RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-353713-24
raadkamernummer : 25-030610
datum : 10 maart 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedag] 2007 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. D. Marcus, advocaat te Goirle (Edisonstraat 6, 5051 DS Goirle),
hierna te noemen: verzoeker.
1. De procedure
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het op 25 november 2025 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van:
Op 24 februari 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. M. Nieuwenhuis en mr. D. Marcus als gemachtigd advocaat van verzoeker, gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
Namens verzoeker is verzocht een vergoeding van bovengenoemde schade toe te wijzen. De advocaat van verzoeker heeft in raadkamer in aanvulling op het verzoekschrift aangevoerd dat er weliswaar sprake is van twee gevoegde zaken, maar de voeging heeft pas de voorlaatste zitting plaatsgevonden. De openlijke geweldszaak heeft eerder afzonderlijk op een zitting gestaan. Verzoeker is vrijgesproken van de openlijke geweldpleging. De advocaat heeft de zaken in dit verzoekschrift los gekoppeld. De declaratie ziet dus enkel op de openlijke geweldszaak. Voor die zaak is een tweede verhoor gelast, hetgeen niet gebruikelijk is en waarvoor geen vergoeding door de Raad voor Rechtsbijstand is toegekend. Verzoeker heeft deze nota zelf moeten betalen. Ten aanzien van de parkeerkosten stelt de advocaat dat zij deze kosten niet kan onderbouwen, anders dan dat de ouders van verzoeker (verplicht) bij de zitting van hun minderjarige zoon aanwezig zijn geweest. De reiskosten zijn gemaakt ten behoeve van het tweede verhoor van verzoeker en zien specifiek op de openlijke geweldpleging. De vader van verzoeker werkt fulltime en heeft uren vrij moeten nemen voor het bijwonen van de verhoren en de zitting. Ook die uren zien enkel op de openlijke geweldpleging. Dat geldt ook voor de moeder van verzoeker. Zij werkt parttime en heeft vrij moeten nemen om bij de zitting van haar minderjarige zoon aanwezig te kunnen zijn. Verzoeker handhaaft het verzoek zoals is ingediend.
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie ten aanzien van de verzochte vergoeding van de reis- en parkeerkosten (verzoeker niet-ontvankelijk) en het tijdsverzuim (afwijzen). In de nadere toelichting van de advocaat in raadkamer ziet de officier van justitie aanleiding om - ondanks de voeging van zaken waarbij verzoeker voor één van de drie feiten is veroordeeld - een deel van de verzochte vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand toe te wijzen. Nu het de officier van justitie op basis van de urenstaat onvoldoende duidelijk is of deze uren slechts zien op de openlijke geweldszaak of ook samenhangen met de andere feiten acht hij toekenning van drie uren redelijk.
2. De beoordeling
De rechtbank stelt vast dat de afzonderlijk aanhangig gemaakte zaken met parketnummers 02-353713-24 en 02-267279-24 ter terechtzitting van 25 juni 2025 zijn gevoegd. Verzoeker is door de kinderrechter op de zitting van 6 oktober 2025 veroordeeld voor het onder parketnummer 02-267279-24 feit 1 ten laste gelegde tot een taakstraf. Hij is vrijgesproken van het onder parketnummer 02-267279-24 feit 2 ten laste gelegde en is ontslagen van alle rechtsvervolging van het onder parketnummer 02-353713-24 ten laste gelegde.
In lijn met de vaste rechtspraak van de Hoge Raad is de rechtbank van oordeel dat in het geval dat een onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad aan de term ‘zaak’ in artikel 530, eerste en tweede lid Sv de betekenis kan worden toegekend van ‘al datgene waarop het rechtsgeding betrekking had’. De rechtbank ziet geen aanleiding om van deze vaste rechtspraak af te wijken. Door de voeging van de zaken ter terechtzitting is het één zaak geworden, waarop ook in één vonnis is beslist. Tegen deze achtergrond kan niet worden gezegd dat de zaak tegen verzoeker is geëindigd zonder oplegging van een straf of maatregel; hij is immers veroordeeld tot een taakstraf voor een overtreding van artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie die daarvan onderdeel uitmaakte. De rechtbank zal verzoeker daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek.
Nu verzoeker niet-ontvankelijk is in zijn verzoek, wijst de rechtbank het verzoek tot het toekennen van een forfaitaire vergoeding voor het indienen en de behandeling van het verzoekschrift in raadkamer af.
3. De beslissing
De rechtbank
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek.
Deze beslissing is genomen door mr. P.E. van Althuis, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 10 maart 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.