ECLI:NL:RBZWB:2026:8205

ECLI:NL:RBZWB:2026:8205

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 24-02-2026
Datum publicatie 26-08-2026
Zaaknummer 25-021668
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Raadkamer
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Ongegrond. revindicatie door oorspronkelijke eigenaar. Geen 3:86 bescherming.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats Breda

raadkamernummer : 25-021668

datum : 24 februari 2026

beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[klaagster] , gevestigd te [adres] ,

vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger] ,

hierna te noemen: klaagster.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

Op 24 februari 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. M. Nieuwenhuis, [vertegenwoordiger] als vertegenwoordiger van klaagster en [belanghebbende] als belanghebbende, gehoord.

Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan klaagster. Daartoe is door de heer [vertegenwoordiger] in raadkamer aangevoerd dat klaagster eigenaar is van de in beslag genomen motor. Zij heeft de motor met sleutel en het eerste deel van Belgische inschrijving/kenteken van een erkende handelaar voor een destijds redelijke prijs gekocht. Klaagster heeft de motor vervolgens opgeknapt en laten keuren. Tijdens de keuring bleek dat de motor in België als gestolen geregistreerd staat. Klaagster heeft de motor te goeder trouw gekocht en heeft ongeveer 1.200 euro aan reparatiekosten aan de motor besteed. Zij wenst dan ook teruggave van de motor aan haar dan wel minstens dat deze kosten vergoed worden en dat klaagster de aankoopsom terugkrijgt.

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de schriftelijke conclusie van het Openbaar Ministerie en zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift ongegrond dient te worden verklaard. Hij heeft daartoe aangevoerd dat weliswaar het belang van strafvordering het voortduren van het beslag niet langer vordert, maar dat teruggave niet aan klaagster, maar aan de redelijkerwijs als rechthebbende te beschouwen persoon dient te geschieden, zijnde in dit geval [belanghebbende] . De motor was gestolen in België en er bestaat een revindicatiemogelijkheid voor de (oorspronkelijke) eigenaar.

[belanghebbende] heeft in raadkamer aangevoerd dat de motor na de echtscheiding van [persoon] op zijn naam is gesteld en dat hij sindsdien de eigenaar is van de motor. Op 20 mei 2025 is de motor met sleutel uit zijn garage gestolen. Hij heeft daarvan direct aangifte gedaan bij de Belgische politie. Hij wenst teruggave van de motor aan hem, maar is wel bereid - en acht het ook niet meer dan gerechtvaardigd - om de door klaagster gemaakte kosten te vergoeden, nu er onderdelen van de motor vervangen zijn.

2. De beoordeling

De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.

Het klaagschrift is tijdig ingediend en klaagster is ontvankelijk in zijn beklag.

Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.

De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:

a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,

b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.

In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.

Op grond van artikel 116, eerste lid, Sv laat het Openbaar Ministerie de inbeslaggenomen voorwerpen teruggeven aan de beslagene, zodra het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet. Dit betekent het volgende. Als het Openbaar Ministerie zich op het standpunt stelt dat er geen strafvorderlijk belang meer is bij het voortduren van het beslag, dan moet de rechter ervan uitgaan dat het standpunt juist is. Dit geldt ook als het Openbaar Ministerie van oordeel is dat het voorwerp teruggegeven kan worden aan een ander dan klager.

Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken blijkt dat de gronden voor het voortzetten van het strafvorderlijk beslag niet langer aanwezig zijn. Vervolgens rijst de vraag of de motor aan klaagster dient te worden teruggeven. Hoofdregel is immers dat een voorwerp moet worden teruggegeven aan degene onder wie het in beslag is genomen. Dat is slechts anders indien een ander redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

Blijkens een notariële akte 18 oktober 2023 blijkt dat [belanghebbende] sindsdien de eigenaar is van de motor. Uit het zich bij de stukken bevindende P-formulier van juli 2025 volgt dat de motor op 20 mei 2025 is gestolen in [plaats] (België) vanuit de garage van [belanghebbende] . Hiervan is ook aangifte gedaan. Een eigenaar verliest zijn eigendomsrecht niet als zijn eigendom wordt gestolen. Op grond van artikel 3:86 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek kan hij het gestolen goed gedurende drie jaren na de dag van de diefstal opeisen van de persoon die het onder zich heeft. Dat geldt niet als er daarna sprake is geweest van een consumentenkoop. In onderhavige zaak was van een consumentenkoop geen sprake nu klaagster handelde vanuit een bedrijf en zodoende deze derdenbescherming niet geniet. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [belanghebbende] redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt en het eigendom kan opeisen, nu het verzoek tot revindicatie binnen drie jaar na de diefstal is gedaan. Dit betekent dat klager niet als redelijkerwijs rechthebbende van de motor kan worden beschouwd, zodat het klaagschrift ongegrond zal worden verklaard.

De rechtbank geeft klaagster en [belanghebbende] in overweging om in onderling overleg de door klaagster gemaakte kosten voor de reparatie van de motor middellijk te regelen.

3. De beslissing

De rechtbank

- verklaart het klaagschrift ongegrond.

Deze beslissing is genomen door mr. P.E. Van Althuis, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 24 februari 2026.

INFORMATIE RECHTSMIDDEL

Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. P.E. Van Althuis

Griffier

  • mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand