RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-224896-25
raadkamernummer : 25-025523
datum : 10 maart 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klager] ,
geboren op [geboortedag] 1973 te Breda,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. F. Kaloudis, advocaat te Zevenbergen (Noordhaven 94, 4761 DC Zevenbergen),
hierna te noemen: klager.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
Op 24 februari 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. M. Nieuwenhuis en mr. F. Kaloudis als gemachtigd advocaat van klager, gehoord.
Klager is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan klager.
Op 29 september 2025 is beslag gelegd op de Audi en twee bankrekeningen van klager (beheerrekening en een leefgeldrekening ) ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel en/of een op te leggen schadevergoedingsmaatregel. Inmiddels heeft klager het dossier ontvangen. Er is echter nog geen zittingsdatum bekend. Evenmin is duidelijk wat klager nu precies wordt verweten en of er sprake is van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. In het dossier zit daarvoor in ieder geval geen bewijs. Volgens klager is hetgeen is aangetroffen de enige oogst geweest. Hij heeft daar geen koper voor kunnen vinden, zodat van enig geldelijk gewin ook geen sprake is geweest. Ten aanzien van een eventueel op te leggen schademaatregel ligt er alleen een aangifte van Enexis waar verder nog geen beslissing op is genomen. Klager meent dat het beslag op de Audi en de banktegoeden onredelijk dan wel disproportioneel is. Klager heeft de Audi nodig voor zijn nieuwe werk in [plaats] . Klager staat onder bewind en heeft geen geld om een andere auto te kopen. Hij gaat nu op de fiets naar zijn werk in [plaats] , maar dat is in de winter niet ideaal. Klager stelt geen doorgewinterde crimineel te zijn. Hij wilde enkel iets extra’s verdienen. Het bedrag van de beoogde ontnemingsmaatregel dan wel een schadevergoedingsmaatregel staat ook niet in verhouding tot de waarde van de Audi. Klager heeft de Audi destijds voor een bedrag van € 2.500,00 aangekocht. Doordat beslag is gelegd op de banktegoeden van klager ontstaat een financiële noodsituatie die eveneens disproportioneel bezwarend is voor klager. Primair wordt verzocht het voormelde beslag op te heffen met last tot teruggave van de Audi en de gelden aan klager. Subsidiair wordt verzocht het voormelde beslag te beperken tot ofwel inbeslagneming van de Audi ofwel de banktegoeden, met dien verstande een last tot teruggave van het bedrag ter hoogte van de beslagvrije voet.
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie en zich op het standpunt gesteld dat het beslag gehandhaafd dient te blijven. De Audi is vatbaar voor conservatoir beslag en de verdenking is er nog steeds. Het dossier is gisteren verstrekt. Hieruit blijkt dat er sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel van ruim € 62.000,00 en dat Enexis schade heeft geleden voor een bedrag van € 8.500,00. Het geld dat klager op zijn rekening heeft staan is onvoldoende om deze schade op klager te verhalen. Om die reden heeft het Openbaar Ministerie gekozen om conservatoir beslag te leggen op zowel de bankrekeningen van klager als op de Audi.
2. De beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in zijn beklag.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het conservatoir beslag dat is gelegd op grond van artikel 94a Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moet de rechter, bij een artikel 94a, eerste, tweede of derde lid, Sv beslag onderzoeken:
(i) of ten tijde van de beslissing op het klaagschrift sprake is van een redelijk vermoeden van schuld van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vierde of vijfde categorie kan worden opgelegd;
en
(ii) of zich het geval voordoet dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel dan wel een schadevergoedingsmaatregel zal opleggen.
De rechtbank stelt vast dat sprake is van een verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Klager wordt verdacht van het vervaardigen van softdrugs, hetgeen hij ook heeft bekend. Volgens klager is er echter geen sprake geweest van enig geldelijk gewin. Uit het zich in het raadkamerdossier bevindende rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij en de aangifte van Enexis volgt echter dat het aannemelijk is om op basis van de metingen van fraude-inspecteur van Enexis en de aangetroffen indicatoren uit te gaan van twee eerdere oogsten die hebben plaatsgevonden. De rechter-commissaris heeft ook voldoende aanleiding gezien om een machtiging conservatoir beslag te verlenen tot verhaal van een op te leggen betalingsverplichting aan de Staat van een geldboete dan wel van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Gelet op deze omstandigheden - uitgaande van de stand van zaken ten tijde van de behandeling van het klaagschrift en met inachtneming van het summiere karakter van de raadkamer - is de rechtbank van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, een geldboete tot tenminste de hoogte van de waarde van de in beslag genomen Audi zal opleggen, dan wel aan klager eventueel de verplichting tot betaling van een geldbedrag tot ten minste die hoogte ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Aangezien de opbrengst van de Audi bij vervreemding en de banktegoeden van klager dus in zoverre kunnen strekken tot zekerheid van de nakoming van zodanige verplichtingen, dient het klaagschrift ongegrond te worden verklaard.
De rechtbank is van oordeel dat het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt na berekening geschat op geschat € 62.351,66. Uit hetgeen door de raadsvrouw in raadkamer naar voren is gebracht begrijpt de rechtbank dat de Audi destijds voor een bedrag van
€ 2.500,00 is aangekocht en thans een waarde heeft van tussen de € 1.850,00 en
€ 4.000,00. Uitgaande van deze bedragen - die overigens niet met stukken zijn onderbouwd -in verhouding tot de geschatte betalingsverplichting aan de Staat en Enexis acht de rechtbank voortduring van het beslag op dit moment niet disproportioneel.
3. De beslissing
De rechtbank
- verklaart het klaagschrift ongegrond;
Deze beslissing is genomen door mr. P.A.M. Wijffels rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M.R. Chevalier-Chevalier, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 10 maart 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).