RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 96-169408-25
raadkamernummer : 25-027619
datum : 10 maart 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres] ,
hierna te noemen: verzoeker.
1. De procedure
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het op 27 oktober 2025 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van:
- € 1.950,00, € 1.950,00, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
Op 24 februari 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. M. Nieuwenhuis en verzoeker, gehoord.
Door verzoeker is verzocht een vergoeding van bovengenoemde schade toe te wijzen. Verzoeker heeft in raadkamer in aanvulling op het verzoekschrift aangevoerd dat hij de kosten zelf heeft gemaakt. Hij heeft zichzelf verdedigd en niemand heeft hem daarbij geholpen. Hij heeft zijn uurtarief geschat op 50 euro en acht dit een schappelijk bedrag.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de kosten die verzoeker heeft gemaakt niet voor vergoeding in aanmerking komen nu ingevolge artikel 530 Sv enkel de kosten van een raadsman/raadsvrouw worden vergoed.
2. De beoordeling
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij deze rechtbank is vervolgd.
Op grond van artikel 530, tweede lid, Sv kan, indien een zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, aan de gewezen verdachte een vergoeding worden toegekend in de kosten van rechtsbijstand.
In onderhavige zaak heeft verzoeker zichzelf verdedigd en geen juridisch advies ingewonnen. Hoewel de rechtbank begrijpt dat verzoeker veel tijd in een goede voorbereiding van zijn strafzaak heeft gestoken en daardoor ook inkomsten is misgelopen, is artikel 530 Sv specifiek bedoeld voor het vergoeden van gemaakte kosten voor de verleende rechtsbijstand door een raadsman/raadsvrouw, zijnde een advocaat die is ingeschreven op het tableau van de Nederlandse Orde van advocaten of die overeenkomstig artikel 37, tweede lid Sv als raadsman/raadsvrouw is toegelaten. Nu verzoeker zichzelf heeft verdedigd en zich dus niet heeft laten bijstaan door een raadsman/raadsvrouw, komen zijn kosten niet in aanmerking voor een vergoeding, en ook niet voor de forfaitaire vergoedingen voor onderhavige procedure. De rechtbank zal het verzoek dan ook afwijzen.
3. De beslissing
De rechtbank wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding af.
Deze beslissing is genomen door mr. P.E. van Althuis, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 10 maart 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.