2. De beoordeling
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij deze rechtbank is vervolgd.
Op grond van artikel 530 Sv wordt aan een gewezen verdachte een vergoeding toegekend van de reis- en verblijfskosten die voor het onderzoek en de behandeling van de zaak zijn gemaakt. Ook kan een vergoeding voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd.
Artikel 534 lid 1 Sv bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.
Verzoeker is vrijgesproken. De rechtbank acht gronden van billijkheid aanwezig om aan verzoeker een vergoeding toe te kennen voor de gemaakte kosten.
Verzoeker heeft een bedrag ter hoogte van € 2.064,56 verzocht voor vergoeding van kosten voor rechtsbijstand. De rechtbank ziet in de aard van de verdenking (overtreding van artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht), het procesdossier van slechts twee pagina’s, de omstandigheid dat verzoeker niet door de advocaat tijdens de zitting is bijgestaan en de declaraties die enkel bestaan uit het veelvuldig schrijven van brieven, aanleiding om de verzochte vergoeding te matigen. In raadkamer is ook niet duidelijk geworden waar de werkzaamheden nu precies uit hebben bestaan. De rechtbank acht vier uren aan verrichte werkzaamheden toewijsbaar en zal op gronden van billijkheid een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand toekennen tot een bedrag van € 1.123,57.
Verzoeker heeft voorts verzocht om vergoeding van een bedrag ter hoogte van € 17,92 voor reiskosten in verband met het bijwonen van de zitting. De rechtbank is van oordeel dat deze kosten voldoende zijn onderbouwd zijn en wijst dit bedrag ook toe.
Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van € 680,00 toegekend.
3. De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van
€ 1.821,49, bestaande uit:
- € 1.123,57 aan kosten van rechtsbijstand;
- € 17,92 aan reiskosten;
- € 680,00 de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
wijst het verzoek voor het overige af;
bepaalt dat een bedrag van € 1.821,49 zal worden overgemaakt op [rekeningnummer] ten name van [naam] , onder vermelding van “ [vermelding] ”.
Deze beslissing is genomen door mr. P.E. van Althuis, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 10 maart 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.