RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-217054-22
raadkamernummer : 25-030306
datum : 10 maart 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedag] 1956 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. M. Houweling advocaat te Roosendaal, (Bovendonk 11A, 4707 ZH Roosendaal),
hierna te noemen: verzoeker.
1. De procedure
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het op 21 november 2025 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van:
Op 24 februari 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. M. Nieuwenhuis, verzoeker en mr. M. Houweling als advocaat van verzoeker, gehoord.
Namens verzoeker is verzocht een vergoeding van bovengenoemde schade toe te wijzen. De advocaat van verzoeker heeft in raadkamer in aanvulling op het verzoekschrift aangevoerd dat de kosten voor de aan verzoeker verleende rechtsbijstand niet bovenmatig zijn en voor integrale toewijzing in aanmerking komen. Vanwege de enorme persoonlijke en ook zakelijke belangen was verzoeker zeer nauw en zorgvuldig betrokken bij de voorbereiding van de zaak. Verzoeker is daarbij te kenmerken als volhardend, vasthoudend en veeleisend, hetgeen tot veelvuldige en uitvoerige correspondentie en besprekingen heeft geleid. De strafzaak heeft daarbij meerdere jaren geduurd. Naast het politieverhoor hebben er twee zitting plaatsgevonden en is er veelvuldige communicatie met de Verkeerstoren geweest omtrent het inplannen van de laatste zitting. Mocht matiging van het schadebedrag desalniettemin passend wordt geacht, dan wordt subsidiair verzocht om de vergoeding te bepalen op een bedrag dat ligt tussen het verzochte schadebedrag en het door het Openbaar Ministerie toewijsbare bedrag. Uiterst subsidiair verzoekt verzoeker het schadebedrag conform het schriftelijke standpunt van het Openbaar Ministerie toe te wijzen.
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de schriftelijke reactie van het Openbaar ministerie en zich op het standpunt gesteld dat het aantal uren dat aan het contact met verzoeker is besteed, bovenmatig is en niet in verhouding staat tot de complexiteit van de strafzaak en de omvang van het procesdossier. Het is dan ook redelijk om enige matiging van de verzochte vergoeding te betrachten.
2. De beoordeling
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen, omdat de zaak in feitelijke aanleg bij deze rechtbank is vervolgd.
Op grond van artikel 530 Sv wordt aan een gewezen verdachte een vergoeding toegekend van de reis- en verblijfskosten die voor het onderzoek en de behandeling van de zaak zijn gemaakt. Ook kan een vergoeding voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd.
Artikel 534 lid 1 Sv bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.
De rechter acht hier gronden van billijkheid voor toekenning aanwezig.
Verzoeker heeft een bedrag ter hoogte van € 18.632,35 verzocht voor vergoeding van kosten voor rechtsbijstand. De advocaat heeft in raadkamer een nadere toelichting gegeven op de door hem geschreven tijd in verband met de strafzaak. De rechtbank begrijpt hieruit onder meer dat verzoeker veeleisend is geweest en zich intensief heeft bemoeid met de voorbereiding van zijn strafzaak, hetgeen heeft geleid tot veelvuldige en uitvoerige correspondentie en besprekingen tussen verzoeker en zijn advocaat. Zij is van oordeel dat gelet op de aard en de omvang van de zaak gesteld kan worden dat er sprake is geweest van bovenmatig contact tussen verzoeker en zijn advocaat, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank een grond voor matiging oplevert. De rechtbank zal op gronden van billijkheid een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand toekennen tot een bedrag van € 15.000,00.
Verzoeker heeft voorts verzocht om vergoeding van een bedrag ter hoogte van € 47,77 voor reiskosten in verband met het bijwonen van de zitting. De rechtbank is van oordeel dat deze kosten voldoende zijn onderbouwd zijn en wijst dit bedrag ook toe.
Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van € 680,00 toegekend.
3. De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van
€ 15.727,77, bestaande uit:
- € 15.000,00 aan kosten van rechtsbijstand;
- € 47,77 aan reiskosten;
- € 680,00 de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
wijst het verzoek voor het overige af;
bepaalt dat een bedrag van € 15.727,77 zal worden overgemaakt op [rekeningnummer] ten name van [naam] , onder vermelding van “ [vermelding] ”.
Deze beslissing is genomen door mr. P.E. van Althuis, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 10 maart 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.