proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van26 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld omdat het UWV volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag van 17 december 2025 voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
De rechtbank heeft het beroep op 26 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van het UWV en mr. drs. R. Spanjer en mr. M.J. Kooistra. Eiser heeft zich voor de zitting afgemeld.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de rechtbank
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
2. Eiser heeft op 17 december 2025 een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering. Het UWV moet binnen acht weken beslissen op de aanvraag. Deze termijn was op 11 februari 2026 verstreken.
Eiser heeft het UWV op 8 april 2026 een digitaal bericht gestuurd waarin hij het UWV in gebreke stelt en het UWV heeft dit bericht op dezelfde datum ontvangen. Ter zitting heeft het UWV erkend dat de ingebrekestelling rechtsgeldig is ingediend. Na de ontvangst van de ingebrekestelling zijn twee weken voorbij gegaan. Er is nog altijd geen besluit genomen. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.
Welke beslistermijn moet aan het UWV worden opgelegd?
3. Het UWV heeft ter zitting aangegeven dat de beslissing op de WIA-aanvraag binnen een maand genomen zal worden. De rechtbank zal aan het UWV een beslistermijn van één maand opleggen.
Verbindt de rechtbank aan deze uitspraak een dwangsom?
4. De rechtbank bepaalt dat het UWV een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het UWV. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
Stelt de rechtbank de bestuurlijke dwangsom vast?
5. Eiser heeft verzocht om de bestuurlijke dwangsom vast te stellen. Ter zitting is duidelijk geworden dat het UWV deze nog niet heeft vastgesteld en dat het UWV het maximale bedrag van € 1.442,- aan bestuurlijke dwangsom moet betalen.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, het UWV de onder 3 genoemde termijn krijgt opgelegd om alsnog een besluit te nemen en aan het UWV de onder 4 genoemde dwangsom wordt opgelegd. De rechtbank stelt ook de door het UWV al verschuldigde bestuurlijke dwangsom vast.
7. Omdat het beroep gegrond is, moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden.
8. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026 door mr. S.A.M.L. van de Sande, voorzitter, en mr. R.P. Broeders en mr. M. Breeman, leden, in aanwezigheid van drs. A. Lemaire, griffier, en wordt geanonimiseerd gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.