RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
raadkamernummer : 25-026996
datum : 24 februari 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klager] ,
geboren op [geboortedag] 1955,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. S. Karakaya-Pilavci advocaat te Leusden, (Postbus 230, 3830 AE Leusden),
hierna te noemen: klager.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
Op 24 februari 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. M. Nieuwenhuis, klager en mr. S. Karakaya-Pilavci als advocaat van klager, gehoord.
De belanghebbende is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen. Dit is: [bedrijf 1] .
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan klager. Daartoe is aangevoerd dat klager de rechthebbende van de Lexus is. Hij heeft de Lexus te goeder trouw bij een erkende BOVAG-garage in Nederland gekocht. Klager had niet verwacht en heeft ook niet hoeven te verwachten dat hij een gestolen voertuig kocht, mede omdat de prijs marktconform was en er geen sprake was van braakschade of van andere verdachte kenmerken. Klager heeft bij de aankoop een factuur ontvangen, deze betaald en heeft daarna de kentekenpapieren en de sleutels van de Lexus ontvangen. Bovendien heeft klager zelf nader onderzoek verricht en contact opgenomen met de RDW toen hij argwaan kreeg na de uitdraai van de onderhoudshistorie, waaruit naar voren kwam dat de data van de onderhoudsbeurten van de Lexus en ook de kilometerstand niet klopten.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag niet langer vordert en dat de Lexus teruggeven kan worden aan klager. Klager geniet op grond van artikel 3:86 van het Burgerlijk Wetboek (BW) derdenbescherming en kan derhalve redelijkerwijs als rechthebbende worden aangemerkt. Nu er echter sprake is van een vervalst chassisnummer dient er wel een nieuw Vehicle Identification Number (VIN) te worden ingeslagen.
2. De beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in zijn beklag.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Op grond van artikel 116 lid 1 Sv laat het Openbaar Ministerie de inbeslaggenomen voorwerpen teruggeven aan de beslagene, zodra het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet. Dit betekent het volgende. Als het Openbaar Ministerie zich op het standpunt stelt dat er geen strafvorderlijk belang meer is bij het voortduren van het beslag, dan moet de rechter ervan uitgaan dat het standpunt juist is. Dit geldt ook als het Openbaar Ministerie van oordeel is dat het voorwerp teruggegeven kan worden aan een ander dan klager.
Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken blijkt dat de gronden voor het voortzetten van het strafvorderlijk beslag niet langer aanwezig zijn. Vervolgens rijst de vraag of de Lexus aan klager dient te worden teruggeven. Hoofdregel is immers dat een voorwerp moet worden teruggegeven aan degene onder wie het in beslag is genomen. Dat is slechts anders indien een ander redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.
Uit het zich bij de stukken bevindende P-formulier volgt dat de Lexus tussen 29 en 30 maart 2024 is gestolen in Rome (Italië). Van de diefstal is door [bedrijf 2] , tevens eigenaar, aangifte gedaan. Een eigenaar verliest zijn eigendomsrecht niet als zijn eigendom wordt gestolen. Op grond van artikel 3:86 lid 3 BW kan hij het gestolen goed gedurende drie jaren na de dag van de diefstal opeisen van de persoon die het onder zich heeft. Dat geldt niet als er daarna sprake is geweest van een consumentenkoop. In de onderhavige zaak heeft klager als particulier de Lexus te goeder trouw tegen een marktconforme prijs gekocht bij een erkende BOVAG-garage die van het verhandelen van auto’s zijn bedrijf maakt in een daartoe bestemde bedrijfsruimte. Klager kan aldus aanspraak maken op de bescherming van artikel 3:86 lid 3 sub a BW. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat klager als rechthebbende moet worden aangemerkt.
De rechtbank stelt op basis van het raadkamerdossier en het verhandelde in raadkamer vast dat er een vals chassisnummer op de in beslag genomen Lexus met kenteken [kenteken 2] zit. De rechtbank is van oordeel dat de Lexus daarmee voor herinslag van het VIN in aanmerking komt.
Alles overwegend is de rechtbank van oordeel dat de Lexus aan klager moet worden teruggegeven, zodat hij de Lexus kan legaliseren middels een herinslag van het VIN. Klager dient hiervoor contact op te nemen met de RDW.
3. De beslissing
De rechtbank
- het klaagschrift gegrond en gelast de teruggave van de in beslag genomen Lexus aan klager.
Deze beslissing is genomen door mr. P.E. van Althuis, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 24 februari 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).