de weg welke verdachte wilde
afleggen vrij was en/of vrij zou blijven, is blijven rijden, niet de snelheid van dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig zodanig geregeld dat hij in staat was zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die voornoemde weg kon overzien en waarover deze vrij was, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten enig hoofdletsel en een bloeding in de hersenvliezen en enig schouderletsel en een gebroken sleutelbeen en een gescheurde milt en enig heupletsel en een gebroken enkel en een gebroken kuitbeen werd toegebracht.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van 160 uur, uitgaande van zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. Daarnaast vordert hij aan verdachte op te leggen een rijontzegging voor de duur van 365 dagen, waarvan 181 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Daarbij heeft de officier van justitie rekening gehouden met het resultaat van de mediation tussen verdachte en [slachtoffer] .
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt in de strafmaat rekening te houden met de impact die het verkeersongeval op verdachte heeft gehad. Daarnaast verzoekt zij rekening te houden met de positieve uitkomst van de mediation tussen verdachte en [slachtoffer] . Verder is van belang dat bij verdachte bewustwording is ontstaan dat voorzichtigheid in het verkeer extreem belangrijk is, hetgeen de kans op herhaling zal verkleinen. Het ontbreken van nieuwe justitiële documentatie na het verkeersongeval vormt daarvan een bevestiging. Ten aanzien van de straf volstaat een onvoorwaardelijke rijontzegging voor een periode dat het rijbewijs ingevorderd en ingehouden is geweest. Voor een voorwaardelijke rijontzegging lijkt een half jaar passend. De door de officier van justitie gevorderde taakstraf is te hoog en daarom wordt verzocht deze te matigen.
Het oordeel van de rechtbank
De aard en de ernst van het feit
Verdachte heeft als beginnend bestuurder van een auto een verkeersongeval veroorzaakt, waarbij hij zich aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gedragen en voetganger [slachtoffer] heeft geraakt, waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. [slachtoffer] kan zich van het verkeersongeval niets meer herinneren, heeft meerdere operaties moeten ondergaan en ten tijde van de mediation slotovereenkomst op 12 maart 2026, dus bijna één jaar na het verkeersongeval, was er van volledig herstel nog geen sprake.
De rechtbank realiseert zich dat verdachte dit verkeersongeval op geen enkele manier heeft gewenst, maar dat neemt niet weg dat het verkeersongeval en de gevolgen hiervan een direct resultaat zijn van zijn handelen. Dat rekent de rechtbank verdachte aan. Verdachte reed de route vrijwel dagelijks, maar ook als het rijden routineus wordt, is het zaak om goed op te blijven letten en geen onnodige risico’s te nemen.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte
Hoewel uit het strafblad van verdachte van 30 juni 2026 geen soortgelijk feit blijkt en hij ook niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, houdt de rechtbank wel rekening met het volgende.
Uit politieregistraties blijkt dat verdachte in ieder geval drie keer met de politie in aanraking is geweest ter zake van het fors overtreden van de wettelijk toegestane maximum snelheid, waarbij hij zelfs één keer nog niet beschikte over een rijbewijs. Verder blijkt dat in het kader van een van die snelheidsovertredingen, in 2023, zijn rijbewijs ingevorderd is geweest. Deze snelheidsovertredingen en de invordering van het rijbewijs hebben verdachte er niet van weerhouden om weer een snelheidsovertreding te begaan, dit keer met een ernstig verkeersongeval tot gevolg.
Mediation
Op 12 maart 2026 heeft er tussen verdachte en [slachtoffer] mediation plaatsgevonden. De rechtbank leidt uit de mediation slotovereenkomst af dat [slachtoffer] verdachte niets kwalijk neemt en dat zij hoopt dat de officier van justitie rekening houdt met het gesprek tussen haar en verdachte en dat verdachte met betrekking tot de straf die hij krijgt niet te veel hinder zal ondervinden in het kader van zijn toekomst. Zowel [slachtoffer] als verdachte hebben het gesprek als fijn ervaren. De rechtbank concludeert dat er sprake is van een geslaagde mediation en houdt hier in strafverminderende zin rekening mee bij de strafoplegging. Het is bijzonder dat [slachtoffer] zich zo welwillend en groots jegens verdachte heeft kunnen opstellen.
Straf
Bij het bepalen van de hoogte van de straf houdt de rechtbank, naast het bovenstaande, rekening met de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank kwalificeert het handelen van verdachte als aanmerkelijk onvoorzichtig. In beginsel zoekt zij dan aansluiting bij de LOVS-oriëntatiepunten met betrekking tot aanmerkelijke schuld ten aanzien van het veroorzaken van een verkeersongeval met als gevolg zwaar lichamelijk letsel. Deze oriëntatiepunten hanteren een taakstraf voor de duur van 120 uur en een rijontzegging voor de duur van 6 maanden als uitgangspunt.
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf voor de duur van 120 uur passend en geboden is. Gelet op de ernst van het feit acht de rechtbank daarnaast een ontzegging van de rijbevoegdheid passend en geboden. De rechtbank ziet aanleiding om een deel daarvan voorwaardelijk op te leggen. De rechtbank zal conform de eis van de officier van justitie aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 365 dagen, waarvan 181 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, opleggen, waarbij de tijd dat het rijbewijs van verdachte ingevorderd en ingehouden is geweest in mindering wordt gebracht op het onvoorwaardelijke deel van de rijontzegging.
Met de deels voorwaardelijke rijontzegging beoogt de rechtbank een waarschuwing aan verdachte te geven en hem te weerhouden van het opnieuw plegen van dergelijke feiten.
7. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
8. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval
betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 120 (honderdtwintig) uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 (zestig) dagen;
Bijkomende straf
- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen, waarvan 181 (honderdeenentachtig) dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de rijontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd dat verdachte zijn rijbewijs al heeft ingeleverd in mindering wordt gebracht op het onvoorwaardelijke deel van de rijontzegging.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.W. Boogert, voorzitter, mr. G.H. Nomes en
mr. H. Skalonjic, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Huwae, griffier, en is
uitgesproken ter openbare zitting op 27 augustus 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij op of omstreeks 20 april 2025 te Koewacht, gemeente Terneuzen als
verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede
rijdende over de weg, de Eikenlaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn
schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval
zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
terwijl het donker/schemerig was en/of aan het regenen was en/of het wegdek nat
was te rijden met een snelheid die hoger lag dan de wettelijk toegestane maximum
snelheid, althans met een snelheid die hoger lag dan voor een veilig verkeer ter
plaatse geboden was, en/of
tijdens het rijden een of meerdere handelingen te verrichten op een telefoon in het
door verdachte bestuurde motorrijtuig en/of (daarbij) zijn aandacht niet
voortdurend op het verkeer en/of de weg vóór zich te houden, en/of
zonder zich er voldoende van te vergewissen dat de weg welke verdachte wilde
afleggen vrij was en/of vrij zou blijven, is blijven rijden,
niet de snelheid van dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig zodanig
geregeld dat hij in staat was zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de
afstand waarover hij, verdachte die voornoemde weg kon overzien en waarover
deze vrij was,
waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten enig
hoofdletsel en/of een bloeding in de hersenvliezen en/of enif schouderletsel en/of
een gebroken sleutelbeen en/of één of meer gebroken rib(ben) en/of een
gescheurde milt en/of enig heupletsel en/of een gebroken enkel en/of een gebroken
kuitbeen, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte
of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan
( art 6 Wegenverkeerswet 1994 )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 20 april 2025 te Koewacht, gemeente Terneuzen als bestuurder
van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Eikenlaan,
terwijl het donker/schemerig was en/of aan het regenen was en/of het wegdek nat
was heeft gereden met een snelheid die hoger lag dan de wettelijk toegestane
maximum snelheid, althans met een snelheid die hoger lag dan voor een veilig
verkeer ter plaatse geboden was, en/of
tijdens het rijden een of meerdere handelingen heeft verricht op een telefoon in het
door verdachte bestuurde motorrijtuig en/of (daarbij) zijn aandacht niet
voortdurend op het verkeer en/of de weg vóór zich heeft gehouden, en/of
zonder zich er voldoende van te vergewissen dat de weg welke verdachte wilde
afleggen vrij was en/of vrij zou blijven, is blijven rijden,
niet de snelheid van dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig zodanig heeft
geregeld dat hij in staat was zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de
afstand waarover hij, verdachte die voornoemde weg kon overzien en waarover
deze vrij was,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,
althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,
althans kon worden gehinderd;
( art 5 Wegenverkeerswet 1994 )