ECLI:NL:RBZWB:2026:8183

ECLI:NL:RBZWB:2026:8183

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 24-08-2026
Datum publicatie 26-08-2026
Zaaknummer BRE 25/2771
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over een aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning voor de bouw van een nieuw bedrijfsgebouw aan het X te Y. Eiser woont ten noorden van het perceel en is het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Ondanks dat de aanvraag van vergunninghoudster in strijd is met onder andere het in het voormalig bestemmingsplan bepaalde ter zake de bouwhoogte en het maximale bebouwingspercentage voor het perceel heeft het college de omgevingsvergunning, in afwijking van het bestemmingsplan, op goede gronden aan vergunninghoudster verleend. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college in redelijkheid heeft besloten dat het aangevraagde niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat verleende omgevingsvergunning voldoende gemotiveerd is. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

Samenvatting

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 25/2771

gemachtigde: mr. E.J.H. Plambeck,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland, college.

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghoudster] B.V., uit [plaats] , vergunninghoudster,

gemachtigde: mr. A.P. Cornelissen.

1. Deze uitspraak gaat over een aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning voor de bouw van een nieuw bedrijfsgebouw aan het [adres 1] te [woonplaats] (perceel). Eiser woont ten noorden van het perceel en is het niet eens met de verleende omgevingsvergunning.

Ondanks dat de aanvraag van vergunninghoudster in strijd is met onder andere het in het voormalig bestemmingsplan bepaalde ter zake de bouwhoogte en het maximale bebouwingspercentage voor het perceel heeft het college de omgevingsvergunning, in afwijking van het bestemmingsplan, op goede gronden aan vergunninghoudster verleend. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college in redelijkheid heeft besloten dat het aangevraagde niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat verleende omgevingsvergunning voldoende gemotiveerd is. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Vergunninghoudster heeft de omgevingsvergunning op 22 december 2023 bij het college aangevraagd. Het college heeft op 11 oktober 2024 een ontwerpbesluit genomen. Eiser heeft tegen het ontwerpbesluit een zienswijze ingediend. Het college heeft de omgevingsvergunning op 31 maart 2025 (bestreden besluit) verleend. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghoudster heeft ook schriftelijk gereageerd.

De rechtbank heeft het beroep op 13 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, deelgenomen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] . Vergunninghoudster werd vertegenwoordigd door [persoon 1] en [persoon 2] , bijgestaan door haar gemachtigde, mr. J. de Haas en [geluidsonderzoeker] .

De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van de bestreden besluiten

3. Vergunninghoudster ontwikkelt optische sorteermachines voor aardappelen en uien. Omdat het bedrijf de laatste jaren sterk is gegroeid, wil vergunninghoudster op het perceel een nieuw bedrijfsgebouw laten bouwen. Vergunninghoudster heeft op 22 december 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor de activiteiten het ‘bouwen van een bouwwerk’, het ‘maken van een uitweg’ en het ‘handelen in strijd met het bestemmingsplan’. Het perceel is gelegen aan de zuidoostkant van [woonplaats] , dicht bij de ontsluitingswegen N59 en N256. Vergunninghoudster heeft na indiening van de aanvraag het college verzocht om haar de realisatie van een bouwhoogte van 11,5 meter toe te staan. De rechtbank verwijst verder naar rechtsoverweging 2.

Met het bestreden besluit staat het college vergunninghoudster toe om op het perceel een bedrijfsgebouw te bouwen, waarvan onder andere de afmetingen en plaatsing in beginsel in strijd zijn met hetgeen dat het bestemmingsplan hierover bepaalt.

Omvang van het geschil

4. De rechtbank beoordeelt of het college op goede gronden de omgevingsvergunning aan vergunninghoudster heeft verleend. Nu het college de omgevingsvergunning ook voor de activiteit van het maken van een uitweg heeft verleend, maar eiser daar geen gronden tegen ingediend heeft, zal de rechtbank die activiteit niet beoordelen.

Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. De aanvraag om een omgevingsvergunning in deze zaak is ingediend vóór 1 januari 2024. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Standpunten van partijen

5. Eiser woont aan de [adres 2] en voert aan dat voor de categorie van de activiteiten van vergunninghoudster een richtafstand van 200 meter aangehouden moet worden, dat het college er ten onrechte vanuit gaat dat het perceel van eiser op 35 meter afstand van het perceel is gelegen en dat er geen sprake is van een gemengd gebied. Het college heeft verder onvoldoende rekening gehouden met geurhinder, het akoestisch onderzoek is gebrekkig en de uitgangspunten ervan zijn onvoldoende geborgd. Om de activiteiten in overeenstemming met de verleende omgevingsvergunning te kunnen uitvoeren, dient een geluidsscherm te worden geplaatst, waarvan het niet zeker is dat hiervoor een omgevingsvergunning kan worden verleend. Het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd ter zake de afwijking van het planologisch regime voor het vergunde grotere bouwvlak, de bouwhoogte en het maximum bebouwingspercentage. De eveneens vergunde lichtstraten zorgen voor een nog hogere bouwhoogte, waarbij niet duidelijk is of de lichtstraten zichtbaar zijn. De hogere bouwhoogte zorgt bovendien voor nog meer schaduw, waardoor de woning van eiser in de winterperiode vrijwel de hele middag in de schaduw komt te liggen en het bestreden besluit is in strijd met het beeldkwaliteitsplan.

Het college stelt dat er akoestisch onderzoek heeft plaatsgevonden om te beoordelen of van de richtafstand van 100 meter afgeweken kan worden. Uit het akoestisch onderzoek volgt, in combinatie met de te plaatsen geluidswand, dat er voor wat betreft het geluid sprake is van een ruimtelijk inpasbare situatie. Ook geldt dat in het akoestisch onderzoek meerdere geluidsbronnen zijn gesplitst om de feitelijke rij- en manoeuvreersituaties nauwkeuriger weer te geven. Voor wat betreft de gestelde geurhinder is de richtafstand 30 meter en het perceel van eiser is buiten deze afstand gelegen. Ook hiervoor geldt dat er sprake is van een ruimtelijk inpasbare situatie. Een nadere borging is niet nodig, omdat ook zonder voorschriften de Beste Beschikbare Technieken (BBT) in acht genomen dienen te worden. Er is sprake van een gemengd gebied, omdat het plangebied ligt op een bedrijventerrein, waar bedrijfsfuncties, infrastructuur en enkele bedrijfswoningen voorkomen. Ook in het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan 1] ’ (dat ziet op het noordelijk en westelijk van het perceel gelegen gebied) is het plangebied als gemengd gebied aangeduid. De omgevingsvergunning voor het geluidsscherm is inmiddels verleend en het scherm draagt bij aan de waarborging van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de omliggende woningen. Het geluidsscherm valt weg tegen de hoogte van het bedrijfsgebouw. Voor wat betreft het vergrote bouwvlak en het hogere maximale bebouwingspercentage geldt dat het perceel op een bedrijventerrein ligt en dat deze afwijkingen geen wezenlijke verandering van het ruimtelijk karakter van het gebied tot gevolg hebben. De vergunde hogere bouwhoogte sluit aan bij het naastgelegen bedrijventerrein. Dat geldt overigens ook voor het hogere maximale bebouwingspercentage. De lichtstraten liggen op 15 meter van de rand van het gebouw naar binnen, zijn afzonderlijk opgenomen en bepalen niet het gehele gebouwvolume. Het bedrijfsgebouw heeft een plat dak en de lichtstraten tellen als ondergeschikte bouwdelen niet mee voor de hoogtebepaling. Daarnaast vinden tussen 23.00 uur en 06.00 uur geen werkzaamheden plaats, zodat er ook geen sprake is van verlichting naar buiten via de lichtstraten.

Vergunninghoudster heeft, in reactie op de aangevoerde beroepsgronden, gesteld dat het college terecht is uitgegaan van een afstand van 35 meter tussen het perceel en het perceel van eiser en dat er sprake is van een gemengd gebied, omdat het langs de hoofdinfrastructuur van de N256 ligt. Er is geen sprake van geuremissie en het akoestisch onderzoek is niet gebrekkig. De vergroting van het bouwvlak betreft vijf meter in noordelijke richting; de afstand tussen de perceelsgrens van eiser en de noordgevel van het bedrijfsgebouw is dan nog 22 meter. De lichtstraten zijn vanaf de woning van eiser niet zichtbaar, het dak blijft plat en de schaduwwerking is beperkt tot een deel van de middag in de winterperiode. Daarmee is geen sprake van onaanvaardbare schaduwhinder.

Heeft het college de omgevingsvergunning kunnen verlenen?

6. Tot 1 januari 2024 viel het perceel onder het toenmalige bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan 2] ’ (bestemmingsplan). Uit overweging 4.1 hiervoor volgt dat aan de regels van dit bestemmingsplan moet worden getoetst. Op het perceel rusten onder andere de bestemmingen ‘Bedrijventerrein’ (artikel 4 van het bestemminsplan) en ‘Waarde – Archeologie – 7’ (artikel 7 van het bestemmingsplan), waarbij uit de verbeelding volgt dat het perceel hoofdzakelijk in het deel van de bestemming ‘Bedrijventerrein’ ligt. Op het perceel mag een bedrijf tot en met categorie 2 uit de (als bijlage 2 bij het bestemmingsplan gevoegde) Staat van Bedrijfsactiviteiten worden gevestigd, de maximale bouwhoogte is 10 meter en het maximumbebouwingspercentage bedraagt 60%. De door vergunninghoudster aangevraagde omgevingsvergunning strekt ertoe om onder meer voor het bebouwingspercentage, bouwhoogte, bouwvlak en categorie uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten van het bestemmingsplan af te wijken.

Artikel 2.10, eerste lid, sub c, van de Wabo bepaalt dat het college de omgevingsvergunning moet weigeren als een aanvraag voor een omgevingsvergunning ziet op de activiteit ‘bouwen’ en de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan. In een dergelijk geval wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit in strijd met het bestemmingsplan in de zin van artikel 2.1, eerste lid, sub c, van de Wabo. De omgevingsvergunning wordt enkel geweigerd als deze niet op grond van artikel 2.12 van de Wabo kan worden verleend. Artikel 2.12, eerste lid, sub, a, ten 3̊, van de Wabo bepaalt dat de omgevingsvergunning in geval van strijd met het bestemmingsplan slechts kan worden verleend als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende

bevoegdheid (om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen), komt het college beleidsruimte toe en moet het de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.

De rechtbank zal vervolgens beoordelen of het college in redelijkheid heeft aangenomen dat de verlening van de omgevingsvergunning niet in strijd is met de goede ruimtelijke ordening en dat het bestreden besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. De rechtbank neemt daarbij de in aanmerking dat perceel is gelegen in een omgeving met overwegend bedrijfsgebouwen, dat ook het perceel die bestemming heeft en dat in de ruimtelijke onderbouwing onder andere is ingegaan op de omgevingsaspecten verkeer, geluid, luchtkwaliteit en beeldkwaliteit.

In het bestreden besluit is van het bestemmingsplan afgeweken ter zake de hoogst toegestane categorie op het perceel uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten, de maximale bouwhoogte, het maximale bebouwingspercentage en het bouwvlak is vergroot. Voor wat betreft de categorie van de activiteiten op het perceel is tijdens de zitting gebleken dat partijen het met elkaar eens zijn dat de activiteiten van vergunninghoudster op zichzelf vallen onder categorie 4.1 uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten, maar dat het qua geluid gaat om categorie 2. In artikel 4.6.1, sub a, van het bestemmingsplan is bepaald dat het college kan afwijken van de maximale categorie van de activiteiten op het perceel, mits de bedrijfsactiviteiten, gelet op de milieubelasting, naar aard en invloed op de omgeving gelijkgesteld kunnen worden met de toegestane milieucategorieën, waarbij in de beoordeling geluidhinder, geurproductie, stofuitworp en gevaar betrokken worden. Aan die laatste eis is in ieder geval voldaan in de ruimtelijke onderbouwing. Naar het oordeel van de rechtbank kan aan het eerste onderdeel van sub a van het aangehaalde artikel ook worden voldaan, omdat de activiteiten van vergunninghoudster vergeleken kunnen worden met kantoormachines- en computerfabrieken inclusief reparatie. Daarbij geldt dat vergunninghoudster de door haar te leveren machines in het bedrijfsgebouw ontwerpt, assembleert, een proefopstelling maakt en de software schrijft. Ter zitting heeft vergunninghoudster toegelicht dat een gebouwde machine vervolgens bij de klant wordt geïntegreerd in de al aanwezige machines.

Voor de afwijkingen van de bouwhoogte, bebouwingspercentage en bouwvlak is de rechtbank van oordeel de aard van het bedrijfspand en het aanzicht hierop niet wezenlijk wijzigen. Het is de rechtbank niet gebleken dat de vergroting van het bouwvlak met vijf meter en de verhoging van het maximale bebouwingspercentage tot 70% zodanige gevolgen heeft dat er geen sprake meer is van een goed woon- en leefklimaat van de omgeving in een gemengd gebied. Eiser heeft ook niet betwist dat bij het naast zijn perceel gelegen bedrijventerrein (dat valt onder het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan 3] ’) het maximale bebouwingspercentage 70% bedraagt. Voor de bouwhoogte geldt dat een bouwhoogte van 11,5 meter aansluit bij het hiervoor aangehaalde bedrijventerrein.

Met betrekking tot de gestelde geuroverlast is de rechtbank van oordeel dat dit onderdeel voldoende in de ruimtelijke onderbouwing is meegenomen en eiser zijn grond hiertegen onvoldoende onderbouwd heeft. In dat verband verwijst de rechtbank volledigheidshalve ook nog naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) van 11 april 2023, in welke uitspraak de AbRvS heeft geoordeeld dat er geen onderzoek naar geuroverlast gedaan hoeft te worden, als dit redelijkerwijs niet verwacht hoeft te worden.

Voor de geluidsemissie gaat het in hoofdzaak om twee onderdelen, namelijk enerzijds de assemblage van de machines en in de verdere toekomst de mogelijke bewerking van metaal en anderzijds de rij- en manoeuvreerbewegingen van vrachtauto’s. Voor al deze aspecten geldt dat deze in het akoestisch onderzoek zijn meegenomen. Vergunninghoudster heeft ter zitting toegelicht dat de deuren van het bedrijfsgebouw gesloten zijn en dat bij de indeling van het bedrijfsgebouw rekening wordt gehouden met het opdelen van de ruimte in een deel voor assemblage en een deel voor metaalbewerking. Eiser heeft ter zitting aangegeven dat er inmiddels een maatwerkbesluit hierover is genomen, dat hij hiertegen bezwaar heeft gemaakt en dat voor hem niet vaststaat of het akoestisch onderzoek op de juiste manier is vertaald in de maatwerkvoorschriften. Het bezwaar tegen het maatwerkbesluit met maatwerkvoorschriften valt volgens de rechtbank echter buiten de omvang van de beroepsprocedure en de rechtbank zal het beroep daarop verder ook niet behandelen. Tijdens de zitting is over het andere deel van de geluidsemissie door de geluidsdeskundige van vergunninghoudster aangegeven dat bij het geluidsonderzoek de verschillende onderdelen van de activiteiten in eerste instantie grof in beeld zijn gebracht en dat vervolgens een deel van de tonale geluidsbelasting in delen is opgeknipt. Zo is bijvoorbeeld voor het rijden met een vrachtauto meer onderscheid gemaakt in het vooruit- en achteruitrijden, het vermogen en het geluid bij achteruitrijden in plaats van voor alle manoeuvres uit te gaan van dezelfde geluidsbelasting. Het college heeft die differentiatie aan de vergewisplicht ten grondslag gelegd en de rechtbank kan dat volgen. Voor zover eiser meent dat vergunninghoudster de vergunningsvoorwaarden (deels) niet in acht neemt, kan eiser hiervoor een handhavingsverzoek indienen.

Over het geluidsscherm is tijdens de zitting toegelicht dat het college de omgevingsvergunning hiervoor op 18 mei 2026 heeft verleend en dat dit besluit inmiddels formele rechtskracht heeft. Los van de feitelijke verlening is in de ruimtelijke onderbouwing opgenomen dat door middel van het geluidsscherm sprake is van een ruimtelijk inpasbare situatie. In artikel 4.2.3 van het bestemmingsplan is bepaald dat de hoogte van de erfafscheiding – een bouwwerk geen gebouw zijnde – maximaal twee meter hoog is. Voor de lengte van het geluidsscherm is in het bestemmingsplan geen beperking opgenomen. Aangezien de uitzondering van artikel 4.4.1 van het bestemmingsplan volgens de rechtbank hier niet van toepassing is, zou via een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor de hoogte van het geluidscherm van het toepasselijke planologische regime afgeweken kunnen worden, mits er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). In dat kader is van belang dat het geluidsscherm een halve meter hoger is dan de hiervoor aangehaalde maximale hoogte, waarbij de hoogte van het geluidsscherm naar het oordeel van de rechtbank wegvalt tegen de hoogte van het bedrijfsgebouw en vanaf een afstand van 20 tot 35 meter is het hoogteverschil van een halve meter niet goed meer waar te nemen. Het college heeft dan ook in redelijkheid de eis van het geluidscherm aan het bestreden besluit kunnen koppelen.

Voor de lichtstraten geldt dat deze 15 meter uit de noordgevel worden gelegd en dat deze een hoogte van 1,8 meter hebben. Tijdens de zitting is aan de orde geweest dat de lichtstraten vanaf een afstand zichtbaar zijn, maar wegvallen in het geheel. Eiser heeft tijdens de zitting ook aangegeven dat hij de lichtstraten vanuit zijn woning niet kan zien. De functie van de lichtstraat is dat het zonlicht door de lichtstraat naar beneden schijnt en zo het bedrijfsgebouw deels verlicht. Aangezien in de omgevingsvergunning als voorschrift is opgenomen dat de oostelijke deur in de noordgevel en het bijbehorende laaddok niet gebruikt mogen worden van 19.00 uur tot 7.00 uur, zal er bij werkzaamheden in deze uren hooguit sprake zijn van lichtstralen die de wolken verlichten.

Eiser heeft ook aangevoerd dat er sprake is van onevenredige schaduwwerking. Eiser heeft die grond niet verder onderbouwd. Vergunninghoudster heeft in beroep een aangepaste schaduwvisualisatie overlegd. Daaruit volgt dat er enkel in de winterperiode gedurende een deel van de dag sprake is van schaduwvorming. Onder verwijzing naar de uitspraken van de AbRvS van 10 april 2019 en 6 maart 2019 is de rechtbank van oordeel dat er in dit geval geen sprake is van onaanvaardbare schaduwhinder. Eiser heeft tijdens de zitting nog aangevoerd dat hij betwijfelt of de aangehaalde schaduwvisualisatie wel juist is, omdat het gebouw door het peil een meter hoger staat. Omdat eiser deze grond pas tijdens de zitting heeft aangevoerd, terwijl de reactie van vergunninghoudster (inclusief de aangepaste schaduwvisualisatie) op de zienswijze van eiser al medio februari 2026 is ingebracht, acht de rechtbank deze grond in strijd met de goede procesorde. De grond wordt daarom niet beoordeeld door de rechtbank.

Het college heeft tijdens de zitting toegelicht dat in deze procedure het Beeldkwaliteitsplan Bedrijventerrein [straat] van toepassing is. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met dit beelkwaliteitsplan, omdat er door de lichtstraten geen sprake meer is van een plat dak. Naar het oordeel van de rechtbank is er, ook nog na het aanbrengen van een lichtstraat op een plat dak, nog steeds sprake van een plat dak. Deze grond slaagt dan ook niet en miskent bovendien dat het bestemmingsplan het planologisch regime bepaalt en dat de in het bestreden besluit opgenomen voorschriften nu juist als doel hebben om het bedrijfsgebouw zo veel mogelijk te laten aansluiten bij het beeldkwaliteitsplan.

Alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat het college in redelijkheid heeft besloten dat met de verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening, welk besluit voldoende onderbouwd is. Het college heeft bij het verlenen van de omgevingsvergunning in voldoende mate alle relevante belangen meegewogen. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de procedure voldoende zorgvuldig is geweest.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de verleende omgevingsvergunning in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 24 augustus 2026 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.E. Loontjens, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage met relevante wet- en regelgeving

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

Artikel 2.1, eerste lid, sub a en c:

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, (….),

Artikel 2.2, eerste lid, sub e:

1. Voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om:

e. een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen,

geldt een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

Artikel 2.10, eerste lid, sub c, en tweede lid:

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd, indien:

c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan (….), tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;

2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3°:

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;

Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

Artikel 8.0a:

1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, wordt, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.

2. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan 2] ’ (bestemmingsplan)

Artikel 4.1, sub a en e:

De voor ‘Bedrijventerrein’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. bedrijven en bedrijfsactiviteiten voor zover deze voorkomen in de categorieën 1 en 2 van de bij deze regels horende Staat van Bedrijfsactiviteiten – BT;

e. hierbij horende ondergeschikte voorzieningen zoals verhardingen, voet- en fietspaden, inritten, parkeervoorzieningen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen en groenvoorzieningen.

Artikel 4.2.2, sub a, b en f:

a. De gebouwen en overkappingen worden in een bouwvlak gebouwd;

b. het totale oppervlak van gebouwen en overkappingen bedraagt ten hoogste het met de aanduiding ‘maximum bebouwingspercentage (%)’ aangegeven percentage van dat gedeelte van het bouwperceel dat in het maatvoeringsvlak valt;

f. de oppervlakte, inhoud, goot- en bouwhoogte bedragen ten hoogste de volgende maten:

Artikel 4.2.3:

De bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste de volgende maten:

Artikel 4.4.1:

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.2.3 voor het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde tot een bouwhoogte van ten hoogste 10 meter. Deze afwijkingsbevoegdheid geldt niet voor:

a. erfafscheidingen voor zover gelegen voor de voorgevellijn;

b. overkappingen.

Artikel 4.61, sub a:

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.1, onder a door bedrijven en bedrijfsactiviteiten toe te staan, die niet zijn opgenomen in de Staat van Bedrijfsactiviteiten – BT, dan wel bedrijven of bedrijfsactiviteiten toe te staan uit één milieucategorie hoger, indien:

a. de bedrijfsactiviteiten gelet op de milieubelasting, naar aard en invloed op de omgeving gelijkgesteld kunnen worden met de toegestane milieucategorieën, waarbij in deze beoordeling betrokken worden geluidhinder, geurproductie, stofuitworp en gevaar;

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand